Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BB4744

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
19-04-2007
Datum publicatie
03-10-2007
Zaaknummer
202917 CV EXPL 06-126
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Loonvordering. Werknemer, werkzaam op een platform in de Noordzee, werkte niet in de periode waarover thans loon wordt gevorderd, maar stelt dat hij bereid was om te werken, mits rekening werd gehouden met gezondheidsklachten. Vaststaat dat op de platforms -waar hij ook slaapt- wordt gerookt. Artikel 11a Tabakswet luidt dat de werkgever zodanige maatregelen moet treffen dat werknemers in staat worden gesteld hun werkzaamheden te verrichten zonder daarbij hinder of overlast van roken door anderen te ondervinden. Doch in het Besluit uitzonderingen rookvrije werkplek is in art. 2 onder f bepaald dat deze verplichting niet geldt ten aanzien van ruimtes waarvan werkgevers geen zeggenschap hebben over de gebuiksregels (o.a. als de formele werkgever niet dezelfde is als de feitelijke werkgever). Aan de zorgverplichting die gedaagde als formele werkgever ex art. 7:658 lid 1 BW wel heeft, heeft gedaagde voldaan. Van gedaagde kon in dit geval niet in redelijkheid worden verwacht dat zij vanaf de ene dag op de andere een ander rookbeleid of een andere overnachtinsgmogelijkheid voor eiser had gerealiseerd.

Wetsverwijzingen
Tabakswet
Tabakswet 11a
Besluit uitzonderingen rookvrije werkplek
Besluit uitzonderingen rookvrije werkplek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 628
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2007/269 met annotatie van Mr. dr. M.S.A. Vegter
Prg. 2007, 173
JAR 2007, 269

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Den Helder

zaak/rolnr.: 202917-06-126 WG

Uitspraakdatum: 19 april 2007

Vonnis in de zaak van:

[eiser] te Simonshaven, gemeente Bernisse

eisende partij

verder ook te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. R. de Rijk, werkzaam ten kantore van de Stichting Rechtsbijstand te Zoetermeer

tegen

de besloten vennootschap m.b.a. [gedaagde] te Den Helder

gedaagde partij

verder ook te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. L. Berrich, advocaat te Rotterdam.

Het procesverloop

[eiser] heeft een vordering ingesteld, zoals omschreven in de dagvaarding d.d. 5 januari 2006.

[gedaagde] heeft bij antwoord verweer gevoerd.

Na beraad heeft de kantonrechter een comparitie gelast, die is gehouden op 21 december 2006, in aanwezigheid van [eiser] en namens [gedaagde] haar directeur [naam]; partijen werden bijgestaan door hun gemachtigden.

Van deze comparitie heeft de griffier aantekeningen gehouden.

De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

Ten slotte is heden uitspraak bepaald.

De vaststaande feiten

1. [eiser] is vanaf 22 september 2003 bij [gedaagde] in dienst getreden in de functie van Operator Mechanic. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO OPS (hierna ook de CAO) van toepassing. Het laatstverdiende loon bedraagt € 3.174,54 bruto per maand.

2. [gedaagde] is een zogeheten "offshore contractor". In dit verband detacheert [gedaagde] personeel bij de olie- en gasindustrie. De verreweg belangrijkste klant van [gedaagde] is Gaz de France. Personeelsleden van [gedaagde] zijn werkzaam voor Gaz de France op diverse platforms op de Noordzee waar gas wordt geproduceerd. Gaz de France deelt de werknemers in verschillende clusters. Elk cluster staat ingedeeld voor de werkzaamheden op bepaalde platforms. Voor de uitvoering van de werkzaamheden op de platforms zijn de werknemers altijd 14 dagen gedurende 12 uur per dag werkzaam op een platform en overnachten zij, afhankelijk van de mogelijkheden op de platforms, op het platform waar zij aan het werk zijn of op het hoofdplatform. Overnachting op het hoofdplatform vindt slechts plaats indien het platform waarop gewerkt wordt, geen faciliteiten biedt om te overnachten. Na 14 dagen werken op een platform, hebben werknemers een rustperiode van 14 dagen.

3. [eiser] heeft dienovereenkomstig arbeid verricht. Hij was onder meer ingedeeld op de L10A satelliet (een klein platform), alwaar de mogelijkheid bestaat om te overnachten.

4. [eiser] is van 3 juni tot en met 17 juli 2005 wegens ziekte arbeidsongeschikt geweest. Vanaf 18 juli 2005 werd hij door de arbo-arts arbeidsgeschikt geacht. Op 17 juli 2005 heeft hij [gedaagde] evenwel laten weten het dienstverband op te zeggen tegen 1 september 2005 met als reden, kort gezegd, dat hij de omstandigheden waaronder hij op de satellieten moest overnachten niet aanvaardbaar achtte. In die brief stelde hij voorts: "Ook wil ik U verzoeken rekening te houden met het feit dat als ik deze kalendermaand moet uitdienen er rekening gehouden zal moeten worden met het feit dat ik ook niet meer op de voornoemde satellieten wil overnachten, uiteraard noodsituaties uitgesloten.".

[eiser] is op 18 juli 2005 niet op zijn werk verschenen.

5. [gedaagde] heeft vanaf die datum geen loon betaald, omdat zij zich op het standpunt stelt dat sprake is van niet gerechtvaardigde werkweigering.

6. Art 8.2 van de CAO OPS die gold in de periode 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2004 bepaalt:

"Indien het dienstverband op initiatief van de werknemer of door de werkgever op grond van een dringende reden in de zin der wet wordt beëindigd geldt voor terugbetaling van opleidingen, cursussen en de refreshers hierop, direct na het behalen van de cursus, de volgende terugbetalingsregeling:

binnen 6 maanden = 100%

tussen 6 / 9 mnd = 50%

tussen 9 / 12 mnd = 25%

na 12 maanden = 0%."

Het geschil

7. [eiser] vordert in deze procedure betaling van loon over de hiervoor genoemde periode. Hij betwist dat sprake is van werkweigering; hij was wel degelijk bereid arbeid te verrichten, mits rekening gehouden werd met zijn gezondheidsklachten. Met name had hij last van het feit dat op de satellieten werd gerookt. Daaraan kon tegemoet worden gekomen door hem op een ander, nabijgelegen platform te laten overnachten, maar dat heeft [gedaagde] ondanks meerdere verzoeken zijnerzijds geweigerd. [gedaagde] heeft haar standpunt gehandhaafd dat onder de gegeven omstandigheden wel degelijk van werkweigering sprake is en dat [eiser] geen aanspraak kan maken op betaling van loon.

Voor de inhouding van het cursusgeld wijst [gedaagde] op art 8.2. van de CAO die volgens haar door verlenging nog steeds gold ten tijde van het einde van het dienstverband (september 2005). Bij akte na comparitie heeft zij het ingehouden bedrag nader gespecificeerd. Volgens [eiser] is de tekst van de bepaling niet duidelijk en gold de CAO slechts tot 1 juli 2004. Ook betwist hij dat [gedaagde] studiekosten voor hem heeft gemaakt.

De beoordeling

8. In beginsel is de werkgever niet gehouden tot betaling van loon over de periode dat de werknemer geen arbeid heeft verricht, tenzij de oorzaak daarvan in redelijkheid voor rekening van de werkgever moet komen. De oorzaak is in dit geval gelegen in de op zich niet in discussie zijnde omstandigheid dat op het platform (satelliet) waar [eiser] gedurende 14 dagen permanent verbleef en dus ook overnachtte, door een of meer andere werknemers gerookt werd. De bereidheid van [eiser] om de bedongen arbeid te verrichten moet ook in dat licht worden beschouwd. Anders dan [eiser] heeft betoogd kan hij zich niet beroepen op het bepaalde in art. 11a van de Tabakswet, waarin werkgever wordt verplicht om zodanige maatregelen te treffen dat werknemers in staat worden gesteld hun werkzaamheden te verrichten zonder daarbij hinder of overlast van roken door anderen te ondervinden. In het Besluit uitzonderingen rookvrije werkplek is in art. 2 onder f immers bepaald dat deze verplichting niet geldt in ruimten ten aanzien waarvan werkgevers geen zeggenschap hebben over de gebruiksregels. Volgens de memorie van toelichting bij dit artikel heeft de wetgever hierbij onder andere gedacht aan situaties waarin de formele werkgever niet dezelfde is als de feitelijke werkgever, zoals bijvoorbeeld in de uitzend- of detacheringbranche. In het onderhavige geval is de opdrachtgever van [gedaagde], Gaz de France, de feitelijke werkgever die de inrichting en arbeidsvoorwaarden op de satellieten bepaalt, zo staat onbetwist vast.

9. Het voorgaande neemt niet weg dat [gedaagde] ook als formele werkgever een zorgverplichting heeft voor de veiligheid van de werkomgeving en de gezondheid van haar werknemers (art 7:658 lid 1 BW). Nu de aard en organisatie van de werkzaamheden meebrengen dat de werknemer ook overnacht in een door de werkgever bepaalde omgeving, geldt deze verplichting ook daarvoor. Van [gedaagde] mag dan ook worden gevergd in redelijkheid met wensen c.q. klachten als de onderhavige rekening te houden, bijvoorbeeld door te bewerkstelligen dat haar opdrachtgever de passende maatregelen neemt. Dergelijke inspanningen kosten uiteraard wel enige tijd. [gedaagde] heeft onbetwist gesteld dat zij in vergelijkbare eerdere gevallen overleg heeft gevoerd met haar opdrachtgever en ook in deze kwestie tot een oplossing had kunnen komen als ze er maar eerder van op de hoogte was geweest. De kantonrechter is van oordeel dat van [gedaagde] in dit geval niet in redelijkheid kon worden verwacht dat zij vanaf de ene dag op de andere een ander rookbeleid of een andere overnachtingsmogelijkheid voor [eiser] had gerealiseerd. Zij is daarvoor immers mede afhankelijk van haar opdrachtgever, Gaz de France. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt, laat staan bewezen dat hij zijn bezwaren met betrekking tot een rookvrije overnachtingsplek eerder dan 17 juli 2005 aan [gedaagde] kenbaar heeft gemaakt. Sterker nog, hij heeft wel bezwaren kenbaar gemaakt maar die hadden geen betrekking op de kwestie van het roken. Ook in de opzeggingsbrief wordt het roken overigens niet expliciet genoemd. Ook de voorafgegane arbeidsongeschiktheid staat daarmee niet in verband. Door direct een dag later al niet meer te komen, heeft hij [gedaagde] voor een voldongen feit gesteld en, naar zij aannemelijk heeft gemaakt, in grote logistieke problemen gebracht omdat hij al was ingeroosterd en niet eenvoudig kon worden vervangen. Onder de geven omstandigheden was de abrupte en voor [gedaagde] niet te voorziene weigering om op de satellieten te overnachten niet redelijk, zodat het niet verrichten van de bedongen arbeid in dit geval voor rekening van [eiser] zelf moet blijven. [gedaagde] heeft terecht het loon over de betreffende periode niet betaald en dit deel van de vordering wordt dus afgewezen.

10. Tijdens de comparitie is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om bij akte onder meer stukken over te leggen waaruit blijkt dat de bepaling omtrent de terugbetaling door de werknemer van studiekosten als neergelegd in art 8.2. van de CAO nog gold ten tijde van de beëindiging van het dienstverband. Door [gedaagde] zijn de navolgende twee brieven overgelegd.

[Genoemde brieven zijn niet bijgevoegd].

Daargelaten dat beide brieven slechts betrekking hebben op een verlenging tot en met 30 juni 2005, volgt het bewijs dat en zo ja welke CAO bepalingen (en met name art. 8.2) op 1 september 2005 golden niet uit deze brieven. Dat betekent dat er geen goede, althans niet op eenvoudige wijze vast te stellen, gronden zijn gebleken om tot verrekening over te gaan, zodat [gedaagde] het ingehouden bedrag alsnog aan [eiser] moet uitkeren.

11. Tegenover de betwisting door gedaagden hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, zodat dit onderdeel van de vordering afgewezen dient te worden.

12. Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

De beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen kwijting te betalen € 1.020,50 netto.

Compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Schlingemann, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 19 april 2007 in het openbaar uitgesproken.