Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BB0448

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
25-07-2007
Zaaknummer
14.560010-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

Opzettelijk het feit begaan omschreven in artikel 68, tweede lid, onderdeel c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Opzettelijk een der in artikel 10 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering bedoelde verplichtingen niet, niet juist of niet volledig nakomen, meermalen gepleegd

Opzettelijke overtreding van artikel 91 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Locatie Alkmaar

Parketnummer : 14/560010-05

Datum uitspraak : 18 juli 2007

TEGENSPRAAK, NA AANHOUDING NIET VERSCHENEN

VERKORT VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 juli 2007.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 januari 2002 te Alkmaar en/of te Heerhugowaard, althans in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) een (zogenoemde) vierwekenstaat (urenstaat), - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

hebbende verdachte (telkens) valselijk in na te noemen vierwekensta(a)t(en) na te noemen totaal aantal gewerkte uren (in die periode) vermeld, te weten in:

periode 1 (week 1 tot en met 4): 5.848,50 uren en/of

periode 2 (week 5 tot en met 8): 8.112,25 uren en/of

periode 3 (week 9 tot en met 12): 5.885,00 uren en/of

periode 4 (week 13 tot en met 16): 6.281,75 uren en/of

periode 5 (week 17 tot en met 20): 6.528,00 uren en/of

periode 6 (week 21 tot en met 24): 6.519,50 uren en/of

periode 7 (week 25 tot en met 28): 1.230,25 uren en/of

periode 8 (week 29 tot en met 32): 3.628,50 uren en/of

periode 9 (week 33 tot en met 36): 4.221,00 uren en/of

periode 10 (week 37 tot en met 40): 3.402,00 uren en/of

periode 11 (week 41 tot en met 44): 2.955,00 uren en/of

periode 12 (week 45 tot en met 48): 3.579,75 uren en/of

periode 13 (week 49 tot en met 52): 2.614,94 uren,

althans (telkens) minder uren dan in werkelijkheid het geval was, en/of in voornoemde vierwekensta(a)t(en) (telkens) niet alle werknemers vermeld die bij verdachte in loondienst werkzaam waren,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

hij op of omstreeks 17 april 2002, althans in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 juni 2002 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, (telkens) als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel ter beschikking heeft gesteld, terwijl dat feit

ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,

hebbende verdachte zogenoemde vierwekenstaten (urenstaten) [document D/38-1 en D/38-2], waarin (onder meer) de namen van werknemers van verdachtes bedrijf ([bedrijf 1]) en het aantal gewerkte uren zijn opgenomen, aan de inspecteur van de belastingen, althans aan de belastingdienst, voor raadpleging beschikbaar gesteld of doen stellen terwijl in die vierwekenstaten niet alle werknemers waren vermeld die werk hadden verricht en/of het aantal in die vierwekenstaten vermelde gewerkte uren van een of meer werknemers meer bedroeg dan in die staten was aangegeven;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 28 februari 2001, althans 25 juni 2003, in de gemeente Alkmaar, in ieder geval in Nederland, opzettelijk een in artikel 10 van de "Coördinatiewet Sociale Verzekering" bedoelde verplichting niet juist en/of niet volledig heeft nagekomen of heeft doen nakomen,

immers is - terwijl verdachte werkgever was - met inachtneming van door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gestelde regels, over het jaar 2000 geen juiste en/of geen volledige opgave gedaan van het totaal aan loon van de bij verdachte in dienst zijnde werknemers aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen en/of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

aangezien bij genoemd landelijk instituut (dan wel het voor deze handelende UWV/GAK) en/of genoemd uitvoeringsinstituut met betrekking tot dat jaar 2000 een opgave is gedaan van (de totale bruto loonsom van) f 363.595,-, althans (aanmerkelijk) minder dan in werkelijkheid het geval was of had moeten zijn;

de in deze telastelegging gebruikte termen zijn gebruikt in de zin van de "Coördinatiewet Sociale Verzekering";

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 augustus 2002, althans 25 juni 2003, in de gemeente Alkmaar, in ieder geval in Nederland, opzettelijk een in artikel 10 van de "Coördinatiewet Sociale Verzekering" bedoelde verplichting niet en/of niet juist en/of niet volledig heeft nagekomen of heeft doen nakomen,

immers is - terwijl verdachte werkgever was - met inachtneming van door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gestelde regels, over de de/het ja(a)r(en) 2001 en/of 2002 geen en/of geen juiste en/of geen volledige opgave gedaan van het totaal aan loon van de bij verdachte in dienst zijnde werknemers aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen en/of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

aangezien bij genoemd Landelijk instituut en/of genoemd uitvoeringsinstituut met betrekking tot het jaar

1) 2001 een opgave is gedaan van (de totale bruto loonsom van) f 859.558,-,

althans (aanmerkelijk) minder dan in werkelijkheid het geval was of had

moeten zijn en/of

2) 2002 geen opgave is gedaan;

de in deze telastelegging gebruikte termen zijn gebruikt in de zin van de "Coördinatiewet Sociale Verzekering";

5.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 in de gemeente Alkmaar en/of elders in Nederland, als werkgever opzettelijk de aanvang van werkzaamheden door 79, althans een aantal, verzekerden niet heeft medegedeeld aan de uitvoeringsinstelling die ten aanzien van hem de in artikel 41 van de Organisatiewet sociale

verzekeringen 1997 bedoelde werkzaamheden hebben verricht, met name (onder meer) de verzekerde(n):

naam geboortedatum

1 [I]. [geboortedatum 1] 1984 en/of

2 [A] [geboortedatm 2] 1973 en/of

3 [Y] [geboortedatum 3]1965 en/of

4 [M] [geboortedatum 4] 1964 en/of

5 [M] [geboortedatum 5] 1979 en/of

6 [S] [geboortedatum 6] 1969 en/of

7 [M] [geboortedatum 7] 1971 en/of

8 [C] [geboortedatum 8] 1961 en/of

9 [G] [geboortedatum 9]1983 en/of

10 [M] [geboortedatum 10]1978 en/of

11 [R] [geboortedatum 11] 1979 en/of

12 [A] [geboortedatum 12] 1970 en/of

13 [W] [geboortedatum 13] 1971 en/of

14 [K] [geboortedatum 14] 1975 en/of

15 [I] [geboortedatum 15] 1963 en/of

16 [H] [geboortedatum 16] 1968 en/of

17 [B] [geboortedatum 17] 1968 en/of

18 [K] [geboortedatum 18] 1969 en/of

19 [A] [geboortedatum 19] 1971 en/of

20 [D] [geboortedatum 20] 1967;

de in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

1.

hij in de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 januari 2002 te Alkmaar en/of te Heerhugowaard,

meermalen een zogenoemde vierwekenstaat (urenstaat), - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt,

hebbende verdachte valselijk in na te noemen vierwekenstaten na te noemen totaal aantal gewerkte uren in die periode vermeld, te weten in:

periode 1 (week 1 tot en met 4): 5.848,50 uren en

periode 2 (week 5 tot en met 8): 8.112,25 uren en

periode 3 (week 9 tot en met 12): 5.885,00 uren en

periode 4 (week 13 tot en met 16): 6.281,75 uren en

periode 5 (week 17 tot en met 20): 6.528,00 uren en

periode 6 (week 21 tot en met 24): 6.519,50 uren en

periode 7 (week 25 tot en met 28): 1.230,25 uren en

periode 8 (week 29 tot en met 32): 3.628,50 uren en

periode 9 (week 33 tot en met 36): 4.221,00 uren en

periode 10 (week 37 tot en met 40): 3.402,00 uren en

periode 11 (week 41 tot en met 44): 2.955,00 uren en

periode 12 (week 45 tot en met 48): 3.579,75 uren en

periode 13 (week 49 tot en met 52): 2.614,94 uren,

zijnde telkens minder uren dan in werkelijkheid het geval was, en in voornoemde vierwekenstaten (telkens) niet alle werknemers vermeld die bij verdachte in loondienst werkzaam waren,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

2.

hij op 17 april 2002 te Alkmaar, als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse vorm voor dit doel ter beschikking heeft gesteld, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,

hebbende verdachte zogenoemde vierwekenstaten (urenstaten), waarin onder meer de namen van werknemers van verdachtes bedrijf ([bedrijf 1]) en het aantal gewerkte uren zijn opgenomen, aan de belastingdienst voor raadpleging beschikbaar gesteld of doen stellen terwijl in die vierwekenstaten niet alle werknemers waren vermeld die werk hadden verricht en het aantal gewerkte uren van een of meer werknemers meer bedroeg dan in die vierwekenstaten was aangegeven.

3.

hij in de periode van 1 januari 2001 tot en met 28 februari 2001, in de gemeente Alkmaar, opzettelijk een in artikel 10 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering bedoelde verplichting niet juist en niet volledig heeft nagekomen of heeft doen nakomen,

immers is - terwijl verdachte werkgever was - met inachtneming van door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gestelde regels, over het jaar 2000 geen juiste en/of geen volledige opgave gedaan van het totaal aan loon van de bij verdachte in dienst zijnde werknemers aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen,

aangezien bij genoemd landelijk instituut met betrekking tot dat jaar 2000 een opgave is gedaan van de totale bruto loonsom van f 363.595,-, zijnde minder dan in werkelijkheid het geval was of had moeten zijn.

4.

hij in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 augustus 2002, in de gemeente Alkmaar, opzettelijk een in artikel 10 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering bedoelde verplichting niet en/of niet juist en/of niet volledig heeft nagekomen of heeft doen nakomen,

immers is - terwijl verdachte werkgever was - met inachtneming van door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gestelde regels, over de jaren 2001 en 2002 geen en/of geen juiste en/of geen volledige opgave gedaan van het totaal aan loon van de bij verdachte in dienst zijnde werknemers aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

aangezien bij genoemd uitvoeringsinstituut met betrekking tot het jaar

1) 2001 een opgave is gedaan van de totale bruto loonsom van f 859.558,-,

zijnde minder dan in werkelijkheid het geval was of had moeten zijn en

2) 2002 geen opgave is gedaan;

5.

hij in de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 in de gemeente Alkmaar, als werkgever opzettelijk de aanvang van werkzaamheden door een aantal verzekerden niet heeft medegedeeld aan de uitvoeringsinstelling die ten aanzien van hem de in artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 bedoelde werkzaamheden hebben verricht, met name onder meer de verzekerden:

naam geboortedatum

1 [I]. [geboortedatum 1] 1984 en/of

2 [A] [geboortedatm 2] 1973 en/of

3 [Y] [geboortedatum 3]1965 en/of

4 [M] [geboortedatum 4] 1964 en/of

5 [M] [geboortedatum 5] 1979 en/of

6 [S] [geboortedatum 6] 1969 en/of

7 [M] [geboortedatum 7] 1971 en/of

8 [C] [geboortedatum 8] 1961 en/of

9 [G] [geboortedatum 9]1983 en/of

10 [M] [geboortedatum 10]1978 en/of

11 [R] [geboortedatum 11] 1979 en/of

12 [A] [geboortedatum 12] 1970 en/of

13 [W] [geboortedatum 13] 1971 en/of

14 [K] [geboortedatum 14] 1975 en/of

15 [I] [geboortedatum 15] 1963 en/of

16 [H] [geboortedatum 16] 1968 en/of

17 [B] [geboortedatum 17] 1968 en/of

18 [K] [geboortedatum 18] 1969 en/of

19 [A] [geboortedatum 19] 1971 en/of

20 [D] [geboortedatum 20] 1967;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

4. NADERE MOTIVERING

De rechtbank heeft met betrekking tot het bewijs van de tenlastegelegde feiten, en met name ten aanzien van de “opzet” onder meer het volgende overwogen.

Verdachte is op 25 juni 2003 gehoord door ambtenaren van het UWV en de Belastingdienst FIOD-ECD. Bij die gelegenheid heeft verdachte onder meer het volgende verklaard:

U vraagt mij of de aangiften bij de belastingdienst juist zijn, als we zojuist hebben vastgesteld dat er meer dan één miljoen gulden aan netto loon is uitbetaald. Ik kan nu vaststellen dat de aangiften bij de belastingdienst niet juist zijn en ik leg de verantwoordelijkheid hiervoor bij de boekhouder.

De heer [getuige] heeft op 19 september 2006 tegenover de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij deze rechtbank onder meer het volgende verklaard:

Voor zover ik mij herinner hebben wij (administratiekantoor [K]) de administratie verzorgd over de tweede helft van 2000. In september ben ik echt voor [verdachte] aan het werk gegaan en ik heb tot in januari of februari 2001 nog werkzaamheden voor hem verricht die betrekking hadden op het jaar 2000.

De raadsman houdt mij voor dat zijn cliënt het volgende standpunt inneemt: Ik ben startende ondernemer, ik ben de commerciële man en heb geen verstand van boekhouding. Om die reden zoek ik een administratiekantoor dat die last van mij afneemt. Dat had ik dus ook van [K] verwacht. Ik antwoord hierop dat dat een volstrekt verkeerde veronderstelling is. De primaire vastlegging van de gegevens is de verantwoordelijkheid van de ondernemer. Ik had van het bedrijf steeds kwitanties gekregen op basis waarvan ik de loonadministratie had opgesteld. U houdt mij voor dat ik bij het UWV heb verklaard dat op de oorspronkelijke kwitanties werd uitgegaan van een netto uurloon van ƒ 14,--. Als ik dat destijds heb verklaard dan zal dat wel kloppen. Op enig moment kreeg ik een stapel kwitanties op mijn bureau met totaal andere bedragen. Ik weet nu nog wel dat het kennelijk de bedoeling van de klant was dat ik op basis van deze nieuwe kwitanties de loonadministratie opnieuw zou opmaken. U houdt mij voor dat ik bij het UWV heb verklaard “ [verdachte] deelde mede dat de afdracht aan premie sociale verzekeringen en belastingen naar zijn mening veel te hoog was uitgevallen en vervolgens kwam hij bij ons op kantoor met aangepaste kwitanties. Op deze aangepaste kwitanties stonden minder uren en het uitbetaalde loon van oorspronkelijk ƒ 14,-- per uur netto was verlaagd. Er werd door [verdachte] aan mij opdracht gegeven om de loonadministratie van [bedrijf 1] aan te passen”. U houdt mij voor dat ik bij het UWV heb verklaard dat op de nieuwe kwitanties minder uren en een lager netto uurloon werden vermeld. Als ik dat daar verklaard heb, dan zal dat wel kloppen.

De heer [getuige 2] heeft op 19 september 2006 tegenover de Rechter-Commissaris voornoemd onder meer het volgende verklaard:

Voor zover ik me herinner heb ik voor [verdachte] gewerkt van eind 2000 tot ca april 2002. [Verdachte] had een uitzendbureau onder de naam [bedrijf 1]. De loonadministratie is opgemaakt op basis van stukken die mij door [verdachte] zijn geleverd. Over het jaar 2001 leverde [verdachte] mij de zogenaamde vierwekenstaten.

Op enig moment is mij gebleken dat [verdachte] van het vele geld dat hij contant opnam van de bankrekening maar een klein gedeelte kon verantwoorden. Er bleven vele onbenoemde kasuitgaven over. In totaal ongeveer ƒ 1.000.000,--. Hij heeft mij daar nooit duidelijkheid over verschaft. Bij de boekencontrole in januari 2002 hoorde ik dat boekhouder [getuige 1] wel degelijk een loonadministratie had opgezet over het jaar 2000 en ook verzamelloonstaten naar de fiscus had gestuurd. Dit heeft er toe geleid dat ik niet meer met hem verder wilde.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de hiervoor aangehaalde verklaringen worden opgemaakt dat verdachte geheel ten onrechte de verantwoordelijkheid bij de door hem aangetrokken administrateurs/boekhouders heeft gelegd, daar hij kennelijk aan geen van genoemde personen inzage in zijn financiële handelingen heeft willen verstrekken en hen bovendien heeft voorzien van onjuiste en onvolledige gegevens betreffende het bij hem in dienst zijnde personeel. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat genoemde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en wel in de “opzettelijke vorm”.

5. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1.

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2.

Opzettelijk het feit begaan omschreven in artikel 68, tweede lid, onderdeel c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Ten aanzien van de feiten 3. en 4

Opzettelijk een der in artikel 10 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering bedoelde verplichtingen niet, niet juist of niet volledig nakomen, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 5.

Opzettelijke overtreding van artikel 91 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997.

6. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. MOTIVERING VAN DE STRAF.

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft in de jaren 2001 en 2002 een uitzendbureau geëxploiteerd onder de naam “[bedrijf1]” en personeel in loondienst gehad. Verdachte heeft toen niet een zodanige administratie gevoerd dat uit die administratie met betrekking tot dat personeel de voor de heffing van loonbelasting vereiste gegevens konden worden verkregen.

Verdachte heeft bovendien “vierwekenstaten” waarop de namen van het personeel en het aantal door genoemde personen gewerkte uren stonden vermeld in die administratie opgenomen terwijl verdachte wist dat op die staten niet alle gewerkte uren en evenmin de namen van alle personeelsleden die voor verdachtes onderneming hadden gewerkt daarop stonden vermeld. Verdachte heeft in de genoemde jaren opzettelijk aangiften loonbelasting gedaan gebaseerd op die onvolledige en/of onjuiste administratie. Daardoor is bij de aangiften loonbelasting onder andere in te weinig gevallen het anoniementarief toegepast en is bij de berekening van de verschuldigde loonbelasting de Belastingdienst uitgegaan van een – veel – te lage loonsom. Deze opzettelijk onjuist c.q. onvolledig gedane aangiften strekten ertoe dat te weinig belasting werd geheven.

Door het hier¬voor omschreven handelen heeft verdachte de betrouwbaarheid, die aan de inhoud van belastingaangiftes moet worden toegekend, geschaad en bijgedragen aan het onder¬mijnen van de belastingmo¬raal. Bovendien is als gevolg van dit handelen de Staat financieel bena¬deeld.

Verdachte was als werkgever verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemers- verzekeringen(UWV) opgave te doen van het loon dat door de bij hem in dienst zijnde werknemers was genoten. Verdachte diende na het einde van het kalenderjaar voor iedere werknemer een jaaropgavekaart in te vullen. Daarnaast is verdachte als werkgever verplicht het totaal aan loon van de bij hem in dienst zijnde werknemers op te geven. Op grond van deze opgaven wordt het totaal van het door de werkgever verloonde brutoloon sociale verzekering berekend en het totaal aantal dagen waarover loon is genoten. Vervolgens wordt op basis van deze gegevens berekend hoe groot de afdracht premie, WAO, WW en Ziekenfondswet over dat jaar moet zijn.

Verdachte heeft opzettelijk deze voorschriften niet nageleefd. Verdachte heeft opzettelijk niet de volledige gegevens met betrekking tot het totaal aan loon en niet de volledige gegevens van de bij hem in dienst zijnde personen aan het UWV doorgegeven en heeft daardoor enerzijds het draagvlak voor het stelsel van sociale voorzieningen in ons land ondermijnd en voorts genoemd instituut financieel benadeeld en daarmee ook de aanspraak van genoemde werknemers op sociale uitkeringen in gevaar gebracht.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 29 maart 2006, waaruit blijkt dat de verdachte eerder terzake van een vermogensdelict (steunfraude) tot een voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf is veroordeeld.

Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte terzake van de ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

De rechtbank heeft met betrekking tot de keuze van de strafmodaliteit het volgende overwogen.

Verdachte is niet ter terechtzitting verschenen. Uit de stukken blijkt dat de onderneming van verdachte (althans haar rechtsopvolger als besloten vennootschap) in staat van faillissement verkeert. Voorts is niets bekend ten aanzien van de financiële positie van verdachte. Om die reden ziet de rechtbank af van het opleggen van een geldboete.

Mede gelet op de eerdere – voorwaardelijke – veroordeling tot gevangenisstraf en de ernst van de bewezenverklaarde feiten is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een taakstraf evenmin in aanmerking komt als afdoeningsmodaliteit.

De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten.

Voor de bepaling van de duur van de op te leggen vrijheidsstraf heeft de rechtbank mede gelet op de hoogte van het door de bewezen feiten aan de Nederlandse Staat en de Uitvoeringsinstanties Sociale Verzekeringen toegebrachte nadeel. In verband hiermee overweegt de rechtbank het navolgende.

Het nadeel als gevolg van de fiscale fraude is door de Belastingdienst becijferd op € 524.149,27.

Het nadeel als gevolg van de fraude met de Sociale Verzekeringen wordt door het UWV/GAK becijferd op € 106.588,--.

In totaal zijn beide instellingen tezamen benadeeld voor € 630.737,--.

De rechtbank hanteert als uitgangspunt bij soortgelijke bewezenverklaarde feiten dat bij een benadelingsbedrag van ca € 450.000,-- een gevangenisstraf van 12 maanden wordt opgelegd.

Op grond hiervan zou de duur van de op te leggen gevangenisstraf bepaald moeten worden op 16 maanden.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het tijdsverloop gelegen tussen het laatste verhoor van verdachte (10 december 2004) en de terechtzitting van heden weliswaar niet onredelijk maar wel onwenselijk lang is. De rechtbank zal daarom de duur van de gevangenisstraf matigen op de wijze als hierna is weergegeven.

8. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63, 225 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68(oud) en 69(oud) van de Algemene wet inzake de rijkbelastingen en de artikelen 10(oud) en 17a(oud) en 18(oud) van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en de artikelen 91(oud) en 108(oud) van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997.

9. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart bewezen, dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van veertien (14) maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H. de Klerk, voorzitter,

mr. E. de Greeve en mr. Y.M.I. Greuter-Vreeburg, rechters,

in tegenwoordigheid van W. Veenstra, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juli 2007.