Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BB4601

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
13-09-2007
Datum publicatie
02-10-2007
Zaaknummer
06/2059
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eigen risicodragerschap kan niet worden aangenomen als een toestemmingsbesluit als bedoeld in artikel 75, eerste lid, van de WAO ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer:06/2059 ALGEM

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

[eiseres],

gevestigd te Alkmaar,

eiseres,

gemachtigde R.T. van Baarlen,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (districtskantoor Amsterdam),

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 6 april 2006 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat met ingang van 1 juli 2004 de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: de WAO) van haar voormalige werknemer, [naam] (hierna: de werknemer) door eiseres moet worden betaald. Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 14 juni 2006 ongegrond verklaard. Eiseres heeft bij ongedateerde brief, bij de rechtbank binnengekomen op 12 juli 2006, tegen dit besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 1 februari 2007, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen. Bij beslissing van 15 maart 2007 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere vragen van de rechtbank te beantwoorden. Het beroep is opnieuw behandeld ter zitting van 9 augustus 2007. Eiseres is daar verschenen, vertegenwoordigd door haar directeur [naam], bijgestaan door N.H. van Haaften, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde R. Tjong.

Motivering

1. De rechtbank moet in deze zaak beoordelen of verweerder terecht heeft gehandhaafd het besluit dat eiseres met ingang van 1 juli 2004 de WAO-uitkering van de werknemer moet betalen.

2. Verweerder legt aan het bestreden besluit ten grondslag de stelling dat eiseres per 1 juli 2004 eigen risicodrager is geworden voor de WAO. Op grond van artikel 75a van de WAO moet eiseres volgens verweerder daarom de WAO-uitkering van de werknemer met ingang van 1 juli 2004 betalen.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat er geen wettelijke basis is om haar aansprakelijk te stellen voor betaling van de WAO-uitkering van de werknemer. Daartoe heeft eiseres erop gewezen dat zij in strijd met de wet als eigen risicodrager is aangemerkt, omdat er destijds geen garantieverklaring is verstrekt. Dat geen bezwaar is gemaakt tegen besluitvorming daarover doet er volgens eiseres niet toe, waarbij er overigens op is gewezen dat een besluit over het eigen risicodragerschap ontbreekt. Daaraan heeft eiseres in aanvullende gronden toegevoegd dat ook door het ontbreken van een besluit waarmee aan eiseres toestemming is verleend om eigen risicodrager te worden, een wettelijke grondslag ontbreekt voor het verhalen van de WAO-uitkering. Verder heeft eiseres nog inhoudelijke bezwaren aangevoerd tegen verweerders besluit.

4. De rechtbank stelt voorop dat uit de artikelen 75a en 75b van de WAO, zoals deze bepalingen luidden tot 1 januari 2006, volgt dat er alleen dan een verplichting bestaat voor eiseres om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de werknemer te betalen, als eiseres als eigen risicodrager moet worden aangemerkt. Eigen risicodrager wordt eiseres doordat verweerder op een daartoe strekkende aanvraag van eiseres toestemming daarvoor heeft verleend. Dat is geregeld in artikel 75, eerste lid, van de WAO. Het verlenen van een dergelijke toestemming is een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Eiseres betwist dat een besluit is genomen als bedoeld in artikel 75, eerste lid, van de WAO waarbij aan haar toestemming is verleend om eigen risicodrager te worden. Verweerder heeft in reactie op vragen van de rechtbank aangegeven dat een zogenoemd toestemmingsbesluit niet is te vinden in zijn dossier. Verweerder heeft ook niet kunnen aangeven of er al dan niet een toestemmingsbesluit is genomen en zo ja, van wanneer dit besluit dan dateert en in welke vorm het bekend is gemaakt. De rechtbank moet dan ook tot de conclusie komen dat er geen toestemmingsbesluit is in de zin van artikel 75, eerste lid, van de WAO. Uit de aard van de zaak heeft dan ook geen bekendmaking daarvan plaatsgevonden als bedoeld in artikel 3:40 van de Awb, en kan evenmin sprake zijn van inwerkingtreding van een besluit op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb. Nu een toestemmingsbesluit ontbreekt, moet er vanuit worden gegaan dat eiseres niet als eigen risicodrager kan worden aangemerkt. Er is daarom geen wettelijke grondslag voor verweerder om eiseres de verplichting op te leggen om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de werknemer te betalen.

Verweerder heeft erop gewezen dat eiseres zelf een aanvraag heeft ingediend om eigen risicodrager te worden en zich ook steeds zo heeft gedragen. Ook verwijst verweerder naar correspondentie tussen partijen waaruit blijkt dat eiseres als eigen risicodrager was geregistreerd, zich als zodanig heeft beschouwd en het eigen risicodragerschap nooit heeft betwist. De rechtbank twijfelt er niet aan dat eiseres met verweerder aanvankelijk heeft aangenomen dat eiseres eigen risicodrager was. Dat neemt echter niet weg dat in een zaak als deze, waarin eiseres betwist dat een toestemmingsbesluit is genomen, aannemelijk zal moeten worden dat een dergelijk besluit daadwerkelijk bestaat. Zoals hiervoor al is overwogen, is immers een toestemmingsbesluit vereist om eiseres als eigen riscodrager te kunnen aanmerken. Naar het oordeel van de rechtbank is het daarbij aan verweerder om het bestaan van zo’n besluit aannemelijk te maken. De omstandigheden die verweerder aanvoert zijn daarvoor onvoldoende. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat het voor rekening en risico van verweerder behoort te komen dat zij geen schriftelijke stukken kan overleggen die (een begin van) bewijs opleveren van het feit dat er daadwerkelijk een toestemmingsbesluit is genomen. Aan de opmerking van verweerders gemachtigde ter zitting, dat wellicht nog nadere stukken kunnen worden overgelegd, gaat de rechtbank voorbij. Dit bewijsaanbod is te weinig concreet en komt te laat, zeker nu verweerder al ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om bewijs te leveren.

5. Uit het voorgaande volgt dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat eiseres met ingang van 1 juli 2004 de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de werknemer dient te betalen. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 75a van de WAO. Het beroep is gegrond. De rechtbank komt niet meer toe aan een bespreking van de overige beroepsgronden van eiseres.

Nu er nog maar één beslissing mogelijk is in deze zaak, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Awb zelf in de zaak voorzien. De rechtbank zal daarbij het besluit van 6 april 2006 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Verweerder hoeft dus geen nieuw besluit te nemen.

6. Bij deze uitkomst is er reden verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proces¬kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,00 als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit bedrag is het product van 2,00 (punten voor het indienen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting) en € 322,00 (waarde per punt) en 1 (gewicht van de zaak: gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 6 april 2006;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het griffierecht ten bedrage van € 281,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiseres redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,00;

- wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de betaling van € 644,00 dient te worden gedaan aan de eiseres.

Deze uitspraak is gedaan op 13 september 2007 door mr. P.J. Jansen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. G.M.P.C. Swagemakers , griffier.

griffier rechter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden – in elk geval de eisende partij – en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.