Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BB2428

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
11-10-2007
Zaaknummer
211212 CV EXPL 06-2184
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Reisovereenkomst elektronsich gesloten. Artt. 6:233 b BW, 6:234 c BW en 7:502 BW. Kantonrechter: .. 'Dat eiser weliswaar middels de website en de link 'algemene info' kennis heeft kunne nemen van de door gedaagde gehanteerde algemene voorwaarden, doch niet kan worden gezegd dat de aflgemene voorwaarden zijn opgenomen achter een in dat opzicht duidelijk herkenbare link.' Beroep op vernietiging algemene voorwaarden wordt gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 380
Prg. 2008, 1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Alkmaar

Zaaknr/rolnr.: 211212-06-2184 WG

Uitspraakdatum: 2 mei 2007

Vonnis in de zaak van:

[eiser] te Zeist

eiser

gemachtigde: mr. B. Koeten, werkzaam ten kantore van D.A.S. Rechtsbijstand te Amsterdam

tegen

de besloten vennootschap [gedaagde] te Heiloo

gedaagde

gemachtigde: mr. H. van Lingen, advocaat te Alkmaar.

Het tussenvonnis en het verdere procesverloop

1. In deze zaak is op 10 januari 2007 een tussenvonnis gewezen.

2. De kantonrechter blijft bij hetgeen in dit tussenvonnis is gesteld en overwogen.

3. Bij genoemd tussenvonnis is gedaagde in staat gesteld om de juistheid van haar stelling dat de bezoeker van haar website gewezen wordt op de toepasselijkheid van haar algemene voorwaarden nader te adstrueren.

4. Ter uitvoering van deze bewijsopdracht is namens gedaagde een conclusie na tussenvonnis genomen. Daarop heeft eiser gereageerd.

5. De processtukken gelden hier als herhaald en ingelast.

6. Vervolgens is heden opnieuw vonnis gewezen.

De verdere beoordeling van het geschil

7. Gedaagde heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat eiser op grond van de door gedaagde gehanteerde algemene voorwaarden binnen een termijn van een jaar na afloop van de reis zijn vorderingsrecht had moeten instellen bij de rechter. Dit heeft eiser, aldus gedaagde, niet gedaan, reden waarom eiser naar het oordeel van gedaagde niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

8. De kantonrechter dient dan ook in de eerste plaats te beoordelen of de door gedaagde gehanteerde algemene voorwaarden op de reisovereenkomst van toepassing zijn.

9. De kantonrechter overweegt dienaangaande - zo nodig ter aanvulling op genoemd tussenvonnis - het volgende. Artikel 6:233 onder b BW bepaalt dat een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar is indien de gebruiker aan de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen, terwijl artikel 6:234 BW bepaalt dat de gebruiker aan de wederpartij die redelijke mogelijkheid heeft geboden indien hij hetzij (onder a) de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij ter hand heeft gesteld, hetzij (onder b) indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, voor de totstandkoming van de overeenkomst aan de wederpartij bekend heeft gemaakt dat de voorwaarden bij hem ter inzage liggen of bij een door hem opgegeven kamer van Koophandel en Fabrieken of een griffie van een gerecht zijn gedeponeerd, alsmede dat zij op verzoek zullen worden toegezonden. Een redelijke en op de praktijk gerichte uitleg van deze regeling brengt evenwel mee dat aan de strekking hiervan eveneens recht wordt gedaan indien de wederpartij zich tegenover de gebruiker ook niet op de vernietigbaarheid van een beding in algemene voorwaarden kan beroepen wanneer hij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst daarmee bekend was of geacht kon worden daarmee bekend te zijn (HR 19 oktober 1999, JOR 2000,21). Dat zal in beginsel ook het geval zijn indien - gelijk in het onderhavige geval - vast staat dat de wederpartij kennis heeft genomen van de website van de gebruiker van de algemene voorwaarden en middels die website via een duidelijk herkenbare link op eenvoudige wijze kennis kan worden genomen van de algemene voorwaarden. Daarop ziet de regeling van artikel 6:234 onder c BW.

10. Gelet op de bij conclusie na tussenvonnis namens gedaagde gegeven toelichting moet worden geoordeeld dat eiser weliswaar middels de website en de link "algemene info" kennis heeft kunnen nemen van de door gedaagde gehanteerde algemene voorwaarden, doch niet kan worden gezegd dat de algemene voorwaarden zijn opgenomen achter een in dat opzicht duidelijk herkenbare link. In zoverre is de kantonrechter dan ook van oordeel dat gedaagde niet in haar bewijslevering is geslaagd.

11. Naast de in 6:233 BW e.v. vervatte regeling is hier van toepassing het bepaalde in artikel 7:502 eerste lid BW. Dit artikel bepaalt dat de reisorganisator de wederpartij na het sluiten van de overeenkomst onverwijld een afschrift van de voorwaarden verschaft voor zover deze niet reeds in de overgelegde bescheiden besloten liggen. Blijkens de wetgeschiedenis laat dit artikel onverlet dat de algemene voorwaarden in beginsel vooraf moeten worden overhandigd. Uitzonderingen zijn mogelijk, met name bij een telefonische boeking in welk geval achteraf een afschrift moet worden verstrekt (MvT, kamerstukken II 1991/92, 22 506, nr. 3, p.9). Gesteld noch gebleken is dat gedaagde hieraan in het onderhavige geval heeft voldaan. Dat op de opdrachtbevestiging wordt verwezen naar de door gedaagde gehanteerde algemene voorwaarden acht de kantonrechter niet voldoende.

12. Het beroep op de vernietigbaarheid dient daarom te worden gehonoreerd.

13. Verder is de kantonrechter van oordeel dat - ook indien anders geoordeeld zou moeten worden - een beroep van gedaagde op de in geding zijnde vervaltermijn van één jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar geacht moet worden nu gesteld noch gebleken is dat gedaagde eiser op ondubbelzinnige wijze op dit beding heeft geattendeerd. Dat eiser werd bijgestaan door een rechtsbijstandsverzekeraar maakt dit niet anders. De kantonrechter vindt steun voor zijn oordeel in de overwegingen van de Hoge Raad in haar arrest van 14 mei 2005, gepubliceerd in RvdW 2004,74 (in het bijzonder onder rechtsoverweging 3.5).

14. Het vorenstaande betekent dat thans moet worden beoordeeld of eiser, die geacht kan worden de overeengekomen reis op de voet van artikel 7:503 eerste lid BW te hebben opgezegd, recht heeft op terugave van (een evenredig deel van) de door hem vooraf betaalde reissom omdat hij heeft opgezegd wegens een niet aan hem toe te rekenen omstandigheid.

15. Met eiser moet worden geoordeeld dat dit het geval is geweest. De reden van zijn opzegging was immers gelegen in de omstandigheid dat aan hem niet - gelijk was overeengekomen - verblijf werd gegund in het hotel "Soleil Pierre Blanche", maar in een andere accomodatie, te weten "Cret Voland". Vast staat dat deze accommodatie als zodanig wordt aangeduid. De kantonrechter verwijst naar de conclusie van antwoord onder punt 16. Gedaagde heeft gesteld dat "Cret Voland" onderdeel uitmaakt van "Soleil Pierre Blanche" zodat het om één en hetzelfde complex gaat, en dat het bij "Cret Voland" gaat om een oude naam op de gevel welke verband houdt met de vorige eigenaar, maar de juistheid van dit betoog kan niet worden afgeleid uit de door gedaagde overgelegde produkties en zonder een toereikende nadere onderbouwing - welke in het onderhavige geval ontbreekt - kan dit betoog niet worden gevolgd.

16. De kantonrechter zal het er dan ook voor houden dat eiser gelijk heeft daar waar hij heeft aangevoerd dat het hier om twee verschillende accommodaties gaat en dat eiser - anders dan hem was toegezegd - verblijf werd aangeboden in "Cret Voland". Dit valt naar het oordeel van de kantonrechter binnen de risicosfeer van gedaagde.

17. Uitgaande van het vorenstaande is het aan gedaagde om te stellen en zo nodig te bewijzen dat het hier om twee kwalitatief gelijkwaardige accomodaties gaat. De kantonrechter houdt het ervoor dat daarvan geen sprake is geweest althans een en ander is door of namens gedaagde niet althans onvoldoende gemotiveerd gesteld en door of namens gedaagde is geen aanbod tot nadere bewijslevering gedaan zodat ook op dit punt het betoog van gedaagde een voldoende feitelijke grondslag ontbeert.

18. Gedaagde kan eiser voorts bezwaarlijk het verwijt maken dat hij zich niet zorgvuldig heeft laten informeren. Het is nu juist gedaagde zelf op wie de verplichting rust om een en ander zorgvuldig met eiser te bespreken.

19. Anders dan gedaagde is de kantonrechter tenslotte van oordeel dat niet kan worden gezegd dat van eiser in redelijkheid verwacht had kunnen en moeten worden genoegen te nemen met de hem door gedaagde aangeboden alternatieve verblijfsoplossing. Het is - gelijk hiervoor reeds is overwogen - aan gedaagde als professionele reisorganisatie om eiser voorafgaande aan zijn reis op zorgvuldige wijze te informeren over wat hij kan verwachten op de vakantiebestemming. Als gedaagde dit nalaat en eiser krijgt niet wat hij dacht dat hij zou krijgen moet gedaagde niet vreemd opkijken als eiser hierdoor teleurgesteld is. Het gaat onder die omstandigheden te ver om van eiser te verlangen dat hij alsdan een niet gelijkwaardig alternatief (zonder bijvoorbeeld ook een evenredige prijsvermindering) accepteert.

20. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat aangezien eiser geacht moet worden te hebben opgezegd wegens een niet aan hem toe te rekenen omstandigheid, hij recht heeft op teruggave van de reissom (artikel 7:503 lid 3 BW) welke in deze procedure met het oog op de bevoegdheid van de kantonrechter is beperkt tot een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de rente vanaf de dagvaarding.

21. De kantonrechter ziet geen aanleiding om dit bedrag te verminderen met een evenredig deel van de reissom omdat de twee nachten welke eiser in "Cret Voland" heeft verbleven - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - niet geacht kunnen worden te zijn overeengekomen en deswege voor rekening van gedaagde dienen te blijven. Dat eiser wellicht nog twee dagen gebruik heeft kunnen maken van de skipassen leidt de kantonrechter - het geheel overziend - niet tot een ander oordeel.

22. Gedaagde wordt in het ongelijk gesteld en zal mitsdien met de proceskosten worden belast.

De beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt gedaagde om aan eiser tegen kwijting te betalen een bedrag van €5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 19 april 2007 tot de dag van betaling.

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten, die tot heden voor eiser worden vastgesteld op een bedrag van €967,32, waaronder begrepen een bedrag van €700,00 voor salaris van de gemachtigde van eiser [waarover gedaagde geen BTW verschuldigd is].

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr.drs. J.H.A.C. Everaerts, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 2 mei 2007 in het openbaar uitgesproken.