Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BB4841

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
04-10-2007
Datum publicatie
04-10-2007
Zaaknummer
97529 / KG ZA 07-301
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geen verbod aan hypotheekhouder om tot executie over te gaan. De hypotheekhouder heeft de financieringsovereenkomst rechtsgeldig opgezegd. Bovendien geen misbruik van bevoegdheid.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 13
Burgerlijk Wetboek Boek 3 268
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2007/289
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

FV/HW

KG nummer: 97529/KG ZA 07-301

datum: 4 oktober 2007

Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding

in de zaak van:

1. [NAAM EISER SUB 1],

2. [NAAM EISER SUB 2],

3. [NAAM EISER SUB 3],

allen wonende te Limmen, gemeente Castricum,

EISERS IN KORT GEDING,

procureur mr. R.H.J. van Gulick,

tegen:

1. de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK NOORD-KENNEMERLAND U.A.,

gevestigd te Castricum,

2. de naamloze vennootschap RABOBANKHYPOTHEEKBANK N.V.,

statutair gevestigd te Amsterdam en kantoor houdende te Utrecht,

GEDAAGDEN IN KORT GEDING,

procureur mr. A.W.J. Castelijns,

advocaat mr. M.N. Frijlink te Utrecht.

Partijen zullen verder - in enkelvoud - ook worden genoemd "[eisers]" respectievelijk "de Rabobank".

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

Ter terechtzitting van 25 september 2007 heeft [eisers] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Vervolgens heeft hij zijn eis gewijzigd.

De Rabobank heeft de gewijzigde vordering bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van de zijde van [eisers] de originele dagvaardingen en van beide zijden pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

2.

DE UITGANGSPUNTEN

2.1 Sedert 1 november 2001 is [eisers] samen met [betrokkene 1] en ieder voor 1/4 gedeelte eigenaar van de onroerende zaken, staande en gelegen aan de Kerkweg 29, 29B en 29C te Limmen. De onroerende zaken omvatten onder meer een woonhuis met werkplaats, twee afzonderlijke bovenwoningen en een schuur. [betrokkene 1] voornoemd is overleden op 31 januari 2006.

2.2 Ten behoeve van de aanschaf van de onroerende zaken heeft [eisers] gelden van de Rabobank geleend. In dit kader is ten behoeve van de Rabobank een recht van eerste hypotheek op die onroerende zaken gevestigd, voor een bedrag van

[euro] 317.646,-- (te vermeerderen met rente en kosten).

2.3 Eiser sub 1 (hierna ook: [naam eiser sub 1]) heeft in 2003 voormelde schuur ter beschikking gesteld aan derden voor de kweek van hennep. In 2006 is de hennepkwekerij door de politie opgerold. [naam eiser sub 1] is in dit verband strafrechtelijk veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden en een taakstraf van 240 uur. Voorts is [naam eiser sub 1] veroordeeld om aan de Nederlandse staat een bedrag van [euro] 100.000,-- te betalen wegens wederrechtelijk verkregen voordeel.

2.4 In maart 2006 is [naam eiser sub 1] gedagvaard door N.V. Continuon Netbeheer (hierna: Nuon). Nuon vordert in die procedure veroordeling van [naam eiser sub 1] tot betaling van een bedrag van ruim [euro] 44.000,-- (te vermeerderen met rente en kosten) wegens afgenomen maar niet door de meter geregistreerde elektra.

2.5 Nuon en het Openbaar Ministerie hebben in verband met voormelde vorderingen op [naam eiser sub 1] ten laste van laatstgenoemde conservatoir beslag gelegd op (het aandeel van [naam eiser sub 1] in de eigendom van) de hiervoor onder 2.1. omschreven onroerende zaken.

2.6 De Rabobank heeft bij brief van 22 februari 2007 de aan [eisers] verstrekte financieringen met onmiddellijke ingang opgezegd. Hierbij is [eisers] gesommeerd om uiterlijk op 31 mei 2007 de vordering van gedaagde sub 1 te voldoen. De Rabobank heeft daarna die termijn op verzoek van [eisers] verlengd tot 31 augustus 2007.

2.7 [eisers] heeft op 8 maart 2007 aan een makelaar de opdracht gegeven om te bemiddelen bij de verkoop van de onroerende zaken. De vraagprijs is destijds bepaald op [euro] 649.000,--. Recent is de vraagprijs verlaagd tot [euro] 599.000,--. De onroerende zaken zijn tot op heden nog niet verkocht.

2.8 [eisers] heeft vervolgens aan de Rabobank nogmaals om verlenging van de hiervoor onder 2.6. genoemde termijn verzocht, maar de Rabobank heeft dit verzoek van de hand gewezen.

2.9 Inmiddels heeft gedaagde sub 1 aangekondigd de executie van de onroerende zaken in gang te zetten.

3. DE VORDERING EN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [eisers] vordert, kort gezegd, een verbod tegen de Rabobank om vóór 1 april 2008 over te gaan tot executie van de hiervoor onder 2.1. genoemde onroerende zaken, op straffe van een dwangsom van [euro] 334.000,-- indien de Rabobank hieraan niet voldoet, met veroordeling van de Rabobank in de kosten van het geding.

3.2 [eisers] legt aan de vordering samengevat ten grondslag dat executie aan zijn zijde een noodtoestand zal doen ontstaan. Executie zal immers nagenoeg zeker leiden tot een lagere verkoopprijs dan in het geval van vrije, onderhandse verkoop. [eisers] zal de dupe worden van deze vorm van kapitaalvernietiging omdat hij in dat geval niet in staat is om elders een woning te kopen. Bovendien heeft gedaagde sub 1 geen in redelijkheid te respecteren belang om tot executie over te gaan. Omdat per maart 2006 een einde is gekomen aan de hennepkwekerij en daarmee ook aan de "illegale praktijken" van [eiser sub 1], valt niet in te zien waarom de Rabobank niet nog enige tijd zou kunnen wachten met executie. Daarbij komt dat de opzegging door gedaagde sub 1 niet rechtsgeldig is geschied, althans dat met het beëindigen van de hennepkwekerij de grond voor opzegging niet meer aanwezig is, alles aldus [eisers].

3.3 De Rabobank heeft verweer gevoerd op gronden die, voor zover voor de beslissing van belang, hierna aan de orde zullen komen.

4. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING

4.1 Allereerst staat tussen partijen ter discussie de vraag of de Rabobank in februari 2007 gerechtigd was om de financieringsovereenkomst met [eisers] op te zeggen. De Rabobank betoogt dat zij tot opzegging bevoegd was en dit betoog slaagt. Vast staat dat [naam eiser sub 1] de schuur in 2003 aan derden in gebruik heeft gegeven ten behoeve van de exploitatie van een hennepkwekerij. Daarmee staat vast dat de schuur door [naam eiser sub 1] voor een ander doel gebruikt is dan het doel waarvoor die schuur bestemd was op het moment van het verlenen van de hypothecaire zekerheid door [eisers]. In dit kader is verder van belang dat de Rabobank voor dat andere gebruik geen toestemming heeft gegeven, terwijl dat wel vereist was. Gelet hierop mocht de Rabobank tot opzegging overgaan en is die opzegging dus rechtsgeldig geschied.

4.2 Dat de Rabobank eerst een jaar na het einde van de hennepkwekerij de financieringen heeft opgezegd kan, anders dan [eisers] ter zitting heeft gesteld, niet tot de conclusie leiden dat de Rabobank haar recht om de financieringsovereenkomsten op te zeggen heeft verspeeld. De Rabobank heeft immers aangevoerd dat zij in maart en april 2006 een bespreking heeft gehad met [naam eiser sub 1] en dat [naam eiser sub 1] toen ontkend heeft iets met de kwekerij te maken te hebben. [naam eiser sub 1] heeft toegeven dat hij destijds gelogen heeft tegen de Rabobank maar aangevoerd dat de Rabobank op z'n minst een nader onderzoek had moeten instellen. Dit betoog van [naam eiser sub 1] faalt. De Rabobank had destijds geen aanleiding om aan de juistheid van de verklaring van [naam eiser sub 1] te twijfelen. Bovendien dient het verhullen van de waarheid voor rekening en risico van [naam eiser sub 1] te komen, te meer nu de Rabobank onweersproken verklaard heeft dat [naam eiser sub 1] destijds is gewezen op de consequenties indien achteraf zou blijken dat zijn verklaring in strijd met de waarheid was.

4.3 Nu de Rabobank de overeenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd terwijl [eisers] tot op heden heeft nagelaten de vordering van de Rabobank te voldoen, is de Rabobank gerechtigd om gebruik te maken van het aan haar als eerste hypotheekhouder toekomend recht van parate executie. Dit kan in beginsel slechts anders zijn indien de Rabobank dit recht uitoefent met geen ander doel dan het schaden van [eisers] of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of indien de Rabobank, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

4.4 In dit kader wordt vooropgesteld dat, hoewel de onroerende zaken reeds sinds maart 2007 te koop staan, de onroerende zaken tot op heden niet zijn verkocht. De Rabobank heeft vervolgens [eisers] een nadere termijn gegund tot

31 augustus 2007 om alsnog die onroerende zaken te verkopen, maar tot op heden zonder succes. [eisers] stelt thans dat de termijn nogmaals moet worden verlengd. Voor een nadere verlenging bestaat echter onvoldoende aanleiding. Vast staat dat de vraagprijs voor de onroerende zaken aanvankelijk is bepaald op [euro] 649.000,-- en dat die vraagprijs recent is verlaagd tot [euro] 599.000,--. De Rabobank heeft een geveltaxatie d.d. 20 september 2007 overgelegd, waarin de onderhandse verkoopwaarde (vrij van huur en gebruik ) wordt geschat op [euro] 468.000,-- en de executiewaarde (bij eigen gebruik) op [euro] 400.000,--. Aan [eisers] moet weliswaar worden toegegeven dat een geveltaxatie, anders dan een volledige taxatie, slechts als globale richtlijn kan worden gezien, maar daar staat tegenover dat [eisers] heeft nagelaten zelf een taxatierapport in het geding te brengen. Op grond van het voorgaande bestaat er onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de in de geveltaxatie genoemde bedragen en dienen er vraagtekens te worden geplaatst bij de hoogte van de door [eisers] gehanteerde vraagprijs. Geenszins valt uit te sluiten dat die (te) hoge vraagprijs er mede de oorzaak van is dat de onroerende zaken tot op heden niet zijn verkocht. In dit licht bezien plaatst de Rabobank terecht vraagtekens bij de inspanningen die [eisers] zou hebben verricht om tot verkoop te komen. Mede in aanmerking nemende dat de Rabobank de aan [eisers] aanvankelijk gegunde termijn reeds eerder heeft verlengd, komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat de Rabobank de belangen van [eisers] voldoende in acht heeft genomen. Van misbruik van bevoegdheid door de Rabobank is daarom niet gebleken, hetgeen leidt tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

4.5 [eisers] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het geding.

5. DE BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- weigert de gevorderde voorziening;

- veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de Rabobank begroot op [euro] 251,-- aan verschotten en op [euro] 816,-- aan salaris procureur.

Gewezen door mr. H. Warnink, voorzieningenrechter van de Rechtbank te Alkmaar en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 oktober 2007 in tegenwoordigheid van mr. F. Vermeij, griffier.