Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BA7161

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
04-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
AWB 07/365 en AWB 07/914
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Beroep en verzoek om voorlopige voorziening gericht tegen vrijstelling voor vestiging bruin-/witgoed- en elektrowinkel in Den Helder. Beroep ongegrond. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummers: 07/914 WRO

07/365 WRO

Uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaken van:

1. de vereniging ‘Helderse Ondernemingsvereniging Binnenstad’,

2. de vereniging ‘Vereniging van Eigenaren Commercieel Onroerend Goed Binnenstad [vestigingsplaats]’,

3. de vennootschap onder firma ‘[naam firma]’,

4. [verzoeker 4],

alle gevestigd te [vestigingsplaats],

5. de besloten vennootschap ‘Vroom en Dreesmann B.V.’,

gevestigd te [vestigingsplaats],

6. de besloten vennootschap ‘De Block’s Technisch Handelsbedrijf B.V.’,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verzoekers,

gemachtigde mr.drs. A.R. Noorman,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder,

verweerder.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen de besloten vennootschap ‘[belanghebbende]’, gemachtigde mr. A.R. Klijn, advocaat te Amsterdam.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 26 september 2006 heeft verweerder aan de besloten vennootschap ‘[belanghebbende]’ (hierna: [Belanghebbende]) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend voor het vestigen van een bruin-/witgoed- en elektrowinkel op het perceel kadastraal bekend gemeente Den Helder, sectie K, nr. 2016, plaatselijk bekend [adres].

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 10 november 2007, door verweerder ontvangen op 13 november 2007, bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaarschrift ter behandeling als beroepschrift doorgezonden naar deze rechtbank.

Bij brief van 18 april 2007 hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht om toepassing te geven aan artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij brief van 20 april 2007 heeft [Belanghebbende] meegedeeld bereid te zijn te wachten met de inrichtingswerkzaamheden aan het pand [adres] totdat het verzoek ter zitting is behandeld, uitgaande van de mondelinge behandeling van het verzoek binnen vier à vijf weken.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld ter zitting van 23 mei 2007. Namens verzoekers sub 1 en 2 zijn respectievelijk verschenen [voorzitter verzoeker 1], en [voorzitter verzoeker 2], beiden voorzitter, bijgestaan door hun gemachtigde. Verzoekers sub 3, 4, 5 en 6 zijn verschenen bij gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen drs. I.A. Zwollo- de Wilt en ing. H.J. Winter. [Belanghebbende] is verschenen bij haar gemachtigde.

Motivering

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek een voorlopige voorziening te treffen de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Aangezien alle voor een beslissing relevante feiten en omstandigheden naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geding aan de orde zijn geweest meent de voorzieningenrechter dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter zal dan ook gebruik maken van de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.1 Ingevolge artikel 6:13 van de Awb, voor zover hier van belang, kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

Ingevolge artikel 19a, vierde lid, van de WRO, voor zover hier van belang, is op de voorbereiding van een besluit omtrent vrijstelling afdeling 3.4 van de Awb van toepassing.

Ingevolge artikel 3:16, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, bedraagt de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen zes weken.

Ingevolge artikel 3:16, tweede lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd.

Ingevolge artikel 1 van de Algemene termijnenwet wordt een in een wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.

2.2 De voorzieningenrechter overweegt dat onder het niet naar voren brengen van zienswijzen als bedoeld in artikel 6:13 van de Awb mede moet worden verstaan: het buiten de in artikel 3:16, eerste lid, van de Awb bedoelde termijn naar voren brengen van zienswijzen (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 18 oktober 2006, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer AZ0338).

Vast staat dat het ontwerp-besluit met ingang van 27 maart 2006 ter inzage is gelegd. Derhalve is de termijn voor het indienen van zienswijzen op die dag aangevangen en geëindigd op 8 mei 2006. Blijkens de stukken hebben verzoekers sub 1, 2 en 3 op 8 mei 2007 een zienswijze ingediend. Verzoekers sub 4, 5 en 6 hebben bij brieven van respectievelijk 11, 12 en 26 mei 2006 meegedeeld dat zij wensen te worden opgenomen bij de belanghebbenden namens wie op 8 mei 2006 een zienswijze is ingediend.

Nu uit de zienswijze van 8 mei 2006 niet blijkt dat deze zienswijze mede namens verzoekers sub 4, 5 en 6 werd ingediend, moeten de brieven van 11, 12 en 26 mei naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden beschouwd als buiten de termijn ingediende zienswijzen. Niet gebleken is dat dit verzoekers redelijkerwijs niet kan worden verweten.

Het beroep van verzoekers sub 4, 5 en 6 dient dan ook ingevolge artikel 6:13 van de Awb niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3. Het onderhavige project ziet op de vestiging van een BCC bruin-/witgoed- en elektrowinkel (hierna: BCC) met een brutovloeroppervlak van 1.500 m² op het perceel [adres]. Het [straatnaam] is een bestaand winkelcentrum met winkels voor woninginrichting, beddenspeciaalzaken, keukenspecialisten en doe-het-zelf-zaken.

4. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Westoever 1993” rust op het betreffende perceel de bestemming “Bedrijven”.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de planvoorschriften zijn onder bedrijven als bedoeld in het eerste lid niet begrepen detailhandelsbedrijven of grootschalige detailhandelsbedrijven.

Ingevolge artikel 43 van de planvoorschriften is het verboden de in het plan begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan deze gronden gegeven bestemming en met het in of krachtens het plan ten aanzien van het gebruik van deze gronden en bouwwerken bepaalde.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder o, van de planvoorschriften wordt in dit plan verstaan onder detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, verkopen en/of leveren van goederen aan personen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder p, van de planvoorschriften wordt in dit plan verstaan onder grootschalige detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden van goederen waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze gezien de aard en omvang niet passen in een winkelcentrum of woongebied.

5. Niet in geschil is dat BCC een detailhandelsbedrijf is en dat de vestiging ter plaatse in strijd is met het bestemmingsplan.

6. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten (hierna: GS), in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. GS kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van GS dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. De vrijstellingsverlening moet zijn voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders eveneens vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen. Het derde lid van artikel 15 is van overeenkomstige toepassing.

Die algemene maatregel van bestuur is het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro 1985).

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Bro 1985 komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de wet onder meer in aanmerking: een wijziging in het gebruik van opstallen in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en het gebruik niet meer omvat dan een bruto-vloeroppervlak van 1500 m².

7.1 Om de strijdigheid met het bestemmingsplan op te heffen heeft verweerder ervoor gekozen om vrijstelling te verlenen met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO. Ter zitting heeft verweerder verklaard hiertoe te zijn geadviseerd door GS van Noord-Holland.

7.2 Verzoekers stellen zich op het standpunt dat verweerder niet bevoegd was vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid van de WRO voor het project te verlenen omdat artikel 19, eerste lid, van de WRO diende te worden toegepast. [Belanghebbende] heeft aangevoerd dat dit in de zienswijzen niet naar voren is gebracht, zodat deze grond in de beroepsfase niet meer ter discussie kan worden gebracht. De voorzieningenrechter overweegt dat de toepassing van artikel 19, eerste, dan wel tweede lid van de WRO bepalend is voor de bevoegdheid van verweerder en derhalve een ambtshalve te toetsen punt betreft.

7.3 De bij besluit van 19 juli 2005 door GS van Noord-Holland vastgestelde notitie "Beleid inzake de toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening” (de notitie) behelst de lijst van gevallen waarin burgemeester en wethouders zelfstandig vrijstelling kunnen verlenen van het bestemmingsplan. Blijkens deze notitie is zodra een speerpunt van provinciaal ruimtelijk beleid aan de orde is, een verklaring van geen bezwaar ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO vereist. Locatiebeleid en grootschalige voorzieningen, alsmede perifere en grootschalige detailhandel is een speerpunt van beleid.

Onder grootschalig wordt volgens de notitie verstaan: meer dan 1500 m². Onder perifeer wordt verstaan: binnen de bebouwde kom, maar niet binnen een kernwinkelgebied (bestaand of gepland winkelgebied) of onmiddellijk hieraan grenzend. Uit de notitie, gelezen in samenhang met de beleidsnota van GS betreffende locatiebeleid van 28 april 2005 blijkt dat de vereisten van grootschaligheid en perifere vestiging cumulatief zijn.

Detailhandel in volumineuze artikelen valt ook de onder speerpunten van beleid. Hieronder wordt verstaan handel in auto’s, caravans en boten, gevaarlijke stoffen, alsmede tuincentra, grootschalige meubeldetailhandel en bouwmarkten.

7.4 De vestiging van BCC betreft geen handel in volumineuze artikelen als bedoeld in de notitie. Het brutovloeroppervlak bedraagt 1500 m², zodat evenmin sprake is van grootschalige detailhandel. Derhalve is het project geen speerpunt van beleid en was verweerder bevoegd vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19, tweede lid van de WRO.

7.5 De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat in dit geval vrijstelling kon worden verleend met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, gelet op het vereiste van een goede ruimtelijke onderbouwing, in zijn algemeenheid zwaardere eisen aan de besluitvorming stelt dan de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO. Zowel bij toepassing van artikel 19, tweede lid, als artikel 19, derde lid van de WRO is verweerder het bevoegde bestuursorgaan. Nu de ruimtelijke onderbouwing met name ziet op de inpasssing van het project in de voorzieningenstructuur van verweerders gemeente, en de gevolgen van de vrijstelling voor de voorzieningenstructuur ook in het kader van de belangenafweging in kaart diende te worden gebracht, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekers, noch [Belanghebbende] door de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO nadeel hebben ondervonden.

7.6 De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat de omstandigheid dat verweerder vrijstelling heeft verleend met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, terwijl dit had gekund met toepassing van het derde lid van dat artikel, geen aanleiding vormt voor gegrondverklaring van het beroep.

8. Het geschil spitst zich voorts toe op de vrees voor duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau door de vestiging van BCC op deze plek.

8.1 In de ruimtelijke onderbouwing van de vrijstelling die door verweerder zelf is opgesteld is uitgebreid ingegaan op de betekenis van de vestiging van BCC op het [straatnaam] voor de voorzieningenstructuur in Den Helder. Verwezen is onder meer naar het geldende beleid voor detailhandel in Den Helder, vervat in de nota ‘Detailhandel plus’. Ten aanzien van het [straatnaam] wordt in het beleid het uitgangspunt gehanteerd dat de winkelconcentratie aanvullend en niet concurrerend moet zijn aan de binnenstad. Geen uitbreiding wordt toegestaan van het aantal toe te laten branches. In de beleidsnota wordt voorts aangegeven dat rekening dient te worden gehouden met (individuele) economische factoren en met de dynamiek van de detailhandel. Aspecten als schaalvergroting en (thematische) concentratie spelen daarbij een rol. Voor het behoud van een goede concurrentiepositie zullen ook Helderse bedrijven daar soms in mee moeten, aldus de beleidsnota.

Uitgaande van dit beleid heeft verweerder een onderzoek naar de vestigingsmogelijkheden voor BCC op het [straatnaam] laten verrichten door ECORYS Nederland BV (hierna: Ecorys). Ecorys heeft geconcludeerd dat de dynamiek in de electrobranche groot is, dat zich binnen deze branche een tweedeling voordoet tussen grootschalige perifere winkels en kleinschalige binnenstedelijke winkels en dat het aanbod van electrowinkels in Den Helder beperkt is en bestaat uit kleinschalige winkels. Ecorys heeft berekend dat er op dit moment in Den Helder in deze branche marktruimte bestaat van circa 2.160 m² verkoopvloeroppervlak. BCC kan zodoende volgens Ecorys een ontbrekend grootschalig marktsegment invullen en zorgen voor meer variatie in het elektro-aanbod, waardoor afvloeiing naar bijvoorbeeld Alkmaar wordt voorkomen.

8.2.1 De voorzieningenrechter heeft geen twijfel aan de zorgvuldige totstandkoming en juistheid van het rapport van Ecorys. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met het onderzoek door Ecorys genoegzaam is aangetoond dat de vestiging van BCC op het [straatnaam] past binnen het hiervoor geciteerde geldende beleid. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit het rapport van Ecorys dat er sprake is van marktruimte in de elektrobranche en dat de vestiging van BCC geen onttrekking van een voorziening aan de binnenstad van Den Helder, doch een toevoeging van een voorziening aan Den Helder als geheel met zich brengt. Uit het rapport blijkt voorts dat er sprake is van een ‘unieke zaak’. De voorzieningenrechter begrijpt dat de vrees voor ontwrichting van de voorzieningenstructuur met name bestaat uit vrees voor het wegtrekken van klandizie van het stadscentrum naar het [straatnaam]. Gelet op de marktruimte en het feit dat het hier gaat om een ‘unieke zaak’ acht de voorzieningenrechte deze vrees ongegrond.

Met het bestreden besluit wordt geen andere vestiging van niet-grootschalige detailhandel op het [straatnaam] toegestaan en evenmin is gegeven dat met de vestiging van BCC het gehanteerde onderscheid tussen vestiging van grootschalige en kleinschalige detailhandel wordt losgelaten. Daarom is de vrees voor precedentwerking naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet terecht.

8.2.2 Verzoekers hebben ter ondersteuning van hun standpunt dat de vestiging van BCC zal leiden tot duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau gewezen op het structuurplan “Stadshart Den Helder 2020” (hierna: structuurplan) en diverse onderzoeken die aan de totstandkoming daarvan hebben bijgedragen.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het structuurplan betrekking heeft op de binnenstad en niet op het [straatnaam]. Reeds hierom ziet de voorzieningenrechter in het structuurplan op zichzelf geen aanleiding om aan te nemen dat door vestiging van BCC op het [straatnaam] ontwrichting van de voorzieningenstructuur zal optreden. In het rapport van BRO van juni 2005, dat ten behoeve van het structuurplan is opgesteld, is ten aanzien van de ontwikkeling van grootschalige detailhandel geadviseerd om de traditionele PDV-beleidslijn te blijven volgen, en zeker geen bruin- en witgoed / elektra op het [straatnaam] toe te staan. In zoverre lijkt het BRO een vestiging van BCC op het [straatnaam] af te raden. Gelet op het ontbreken van een cijfermatige onderbouwing van dit advies en gelet op de berekeningen van Ecorys ziet de voorzieningenrechter hierin evenmin aanleiding om de conclusie te trekken dat het vestigen van BCC op het [straatnaam] tot duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal leiden.

8.2.3 Aldus acht de voorzieningenrechter de ruimtelijke onderbouwing toereikend voor de conclusie dat de vestiging van de BCC op het [straatnaam] niet zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het bestaande voorzieningenniveau.

8.3 Voor zover verzoekers hebben betwijfeld of de vestiging van BCC past in het toekomstige detailhandelbeleid overweegt de voorzieningenrechter dat de door verweerder toegezonden beleidsnota dateert van na het bestreden besluit. Verweerder heeft het bestreden besluit niet op deze nota gebaseerd. De voorzieningenrechter zal deze dan ook niet in zijn beoordeling betrekken.

8.4 Verzoekers hebben nog aangevoerd dat verweerder niet mocht uitgaan van het ten aanzien van de vrijstellingsprocedure uitgebrachte advies van de Adviesraad Detailhandel en Horeca (hierna: adviesraad) omdat het positieve advies slechts steunt op een minimale meerderheid van stemmen. De voorzieningenrechter overweegt dat niet is gebleken dat aan de totstandkoming van het advies formele gebreken kleven. Voorts is in het schriftelijk geformuleerde advies tot uitdrukking gebracht dat een minderheid van de adviesraad heeft tegengestemd. Verweerder heeft hiervan kennis genomen. De voorzieningenrechter ziet dan ook niet in dat verweerder geen gebruik mocht maken van dit advies.

9. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in redelijkheid vrijstelling van het bestemmingsplan heeft kunnen verlenen voor de vestiging van BCC op het [straatnaam] te Den Helder. Het beroep van verzoekers sub 1 tot en met 3 is ongegrond. Bij deze stand van zaken is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

10. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter

- verklaart het beroep van verzoekers sub 4, 5 en 6 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van verzoekers sub 1, 2 en 3 ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 4 juni 2007 door mr. M. Kraefft, voor¬zieningen¬rechter, in tegen¬woordig¬heid van mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, griffier.

griffier voorzieningenrechter

Tegen de uitspraak op het beroep kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening kan geen hoger beroep worden ingesteld.