Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BB3373

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
12-09-2007
Zaaknummer
AWB 06/2648
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiser o.g.v. de WIA een loongerelateerde uitkering i.v.m. werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) toegekend gekregen waarbij de verdiencapaciteit is vastgesteld op 46,3%. Eiser meent dat zijn verlies aan verdiencapaciteit 69,2% bedraagt.

De rechtbank acht een procesbelang voor eiser aanwezig omdat de hoogte van de resterende verdiencapaciteit van invloed is op het vaststellen van een eventuele uitkering o.g.v. de WIA die na afloop van de WGA-uitkering kan worden verkregen. Bij vaststellen recht op loonaanvulling- of vervolguitkering wordt gebruik gemaakt van de inkomenseis. Verweerder heeft bij het bestreden besluit geen inkomenseis heeft vastgesteld. Verweerder heeft daarmee gehandeld in strijd met art. 60, 2e lid van de WIA, welke bepaling dwingendrechtelijk van aard is.

Wetsverwijzingen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 1
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 60
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/282
PJ 2007, 128

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

In het geding met reg.nr. 06/2648 WIA

tussen:

[eiser], wonende te Amsterdam,

eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (vestiging Amsterdam),

verweerder, vertegenwoordigd door F.M.J. Eijmael.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 8 september 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 17 augustus 2006 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 16 april 2007.

2. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 15 juni 2006 heeft verweerder op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) aan eiser met ingang van 21 juni 2006 een loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsongeschikten (hierna: WGA-uitkering) toegekend voor de duur van vier jaar. Eisers maandloon ingevolge artikel 13, vierde lid, van de WIA, is daarbij vastgesteld op € 3.651,83.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar van eiser gegrond verklaard en het maatmaninkomen gewijzigd van € 25,44 in € 27,43 per uur. De theoretische verdiencapaciteit is daarbij vastgesteld op 46,3%, waarbij eiser ongewijzigd ingedeeld is gebleven in de klasse 35 tot 80%.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de procentuele uitkomst van de berekening van het theoretische verlies aan verdiencapaciteit niet juist is. Eiser meent dat verweerder zijn verdiencapaciteit te hoog heeft vastgesteld, waardoor zijn kansen op de arbeidsmarkt erg beperkt zijn.

Eiser meent dat de functies die verweerder aan hem heeft voorgehouden, hem in het geheel niet passen. De uurlonen van de geduide functies zijn daarbij uitzonderlijk hoog en niet geloofwaardig. Verder meent eiser dat verweerder ten onrechte een tweetal structurele emolumenten niet heeft meegenomen in de berekening van het maatmaninkomen, te weten de bijdrage van 50% voor de ziektekostenverzekering door de werkgever en de premiebetaling door de werkgever voor de opbouw van zijn pensioen. Eiser meent dat zijn maatmaninkomen daarom € 29,28 bruto per uur dient te bedragen, zodat het verlies aan verdiencapaciteit 69,2% bedraagt.

Verweerder heeft, onder verwijzing naar het Schattingsbesluit, wat betreft de resterende verdiencapaciteit onder meer aangevoerd, dat de gegevens uit het door verweerder gehanteerde zogenaamde CBBS-systeem leidend zijn. Wat betreft het maatloon heeft verweerder naar voren gebracht dat met de per 1 januari 2006 in werking getreden Zorgverzekeringswet (Zvw) het onderscheid tussen particuliere verzekerden en ziekenfondsverzekerden is vervallen. Daarmee is ook de werkgeversbijdrage in de particuliere ziekenfondsverzekering vervallen. De werkgeversbijdrage in het kader van de Zvw bestaat uit een wettelijke vergoeding voor de inkomensafhankelijke premie. Deze werkgeversbijdrage blijft daarom bij de vaststelling van het maatloon buiten beschouwing. Wat betreft de werkgeversbijdragen in de pensioenpremies worden deze bijdragen sinds 1 juli 2002 niet meer gerekend tot de mee te nemen loonemolumenten bij het bepalen van het maatmaninkomen, aldus verweerder.

De rechtbank overweegt als volgt:

Artikel 5 van de WIA luidt:

Gedeeltelijk arbeidsgeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Artikel 6 van de WIA luidt:

1. De beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

2. Bij het vaststellen van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid wordt, zo mogelijk, rekening gehouden met verkregen nieuwe bekwaamheden, maar wordt buiten beschouwing gelaten of de verzekerde de arbeid feitelijk kan verkrijgen.

3. Onder arbeid als bedoeld in artikel 4, eerste lid, en 5 wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

Artikel 60 van de WIA luidt als volgt:

1. Indien de duur van de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering is verstreken of als gevolg van artikel 54, vierde lid, geen aanspraak heeft bestaan op deze uitkering, bestaat de WGA-uitkering uit:

a. een loonaanvullingsuitkering voor de verzekerde die per kalendermaand een inkomen uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven verdient dat ten minste gelijk is aan de inkomenseis, bedoeld in het tweede lid of voor wie op grond van het derde lid geen inkomenseis geldt; of

b. een vervolguitkering.

2. De inkomenseis wordt vastgesteld op de dag dat recht ontstaat op een WGA-uitkering en is voor de verzekerde die in staat is met arbeid meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, gelijk aan 50% van de resterende verdiencapaciteit. De inkomenseis wordt herzien nadat een wijziging in de resterende verdiencapaciteit twee kalendermaanden heeft voortgeduurd. De inkomenseis geldt niet meer nadat de verzekerde ten minste twee kalendermaanden slechts in staat is geweest om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

3. (...)

4. Onder resterende verdiencapaciteit als bedoeld in het tweede en derde lid wordt verstaan: de op maandbasis berekende respectievelijk op uurbasis berekende resterende verdiencapaciteit zoals vastgesteld op grond van artikel 6 en de daarop berustende bepalingen.

De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser bij zijn beroep een procesbelang heeft. Daarvoor is van belang of eiser met zijn beroep kan bereiken wat hij daarmee beoogt en dit feitelijke betekenis kan hebben. De rechtbank overweegt dat het procesbelang van eiser, gelet op hetgeen is aangevoerd in beroep, niet is gelegen in de hoogte van zijn loongerelateerde WGA-uitkering. In dit kader stelt de rechtbank vast dat indien verweerder tegemoet zou komen aan het beroep van eiser en dientengevolge de resterende verdiencapaciteit zou bepalen op 69,2%, eiser voor wat betreft de mate van arbeidsongeschiktheid ingedeeld zou blijven in de klasse 35-80%.

Wel acht de rechtbank een procesbelang voor eiser aanwezig omdat de hoogte van de resterende verdiencapaciteit van invloed is op het vaststellen van een eventuele uitkering die na afloop van de loongerelateerde WGA-uitkering kan worden verkregen (in de vorm van een loonaanvullinguitkering of een vervolguitkering). De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat, gelet op het bepaalde in artikel 60, eerste lid, van de WIA, voor het vaststellen van het recht op een loonaanvullinguitkering dan wel een vervolguitkering gebruik wordt gemaakt van de zogenaamde inkomenseis. Ingevolge artikel 60, tweede lid, van de WIA wordt de inkomenseis vastgesteld op de dag dat recht ontstaat op een WGA-uitkering en is de inkomenseis voor de verzekerde die in staat is met arbeid meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, gelijk aan 50% van de resterende verdiencapaciteit. Ingevolge artikel 60, vierde lid, van de WIA wordt onder resterende verdiencapaciteit als bedoeld in het tweede van dit artikel verstaan: de op maandbasis berekende respectievelijk op uurbasis berekende resterende verdiencapaciteit zoals vastgesteld op grond van artikel 6 en de daarop berustende bepalingen.

De rechtbank overweegt voorts dat de beroepsgronden van eiser zich richten op de arbeidskundige beoordeling van de WGA-uitkering en met name op de berekening van de theoretische resterende verdiencapaciteit. Volgens eiser zou het verlies aan verdiencapaciteit moeten worden bepaald op 69,2%. De medische grondslag van het bestreden besluit is niet in geschil.

Derhalve ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder bij het bestreden besluit geen inkomenseis heeft vastgesteld, zoals artikel 60, tweede lid, van de WIA, voorschrijft.

Nu verweerder heeft nagelaten bij het bestreden besluit de inkomenseis vast te stellen heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 60, tweede lid, van de WIA, welke bepaling dwingendrechtelijk van aard is. In de toelichting op het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder geen afdoende verklaring of rechtvaardiging hiervoor kunnen geven. De gemachtigde van verweerder heeft aangegeven dat er wel een inkomenseis wordt vastgesteld maar dat deze niet in de toekenningbeslissing wordt opgenomen. Gemachtigde van verweerder kon niet aangeven of en zo ja, wanneer de inkomenseis aan eiser kenbaar is gemaakt. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank onder aanvulling van de rechtsgronden dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met artikel 60 van de WIA. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. Verweerder zal een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak wordt overwogen.

Ten aanzien van de beroepsgrond van eiser dat het maatmanloon onjuist is vastgesteld omdat de werkgeversbijdrage voor de particuliere ziektekosten daarin niet is meegenomen overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dient bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van een verzekerde in beginsel als de zogeheten maatman te worden aangemerkt degene die dezelfde arbeid verricht als de verzekerde verrichtte voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Bij de vaststelling van het maatmaninkomen dienen alle voordelen die een verzekerde uit zijn maatmanarbeid verkrijgt, in aanmerking te worden genomen. De werkgeversbijdrage voor de particuliere ziektekostenpremie is een voordeel uit maatmanarbeid en moet derhalve in beginsel bij het maatmaninkomen worden betrokken. Voorts overweegt de rechtbank onder verwijzing naar een uitspraak van de CRvB van 9 november 1994, (RSV 1995, 101) dat er reden is om van dit beginsel af te wijken indien aannemelijk is dat eiser, ware hij gezond gebleven, een dergelijk voordeel niet langer zou hebben genoten.

In het onderhavige geval is door verweerder in onvoldoende mate onderzoek gedaan of een dergelijke uitzonderingssituatie zich voor doet. De rechtbank constateert in dit verband dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 6 februari 2007 opmerkt dat een vergoeding voor de nominale premie wel kan worden meegenomen in het maatmaninkomen maar dat hij nog geen antwoord heeft gekregen van de werkgever op zijn vraag of de werkgever een vergoeding verstrekt voor de nominale premie. Nu uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de reactie van de werkgever is afgewacht kleeft er een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek aan het bestreden besluit.

Ten aanzien van de beroepsgrond dat de pensioenpremie ten onrechte niet in het maatmaninkomen is meegenomen oordeelt de rechtbank dat op grond van vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van beroep (o.a. CRvB 21 november 2003, RSV 2004/209) het werkgeversaandeel in de pensioen en vutpremie alleen dient te worden verdisconteerd in het maatmaninkomen, indien de werkgever een hoger bedrag aan premie voor zijn rekening heeft genomen dan in de bedrijfstak gebruikelijk is. Onder verwijzing naar een uitspraak van de CRvB van 4 mei 2004 (RSV 2004/210) is een premievrij pensioen een uit een dienstverband vloeiend voordeel dat in beginsel thuishoort in het maatmaninkomen. Nu uit de overgelegde stukken blijkt dat er mogelijk sprake is van een premievrij pensioen had het op de weg van verweerder gelegen hierover nader onderzoek te verrichten om zodoende een goed gemotiveerd oordeel te kunnen geven over de vraag of de pensioenpremie in het maatmaninkomen meegenomen had moeten worden.

Nu verweerder dit heeft nagelaten komt het bestreden besluit ook om die reden voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Van dergelijke kosten is echter niet gebleken nu eiser zich in deze procedure niet heeft laten bijstaan door een professionele rechthulpverlener. Tevens ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in het vergoeden van het griffierecht.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het griffierecht ten bedrage van € 38,00 vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan op 13 juli 2007 door mr. M. Vaandrager, P.J. Jansen, voorzitter, mr. J.L. Roubos, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.H. Riemeijer, griffier.

De griffier is buiten staat te tekenen. De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na de datum van toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.