Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BA7028

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
29-05-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
AWB 06/2407
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gemaakte reserveringen voor vakantiedagen vorderbaar en inbaar bij het einde van de uitzendovereenkomst; genoten loon waarover sv-premie is verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: CSV 06/2407

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van:

de besloten vennootschap Randstad Uitzendbureau BV,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (districtskantoor Amsterdam)

verweerder.

Het ontstaan en de loop van de zaak

Bij onderscheiden besluiten van 17 en 18 oktober 2005 heeft verweerder aan eiseres correctienota’s over de premiejaren 2000 tot en met 2003 met een totaalbedrag van

€ 6.080.247,04 gezonden. Bij onderscheiden besluiten van 19 oktober 2005 heeft verweerder aan eiseres boeten opgelegd over de jaren 2000 tot en met 2003 met een totaalbedrag van

€ 9.981,12 in verband met het niet nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Coördinatiewet sociale verzekeringen (CSV).

Tegen deze besluiten is namens eiseres bij brieven van 24 november 2005 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 17 februari 2006 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is namens eiseres bij brief van 28 maart 2006 beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter zitting van 14 maart 2007. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde mr. A.A.W. Langevoord, belastingadviseur. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde mr. W. Zwanink.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de rechtbank de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

De motivering

Het geschil

1. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of verweerder terecht en op goede gronden aan eiseres correctie- en boetenota’s heeft opgelegd over de premiejaren 2000-2003 wegens het niet, niet juist of niet volledig voldaan hebben aan de verplichting tot het doen van een loonopgave conform artikel 10, tweede lid, van de Coördinatiewet sociale verzekeringen (CSV).

2. In beroep gaat het in essentie om het antwoord op de vraag wanneer de door eiseres gemaakte reserveringen voor vakantiedagen, vakantiebijslag, kort verzuim en buitengewoon verlof (hierna: de reserveringen) voor – kort gezegd – uitzendkrachten door laatstgenoemden vorderbaar en inbaar zijn en aldus als genoten loon in de zin van de artikel 4 en 5 van de CVS worden beschouwd waarover premie werknemersverzekeringen (sv-premie) is verschuldigd.

De regelgeving

3. Voor de beoordeling is de volgende (ten tijde van de bovengenoemde premiejaren geldende) regelgeving met name van belang.

Ingevolge artikel 4 van de CSV is loon al hetgeen uit een dienstbetrekking wordt genoten. Tot het loon behoren aanspraken om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te doen. Onder aanspraken worden mede verstaan rechten op geheel of gedeeltelijk betaald verlof.

Ingevolge artikel 5 van de CSV wordt – voor zover hier van belang - loon beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop het vorderbaar en tevens inbaar is geworden.

In artikel 12, eerste lid van het Loonadministratiebesluit is bepaald dat de werkgever verplicht is jaaropgavekaarten in te leveren in de maand januari van het kalenderjaar, volgende op dat waarvoor zij gelden.

Ingevolge artikel 7:641, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een werknemer, die bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak op vakantie heeft, recht op een uitkering in geld tot een bedrag van het loon over het tijdvak overeenkomend met de aanspraak, tenzij artikel 7:639 lid 2 BW van toepassing is.

Ingevolge artikel 17, derde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) heeft een werknemer bij het einde van de dienstbetrekking recht op uitbetaling van het bedrag aan vakantiebijslag, waarop hij op dat tijdstip aanspraak heeft verworven.

De feiten

4. De rechtbank gaat van het volgende uit.

(a) Gedurende de periode augustus tot en met november 2004 hebben looninspecteurs van verweerder een reguliere looncontrole gehouden bij eiseres over de periode 1999-2003. Het refertejaar was 2002. Naar aanleiding van deze looncontrole is op 30 november 2004 een looncontrole rapport en op 28 juni 2005 een aanvullend looncontrole rapport opgesteld.

(b) De bevindingen zijn – voor zover hier van belang – de volgende:

“(…) Aansluiting SV-loon / premieloon

Vergelijking premieafrekening uwv en verzamelloonstaat uitzendbedrijven.

Onderdeel van de controle is de vergelijking tussen de verzamelloonstaten van de uitzendbedrijven en de door UWV opgestelde premienota’s. Uit de vergelijking blijkt dat er op onderdelen zeer grote verschillen bestaan hiertussen. De werkgever heeft aangegeven dat de aan ons verstrekte informatie naar alle waarschijnlijkheid niet juist is maar kan vooralsnog niet de juiste gegevens leveren. (…) Ondanks diverse verzoeken de correcte informatie te leveren hebben wij tot op heden slechts beschikking over de door ons in een eerder stadium aangeleverde verzamelloonstaten. (…) Indien andere verzamelloonstaten worden aangeboden zullen wij de correcties die voortvloeien uit deze vergelijking nader beschouwen.(…)

“(…) Uitbetaalde reserveringen:

In de jaren gelegen in het gecontroleerde tijdvak zijn ieder jaar reserveringen uitbetaald volgende op het jaar waarin het dienstverband van de betreffende werknemer (uitzendkracht / flexwerker) eindigde. Het zijn afrekeningen van reserveringen die werkgever in de regel 44 dagen na de laatst gewerkte dag opmaakt. Werkgever heeft in het jaar van de uitbetaling van deze loonbestanddelen de uitbetaling opgenomen in de loonadministratie. In de situatie dat de werknemer geen dagen meer heeft gewerkt in het jaar van de uitbetaling reserveringen t.b.v vakantiedagen, vakantiebijslag, kort verzuim en buitengewoon verlof en feestdagen is de werkgever van mening dat geen premieheffing kan plaatsvinden in verband met de het ontbreken van loondagen. In de verzamelloonstaten van de werkgever zijn bedoelde uitbetaalde reserveringen te herkennen aan de 0 dagen in de kolom dagen. (…)

Tijdens de looncontrole is gebleken dat verzoeken om direct na beëindiging van de uitzendovereenkomst de reserveringen uit te betalen door werkgever gehonoreerd worden. In dit verband is voorts het volgende geconstateerd. Van de medewerker die in week 1 2003 op 30 of 31 december 2002 zijn laatste werkdag had en die vervolgens verzocht om directe afrekening van de reserveringen werden het normale loon en het aantal gewerkte dagen in het tijdvak 2002 verantwoord en de reserveringen in het jaar 2003 met vermelding 0 loondagen. Het is vooralsnog niet duidelijk geworden waarom werkgever in die situatie niet ook de reserveringen in het jaar 2002 heeft verantwoord. De werkgever is derhalve feitelijk in staat om direct aan het einde van de uitzendovereenkomst de eindafrekening van de reserveringen op te maken. In dit verband wordt nog opgemerkt dat de werknemer en inlener op het weekurenbriefje aangeven of de werkzaamheden doorlopen. Werkgever kan dus aan de hand van de urendeclaratie zien of de uitzendovereenkomst doorloopt en bij beëindiging van de uitzendovereenkomst direct tot afrekening van de openstaande reservering overgaan. Gelet op het vorenstaande dienen bedoelde reserveringen als loon in de zin van artikel 4 van de Coördinatiewet sociale verzekeringen te worden aangemerkt en zijn ze vorderbaar en inbaar op het moment van de laatste werkdag en kunnen hierdoor beschouwd worden te zijn genoten in het jaar waarin de dienstbetrekking eindigde. (…) “

(c) Er zijn geen aanvullende, andere verzamelloonstaten door eiseres aan verweerder verstrekt.

(d) De bevindingen over het jaar 2002 zijn door verweerder ook toegepast op de overige controlejaren.

(e) In verband met de geconstateerde verschillen tussen de verzamelloonstaten van eiseres en de door verweerder opgestelde premienota’s heeft verweerder op 17 en 18 oktober 2005 aan eiseres correctienota’s opgelegd tot een totaalbedrag van € 6.080.247,04:

(f) Op 19 oktober 2005 heeft verweerder aan eiseres boetenota’s opgelegd tot een totaalbedrag van € 13.221,66.

Standpunt eiseres

5. Eiseres heeft in beroep het volgende aangevoerd. In de looncontrolerapporten, waarop de correctienota’s zijn gebaseerd, wordt ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen de soorten reserveringen en de momenten waarop deze op grond van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor Uitzendkrachten 1999-2003 (CAO) vorderbaar worden. Eiseres kan ook niet nagaan welk gedeelte van de correcties betrekking heeft op welke reservering. In de looncontrolerapporten wordt ten onrechte de conclusie getrokken dat de door eiseres gemaakte reserveringen door de uitzendkrachten genoten zijn in het jaar waarin de werkzaamheden voor de betreffende opdrachtgever eindigden. Verweerder gaat, gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad, uit van een onjuist genietingsmoment van het loon. Ook gaat verweerder voorbij aan de formaliteiten (het inleveren van werkbriefjes en het uitbetalen van loon per bank of giro) die het moment bepalen wanneer het loon ook inbaar is. Het gevolg daarvan is dat door het opleggen van de correctienota’s in veel gevallen dubbel premie zal worden betaald. Dat doet zich met name voor indien in het jaar waarin volgens verweerder het loon is genoten (het jaar volgend op het jaar waarin de uitzendovereenkomst is beëindigd) opnieuw werkzaamheden voor eiseres zijn verricht. Nu met deze dubbele premieheffing geen rekening is gehouden bij de vaststelling van de correctie over het jaar 2002 kan dit jaar niet als basis dienen voor de extrapolatie naar de overige controlejaren. Al met al is eiseres van mening dat de looncontrolerapporten geen deugdelijk inzicht geven in de correctienota’s en dat om die reden de correctienota’s en de daaruit voortvloeiende boetenota’s niet in stand kunnen blijven. Tot slot verzoekt eiseres verweerder te veroordelen in haar schade, zijnde de werkelijke kosten van het bezwaarschrift á € 25.363,60.

Aanvullend heeft eiseres nog zich beroepen op een brief van 21 december 2006 van de Paritaire redactiecommissie CAO voor uitzendkrachten, waarin een toelichting wordt gegegeven op artikel 31 van de nieuwe CAO, dat overeenkomt met het voor deze zaak van belang zijnde (oude) artikel 28 van de CAO. Eiseres voert aan dat uit die brief volgt dat de reserveringen slechts vorderbaar en inbaar zijn geworden nadat de werkgever zeker weet dat de uitzendkracht niet meer voor hem gaat werken. Conform de bedoeling van de CAO-partijen zijn door eiseres alle reserveringen van haar uitzendkrachten waarvan niet volledig vaststond dat de uitzendovereenkomst is beëindigd en niet aansluitend is gevolgd door een nieuwe, uitbetaald na afloop van de zes wekentermijn als bedoeld in artikel 28, vierde lid, van de CAO. Verder heeft eiseres nog een beroep gedaan op afspraken die zijn gemaakt tussen de rechtsvoorgangster van verweerder, GAK Nederland B.V. en de uitzendbranche over het moment waarop de reserveringen door de uitzendkrachten worden genoten. Verweerder is ten onrechte aan die afspraken voorbij gegaan.

Standpunt van verweerder

6. Verweerder heeft zich gebaseerd op de hierboven vermelde bevindingen van de looninspecteurs. Voorts heeft verweerder zich - voor zover in beroep van belang - op het standpunt gesteld dat de artikelen 7:641 van het BW en artikel 17, derde lid, van de WML dwingendrechtelijk van aard zijn en dat ten aanzien van die bepalingen niet ten nadele van de werknemer in de CAO kan worden afgeweken. Dat betekent dat een uitzendkracht bij het einde van zijn uitzendovereenkomst recht heeft op uitbetaling van de reserveringen ongeacht wat de CAO daarover bepaalt. Volgens verweerder zijn de reserveringen op de laatste werkdag vorderbaar en tevens inbaar. Verweerder beroept zich op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 19 juni 2003, RSV, 2003/254. Nader onderscheid naar soort reservering is niet van belang, omdat alleen dient te worden vastgesteld of er

(na)betalingen zijn gedaan van reserveringen zonder afdracht van sv-premies. Van dubbele premieheffing kan volgens verweerder geen sprake zijn omdat de betalingen waarop de correcties zien als zodanig afzonderlijk kenbaar waren in de loonadministratie van eiseres en loonbetalingen maar eenmaal in de loonadministratie kunnen worden verantwoord. Er is dan ook geen bezwaar tegen extrapolatie. Verweerder stelt dat de nabetalingen van de reserveringen tot het loon behoren in het jaar van beëindiging van de uitzendovereenkomst. In dat verband wijst hij ook op het Loonadministratiebesluit op grond waarvan eiseres tot 1 februari van enig volgend jaar de gelegenheid heeft nabetaalde reserveringen op correcte wijze te verantwoorden. Voor zover in beroep nog van belang heeft verweerder in het bestreden besluit de correcties verband houdende met de vaststellingsverschillen en de uitbetaling van de reserveringen met 0 sv-dagen gehandhaafd. Ten aanzien van de boetenota’s heeft verweerder de bezwaren in zoverre gegrond geacht dat voor elk betrokken jaar één verzuimboete wordt gehandhaafd, die nader wordt vastgesteld op basis van de correctienota’s. Het verzoek om vergoeding van de werkelijke kosten van het bezwaarschrift heeft verweerder afgewezen. In reactie op de aanvullende beroepsgronden heeft verweerder gesteld dat de CAO-bepalingen geen dwingendrechtelijke bepalingen opzij kunnen zetten. De afspraak met de uitzendbranche waar eiseres op doelt heeft nimmer de bedoeling in zich gehad dat er over de uitbetaalde reserveringen geen sv-premie verschuldigd zou zijn, aldus verweerder.

De beoordeling

7. Het onderhavige geschil ziet, mede gelet op hetgeen eiseres ter zitting heeft aangegeven, op de uitzendkrachten die - naar de rechtbank begrijpt: aan het einde van het jaar in december - niet (duidelijk) hebben aangeven de relatie met eiseres te willen beëindigen. In die gevallen heeft eiseres - onder verwijzing naar artikel 28, vierde lid, van de CAO - zes weken na de laatste werkdag van de uitzendkracht de reserveringen nabetaald en in de verzamelloonstaat bedoelde betaling geboekt in de kolom dagen onder vermelding “0 dagen”. Ter zitting heeft eiseres aangegeven die 0-dagen te vermelden omdat op het moment van nabetaling er (nog) geen werkzaamheden in dat jaar door de betreffende uitzendkracht waren verricht. Als er na die nabetaling van de reserveringen (in dat volgend jaar op de laatste werkdag) wederom door de uitzendkracht werkzaamheden zijn verricht heeft eiseres ter zitting betoogd dat zij de uitbetaalde reserveringen deel heeft laten uitmaken van de premiegrondslag in dat betreffende jaar.

8. De rechtbank wijst erop dat de door verweerder opgelegde correctienota’s zijn opgelegd aan de hand van de door eiseres gevoerde loonadministratie en van eiseres afkomstige gegevens. Ten aanzien van het refertejaar 2002 is daaruit gebleken dat eiseres over nabetalingen (in 2003) aan uitzendkrachten van wie in het jaar 2002 de uitzendovereenkomst was beëindigd geen sv-premies heeft afgedragen. Deze nabetalingen zijn naar de rechtbank begrijpt in de verzamelloonstaten van eiseres te herkennen aan de “0-dagen” vermelding in de kolom dagen.

9. De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van deze zaak de door eiseres opgemaakte en verstrekte verzamelloonstaten het uitgangspunt dienen te zijn. Immers vaststaat dat eiseres geen andere aanvullende verzamelloonstaten heeft verstrekt aan verweerder dan die waarop verweerder zijn bevindingen heeft gebaseerd. Dat brengt mee dat, gezien de handelwijze van eiseres, er vanuit gegaan dient te worden dat ten aanzien van het refertejaar 2002, na 1 januari 2003 tot het moment van uitbetaling van de reserveringen geen werkzaamheden zijn verricht door de uitzendkracht. Er zijn immers “0-dagen” vermeld in de verzamelloonstaat. Daaruit kan de conclusie getrokken worden dat de bedoelde uitzendovereenkomsten ook voor 1 januari 2003 zijn geëindigd. Gegevens waaruit zou moeten volgen dat deze vaststellingen niet kloppen, zijn door eiseres niet gesteld of naar voren gebracht. Evenmin is uit de door eiseres verstrekte gegevens naar voren gekomen dat, om bij het refertejaar te blijven, er uitzendkrachten wederom in dienst zijn getreden in 2002 (van wie de overeenkomst in 2001 eindigde) en dat de reeds uitbetaalde reserveringen, die aanvankelijk als “0-dagen” zijn geregistreerd, alsnog deel zijn gaan uitmaken van de premiegrondslag. Aannemelijk is derhalve dat zulks ook niet heeft plaatsgevonden voor het jaar 2003, waarin de reserveringen over 2002, als “0-dagen” zijn geregistreerd. Voor zover dat anders zou zijn lag het op de weg van eiseres om dat te bewijzen hetgeen zij heeft nagelaten. Voor de door eiseres gestelde dubbele premieheffing zijn derhalve geen aanwijzingen. De rechtbank verwerpt dan ook deze beroepsgrond.

10. Het voorgaande brengt mee dat verweerder terecht is uitgegaan van de juistheid van de door eiseres aangeleverde gegevens. Op grond van die gegevens heeft hij de verschillen tussen het sv-loon en het premieloon kunnen vaststellen. Nu er voor dubbele premieheffing geen aanwijzingen zijn vervalt daarmee ook het bezwaar van eiseres tegen de extrapolatie van de bevindingen over het controlejaar 2002 naar de overige controlejaren 2000, 2001 en 2003. Voor zover er door verweerder ook kosten en andere vergoedingen tot het premieloon zijn gerekend bij het vaststellen van de verschillen, zoals ook door eiseres betoogd, lag het op haar weg daar concreet en gespecificeerd verweer op te voeren, hetgeen zij heeft nagelaten. Derhalve verwerpt de rechtbank ook deze beroepsgrond.

11. Uit het voorgaande volgt dat er vanuit gegaan moet worden dat de uitzendovereenkomsten waarover de uitbetaalde reserveringen met “0-dagen” zijn geregistreerd vóór 1 januari 2003 zijn geëindigd. Artikel 7:641, eerste lid, van het BW bepaalt - kort gezegd - dat een werknemer bij het einde van de arbeidsovereenkomst recht heeft op uitbetaling van de waarde van zijn openstaande vakantiedagen. Voor de vakantiebijslag geldt een soortgelijke bepaling (artikel 17, derde lid, van de WML). Deze bepaling zijn dwingendrechtelijk van aard, hetgeen betekent dat er niet ten nadele van een werknemer van kan worden afgeweken. In deze zaak gaat het evenwel niet alleen om reserveringen voor niet genoten vakantiedagen, maar ook voor kort verzuim, buitengewoon verlof en feestdagen. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat deze laatstbedoelde reserveringen naar hun aard en strekking zozeer overeenkomen met die voor niet opgenomen vakantiedagen dat het dwingendrechtelijke karakter van artikel 7:641 van het BW ook van toepassing is op die reserveringen. Steun voor die opvatting vindt de rechtbank in de uitspraak van de CRvB van 19 juni 2003, RSV 2003/254. Dat betekent dat, anders dan eiseres heeft betoogd, voor de vorderbaarheid en inbaarheid van de reserveringen slechts naar de partijafspraak in de CAO gekeken kan worden voor zover die niet strijdig is met artikel 7:641 van het BW. Een CAO kan immers geen dwingendrechtelijke bepalingen opzij zetten. In dit verband wijst de rechtbank nog op het volgende. Voorzover ten aanzien van de onderhavige periode (de jaren 2000-2003) sprake is van een algemeen verbindendverklaring van de CAO, bevatten de besluiten waarbij de CAO’s voor Uitzendkrachten 1998 en 2003-2004 algemeen verbindend zijn verklaard, de bepaling dat “voor zover de opgenomen bepalingen strijdig zijn met bij of krachtens de wet gestelde of te stellen regelen, deze regelen prevaleren” (zie de Besluiten van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 februari 1998 en van 14 juli 2003 tot algemeen verbindendverklaring van de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst voor uitzendkrachten 1998 en 2003-2004, Stcrt, d.d. 25-02-1998, nr. 38 en 18-07-2003, nr 136).

12. De rechtbank overweegt dat de aanspraak op de reserveringen bij het einde van de arbeidsovereenkomst dan ook meebrengt dat de werknemer in dat geval betaling ervan met vrucht in rechte zou kunnen vorderen. In deze zaak is niet gebleken dat bij eiseres de wil of vermogen heeft ontbroken om tot betaling van de reserveringen over te gaan. Eiseres heeft, zo begrijpt de rechtbank, bewust pas zes weken na de laatste werkdag de reserveringen uitbetaald. Voorts blijkt uit de bevindingen van de looninspecteurs dat verzoeken om direct na beëindiging van de uitzendovereenkomst de reserveringen uit te betalen door eiseres werden gehonoreerd. Dat de reserveringen pas praktisch inbaar zouden zijn na vervulling van de door eiseres genoemde formaliteiten doet aan het voorgaande niet af en zijn omstandigheden die niet aan verweerder kunnen worden tegengeworpen. Verweerder heeft in dit verband ook uitdrukkelijk gewezen op het Loonadministratiebesluit op grond waarvan eiseres nog tot 1 februari jaaropgavekaarten van het voorgaande jaar kan indienen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het loon in de vorm van de reserveringen in de zin van artikel 5 van de CSV is genoten bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Op dat moment waren de reserveringen vorderbaar en inbaar. Dat betekent voor het refertejaar 2002 dat de reserveringen die eiseres in 2003 als 0-dagen heeft geregistreerd in 2002 zijn genoten. Het beroep van eiseres op artikel 28, vierde lid van de CAO, is in strijd met de dwingende bepalingen van het BW en slaagt om die reden niet.

13. Als aanvullende grond heeft eiseres nog betoogd dat op grond van afspraken met GAK Nederland B.V. het genietingsmoment voor de reserveringen over 2002 in het volgende jaar 2003 zou mogen liggen. Eiseres heeft zich specifiek beroepen op de “Wegwijzer voor de werkgever 1999, bijzondere regels en afspraken voor de sectoren: (…) Commerciële dienstverlening” en gewezen op de volgende passage: “ Met de uitzendbranche is de afspraak gemaakt dat uitzendondernemingen reserveringen in het volgend jaar kunnen verlonen, als het dienstverband met de uitzendkracht niet is beëindigd en de uitzendkracht niet om uitbetaling van de reserveringen heeft verzocht. Een uitzending is beëindigd als dit is aangegeven door de uitzendkracht of als er vier weken geen werkbriefje meer is ingeleverd. Een praktische oplossing is aan het einde van het jaar op 31 december vier weken terug te tellen. Is er na 1 december wel een werkbriefje ontvangen, dan wordt de uitzending als niet beëindigd beschouwd en kunnen de reserveringen in sv-dagen en het daarbij behorende brutoloon worden meegenomen naar het volgende jaar en in dat jaar worden verantwoord”. Verweerder heeft aangevoerd dat voormelde regeling bij wijze van (buitenwettelijk) begunstigend beleid is gemaakt om de verantwoording van premies aan verweerder niet onnodig gecompliceerd te maken. De regeling maakt het mogelijk dat een uitzendbureau (in een volgend jaar) fictieve sv-dagen kan opvoeren teneinde de ingehouden premies aan verweerder (op juiste wijze) te kunnen afdragen. Verweerder stelt dat eiseres zich niet aan deze regeling heeft gehouden. Er heeft immers geen afdracht van de premies plaatsgevonden door middel van het opvoeren van fictieve sv-dagen.

14. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres op de gestelde afspraak niet opgaat. Verweerder heeft gemotiveerd aangevoerd dat de bedoeling van de afspraak (het begunstigend beleid) niet kan zijn geweest dat eiseres geen premies zou hoeven af te dragen aan verweerder over de reserveringen van uitzendovereenkomsten die omstreeks de jaarwisseling eindigden. De rechtbank acht hetgeen verweerder heeft betoogd juist. Daaruit volgt dat de rechtbank de door eiseres gestelde uitleg van de afspraak verwerpt.

De slotsom

15. Al het voorgaande brengt mee dat gronden tegen de opgelegde correctienota’s niet slagen. Tegen de boetenota’s is geen andere grond aangevoerd dan dat deze niet in stand kunnen blijven, omdat de correctienota’s onjuist zijn. Dat laatste gaat niet op, zodat ook de boetenota’s terecht zijn opgelegd. Het beroep is dan ook in zijn geheel ongegrond. Het bestreden besluit dient in stand te blijven.

16. Het voorgaande betekent ook dat er geen aanleiding is voor de verzochte schadevergoeding noch voor vergoeding van de proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 29 mei 2007 door de mrs. J. Blokland, voorzitter, C.M. van Wechem en P.J. Jansen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Lankhof, griffier.

griffier voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden – in elk geval de eisende partij – en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.