Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BB2738

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
07-06-2007
Datum publicatie
03-09-2007
Zaaknummer
231844 CV EXPL 07-336
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schijn van volmacht tot het geven van een opdracht namens (onderneming van) vriendin. Ktr: "Niet is van belang of degene die de opdracht geeft de schijn van bevoegdheid heeft gewekt, maar of gedaagde (de vriendin), die in deze procedure tot betaling wordt aangesproken, dat heeft gedaan door verklaringen en/ of gedragingen voor of tijdens het aangaan van de overeenkomst, of nadien waaruit eiseres mocht afleiden dat gedaagde alsnog de opdracht bekrachtigde." Het enkele bestaan van een affectieve relatie is in de onderhavige zaak niet relevant. Gedaagde heeft niet geprotesteerd tegen de opdracht, maar dat betekent niet dat eiseres evan uit mocht gaan dat zij daarmee instemde. Uit het niet uitschrijven van haar onderneming bij de Kamer van Koophandel kan evenmin worden afgeleid dat zij instemde met de opdacht. De feitelijke opdrachtgever (hier niet gedagvaard) dient overigens voor toereikendheid van de volmacht in te staan (art. 3:70 BW).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 61
Burgerlijk Wetboek Boek 3 69
Burgerlijk Wetboek Boek 3 70
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2007, 177
JIN 2007/521
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Den Helder

Zaaknr/rolnr.: 231844-07-336 WG

Uitspraakdatum: 7 juni 2007

Vonnis in de zaak van:

[eiser], wonende te Garmerwolde

eisende partij

verder ook te noemen: [eiser]

gemachtigde: J.J. van der Voort, gerechtsdeurwaarder te Alkmaar

tegen

[gedaagde], thans wonende te Den Helder, [adres]

v.h.o.d.n. [Xx]

gedaagde partij

verder ook te noemen: [gedaagde]

in persoon procederende.

Het procesverloop

[eiser] heeft een vordering ingesteld, zoals omschreven in de dagvaarding d.d. 25 januari 2007.

[gedaagde] heeft bij antwoord verweer gevoerd.

Na beraad heeft de kantonrechter een comparitie gelast, die is gehouden op 3 mei 2007, in aanwezigheid van partijen en de gemachtigde.

Van deze comparitie heeft de griffier aantekeningen gehouden.

De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

Ten slotte is heden uitspraak bepaald.

De vaststaande feiten

1. Op of omstreeks 25 november 2004 heeft de heer [de heer M.W.] [eiser] opdracht gegeven voor levering en plaatsing van een rolhek type diamont 550 een en ander voor een prijs van € 6.134,45. Daarbij gaf hij aan te handelen namens de onderneming [Xx], [adres] te Groningen, op naam waarvan de offerte ook is gesteld. Bij die gelegenheid heeft [de heer M.W.] een bedrag van € 1.900,00 aanbetaald. Op of kort daarna is het hek door [eiser] geplaatst in of aan het pand waar de winkel van [Xx] was gevestigd. Tijdens die plaatsing was [de heer M.W.] aanwezig, maar [gedaagde] niet.

2. [eiser] heeft [Xx] een factuur gezonden tot bovengenoemd bedrag, gedateerd 31 januari 2005. [de heer M.W.] heeft daarop op 24 juni 2005 een deelbetaling van € 1.100,00 per kas gedaan. Aldus resteerde nog € 3.134,45.

3. Gedurende de hele bovenbedoelde periode was [gedaagde] de eigenaar van de onderneming en stond als zodanig ook bij de Kamer van Koophandel ingeschreven tot 26 september 2005, op welk moment de onderneming is opgeheven. [de heer M.W.] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie gehad die op enig moment in 2004 is geëindigd, [gedaagde] is daarop naar het buitenland vertrokken en heeft geen bemoeienis meer gehad met de onderneming.

Het geschil

4. [eiser] houdt [gedaagde] aansprakelijk voor de betaling van (het restant van) zijn nota, stellende dat [de heer M.W.] namens de onderneming de betreffende opdracht heeft gegeven en dat hij ervan mocht uitgaan dat hij daartoe bevoegd was. [gedaagde] acht zich niet aansprakelijk; zij stelt dat zij niet wist, laat staan heeft goedgevonden dat [de heer M.W.] de betreffende overeenkomst sloot.

De beoordeling

5. [eiser] heeft op zichzelf niet betwist dat [de heer M.W.] zonder toestemming van [gedaagde] heeft gehandeld, maar stelt, zo begrijpt de kantonrechter, dat hij ervan uit mocht gaan dat [de heer M.W.] wel bevoegd was, zodat [gedaagde] niettemin gebonden is. De kantonrechter stelt voorop dat niet van belang is of [de heer M.W.] zelf de schijn van bevoegdheid heeft opgewekt, maar of [gedaagde] dat heeft gedaan door verklaring(en) of gedraging(en) voor of tijdens het aangaan van de overeenkomst (art 3:61 lid 2 BW) of nadien (waaruit [eiser] mocht afleiden dat [gedaagde] de opdracht alsnog bekrachtigde (art 3:69 lid 1 BW). [eiser] heeft onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld die daarop wijzen.

6. Dat partijen hebben samengewoond is op zichzelf geen omstandigheid waarop dat vertrouwen kan worden gebaseerd; het gaat hier om een zakelijke kwestie en gesteld noch gebleken is dat [de heer M.W.] een functie had of werkzaam was voor [gedaagde] in het kader waarvan hij opdrachten als de onderhavige kon verstrekken of waarbij dat gebruikelijk is. [gedaagde] heeft weliswaar niet geprotesteerd tegen de opdracht of de plaatsing, maar dat betekent nog niet dat [eiser] ervan uit mocht gaan dat zij daarmee instemde. Hij heeft immers in het geheel geen contact met haar gehad en enkel zaken gedaan met [de heer M.W.]. [gedaagde] wist niets van de bestelling of de plaatsing/levering van het hek, zodat zij geen reden had voor protest. [gedaagde] heeft gesteld dat zij niet eens wist dat [de heer M.W.] de zaak buiten haar om voortzette. Het wijst zeker op enige laksheid van haar kant dat zij na haar vertrek en beëindiging van haar bemoeienis bij de onderneming deze niet heeft doen uitschrijven bij de Kamer van Koophandel en kennelijk ook geen maatregelen heeft genomen om te verhinderen dat [de heer M.W.] de exploitatie heeft voortgezet, maar het gaat te ver om daaruit af te leiden dat zij met de bestelling en plaatsing van het rolhek instemde.

7. Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter van oordeel is dat [eiser] ten onrechte [gedaagde] tot betaling heeft aangesproken. Ter vermijding van risico's als de onderhavige had hij - zeker bij een order ter grootte van het hier aan de orde zijnde belang - de beweerde volmacht van [de heer M.W.] om namens [Xx] op te treden, moeten verifiëren. [de heer M.W.] dient zijnerzijds overigens voor de toereikendheid van die volmacht in te staan en kan mogelijk aangesproken worden op grond van het bepaalde in art 3:70 BW.

8. Gelet op het vorenstaande zal de vordering van [eiser] worden afgewezen.

[eiser] dient als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten te worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

Wijst de vordering af.

Verwijst [eiser] in de proceskosten, die tot heden voor [gedaagde] worden vastgesteld op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Schlingemann, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 7 juni 2007 in het openbaar uitgesproken.