Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BA6614

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
07-06-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
KG nummer: 94899/KG ZA 07-138
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Voldoende aannemelijk is dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. De ontbindende voorwaarde die in het schriftelijk concept is opgenomen, is tussen partijen gedurende de onderhandelingen niet aan de orde geweest. Bovendien is die voorwaarde onredelijk. De vordering van eisers tot meewerken aan de ondertekening van de koopovereenkomst en levering wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

FV/HV

KG nummer: 94899/KG ZA 07-138

datum: 7 juni 2007

Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding

in de zaak van:

1. [eiser 1],

2. [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats]

EISERS IN KORT GEDING,

procureur mr. W.J.M. Loomans,

tegen:

1. de besloten vennootschap AGRIPORT A7 B.V.,

gevestigd te Alkmaar,

2. [gedaagde 2], in zijn hoedanigheid van bestuurder van de besloten vennootschap [bedrijfsnaam 1], die bestuurder is van de besloten vennootschap [bedrijfsnaam 2] die bestuurder is van gedaagde sub 1,

wonende te [woonplaats],

GEDAAGDEN IN KORT GEDING,

procureur mr. K.A. Cerutti.

Partijen zullen verder ook worden genoemd "[eiser 1] c.s.", "Agriport" respectievelijk "[gedaagde]".

1. Het verloop van het geding

Ter terechtzitting van 29 mei 2007 heeft [eiser 1] c.s. gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Vervolgens heeft [eiser 1] c.s. zijn vordering gewijzigd.

Gedaagden hebben de gewijzigde vordering bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van de zijde van [eiser 1] c.s. de originele dagvaarding en van beide zijden pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

2. De uitgangspunten

2.1 [Eiser 1] c.s. is sinds 2003 eigenaar van de onroerende zaak, staand en gelegen aan [adres] (hierna: de woning).

2.2 [Eiser 1] c.s. heeft in verband met de plannen voor een grootschalig glastuinbouwgebied aan [adres] diverse zienswijzen en bezwaren ingediend in verschillende planologische procedures die werden gevoerd om de vestiging van het glastuinbouwgebied mogelijk te maken.

2.3 Het glastuinbouwgebied wordt ontwikkeld door Agriport. [Bedrijfsnaam 2] is de bestuurder van Agriport en wordt op haar beurt bestuurd door [bedrijfsnaam 1], van welke vennootschap [gedaagde 2] bestuurder is.

2.4 Op enig moment heeft [vader van gedaagde], de vader van [gedaagde], contact opgenomen met [eiser 1] c.s.. Zij hebben diverse gesprekken met elkaar gevoerd, omdat de door [eiser 1] c.s. ingediende bezwaren en zienswijzen Agriport belemmerden bij de ontwikkeling van het glastuinbouwgebied.

2.5 Op 28 april 2006 heeft [medewerker Agriport], een medewerker van Agriport, aan [eiser 1] c.s. een brief verzonden met onder meer de volgende inhoud:

"In navolging op het constructieve gesprek van vanmorgen bevestigen wij hierbij de gemaakte afspraken.

U trekt voor 2 mei a.s. schriftelijk bij de gemeente Wieringermeer de zienswijze en bezwaar in dat u op 18 april heeft ingediend bij de gemeente Wieringermeer. Tevens onthoudt u zich van nieuwe zienswijzen en bezwaren op bouw- en milieuvergunningen, ontheffingsaanvragen en andere procedures die ondernemers doorlopen die zich willen vestigen in het plangebied van Agriport A7(...).

(...)

2. Als u vanwege een teruggang in woongenot door de komst van Agriport A7 verkiest om te verhuizen, dan verklaart Agriport A7 zich hierbij bereid om uw woning (...) over te nemen. (...)."

2.6 De brief is op 29 april 2006 door zowel [eiser 1] c.s. als Agriport ondertekend. De woning is daarna, zoals overeengekomen, getaxeerd en [eiser 1] c.s. heeft de desbetreffende bezwaren ingetrokken.

2.7 In verband met de ontwikkeling van het glastuinbouwgebied moeten verschillende akkerbouwers verplaatsen. In dit kader zijn aan het gedeelte van [adres] waar [eiser 1] c.s. woont, drie nieuwe bouwblokken gepland voor de bedrijven van [naam 1], [naam 2] en [naam 3]. [Buurman 1], een buurman van [eiser 1] c.s., heeft tegen die drie bouwblokken bezwaar gemaakt. [Buurman 2], ook een buurman van [eiser 1] c.s., heeft bezwaar gemaakt tegen twee van de bouwblokken. [eiser 1] c.s. heeft in een zogenaamde artikel 11 procedure uitsluitend bezwaar gemaakt tegen het bedrijf van [naam 1] dat tegenover de woning van [eiser 1] c.s. is gepland. De bezwaren van [eiser 1] c.s. zijn afgewezen, maar die procedure is inmiddels aanhangig bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

2.8 De locaties van [naam 1] en [naam 3] liggen buiten het plangebied.

2.9 Met betrekking tot het bedrijf van [naam 3] is ook een artikel 11 procedure gevoerd. Met toepassing van artikel 19 van de WRO is aan [naam 3] daarna een vrijstelling/bouwvergunning verleend om de desbetreffende kas hoger te maken. Tegen deze vrijstelling/bouwvergunning heeft [eiser 1] c.s. bezwaar gemaakt.

2.10 In de reacties naar de gemeente en Agriport zijn [eiser 1] c.s., [buurman 1] en [buurman 2] telkens gezamenlijk opgetrokken.

2.11 Op enig moment heeft [eiser 1] c.s. besloten om te verhuizen. Hij heeft inmiddels een woning te Hippolythushoef gekocht. Levering stond aanvankelijk gepland rond 1 juni 2007, maar de verkoper heeft ingestemd met levering rond 1 januari 2008. De betaling van de koopsom is afhankelijk van de verkoop van de woning van [eiser 1] c.s. aan [adres].

2.12 Op 3 februari 2007 heeft er bespreking plaatsgevonden tussen Miedema (werkzaam bij LTO Noord), Dekkers (wethouder), [vader gedaagde], [vertegenwoordiger Agriport] (van Agriport), [buurman 1] en [eiser 1]. [eiser 1] c.s. heeft toen aangegeven bereid te zijn om te verhuizen. Vervolgens is er een gesprek geweest op 7 februari 2007, waarin [buurman 2], [buurman 1] en [eiser 1] c.s. aan [vader van gedaagde 2] hebben verteld wat zij wilden. [eiser 1] c.s. heeft toen afgesproken na te denken over het bedrag dat hij wilde hebben voor de woning.

2.13 Vervolgens zijn op 8 februari 2007 onderhandelingen gestart, onder meer over de aankoop van de woning van [eiser 1] c.s. door Agriport. Deze bespreking heeft plaatsgevonden bij [buurman 2] thuis, in aanwezigheid van [vader van gedaagde], [buurman 2] en diens echtgenote, [buurman 1] en [eiser 1].

2.14 [vader van gedaagde 2] verklaart naar aanleiding van de verschillende gesprekken schriftelijk het volgende:

"(...) [eiser 1] wilde zijn huis verkopen. De prijs die hij voor zijn huis wilde hebben kwam na het uitwisselen van argumenten uiteindelijk op € 725.000,-. [eiser 1] moest dit thuis nog overleggen en zou mij de volgende maandag bellen. Hij heeft inderdaad maandag gebeld dat zijn vrouw met de vraagprijs kon instemmen (...).

(...)

De eisen van partijen zijn door mij voorgelegd aan Agriport A7 en Agriport A7 heeft aangegeven zich met de kosten die dit met zich meebracht te kunnen verenigen.

Deze wensen heb ik bij Agriport A7 kenbaar gemaakt en [naam 4] van Agriport A7 heeft dit opgemakt en de onderhandeling met [eiser 1] verder gevoerd."

2.15 Op verzoek van Agriport A7 is vervolgens door Actus Notarissen te Obdam een conceptkoopovereenkomst opgesteld. In artikel 10 van dit concept is de volgende ontbindende voorwaarde opgenomen:

"Deze overeenkomst is aangegaan onder de ontbindende voorwaarde dat verkoper niet voor 9 maart 2007 de door hem en door "[buurman 1]" en "[buurman 2]" ingediende bezwaren, hoe ook genaamd, zoals hiervoor omschreven en bedoeld, definitief en onvoorwaardelijk heeft ingetrokken, zulks ter beoordeling van koper."

2.16 [Eiser 1] c.s. heeft voormeld concept op 22 februari 2007 per e-mail ontvangen. Diezelfde dag heeft [eiser 1] c.s. aan [naam 4] een e-mail verzonden, waarin hij aangeeft het concept aan zijn eigen notaris te zullen voorleggen alvorens tot ondertekening over te gaan.

2.17 Diezelfde dag heeft er bij Agriport een overleg plaatsgevonden, waarbij aanwezig waren [vader van gedaagde], [vertegenwoordiger Agriport], [naam 4], [buurman 1] en [eiser 1]. In het overleg is gesproken over de conceptovereenkomsten van [buurman 1] en [eiser 1] c.s..

2.18 Vervolgens heeft [eiser 1] c.s. aan [naam 4] en [vertegenwoordiger Agriport] op 24 februari 2007 een e-mail verzonden, waarin hij onder meer voorstelt op artikel 10 uit de overeenkomst te halen en bij de notaris de zogenaamde intrekbrieven te ondertekenen. [eiser 1] c.s. verzoekt bovendien om een aangepaste versie van de koopovereenkomst.

2.19 Na verschillende e-mails over en weer ontvangt [eiser 1] c.s. van [vertegenwoordiger Agriport] op 9 maart 2007 een e-mail waarin laatstgenoemde ten aanzien van artikel 10 meldt dat Agriport contact op zal nemen met [buurman 2] en dat de uitkomst van dat gesprek bepalend is voor het al dan niet handhaven van die ontbindende voorwaarde in de koopovereenkomst. In reactie op deze e-mail schrijft [eiser 1] c.s. diezelfde dag aan [vertegenwoordiger Agriport] dat het voorgaande niet conform de afspraak is die gemaakt is met [vader van gedaagde 2] en dat hij zich over de situatie beraad.

2.20 [Buurman 1] heeft wel bij de notaris een koopovereenkomst met Agriport getekend. In die overeenkomst is geen bepaling gelijk aan voormeld artikel 10 opgenomen.

3. De vordering en de standpunten van partijen

3.1 [eiser 1] c.s. vordert, kort gezegd en zoals gewijzigd, (1) veroordeling van gedaagden om op de derde werkdag na betekening van dit vonnis ten kantore van Actus Notarissen te verschijnen om de koopovereenkomst - zoals die is overgelegd als productie 5 bij de dagvaarding - te ondertekenen en tegelijkertijd de getekende intrekkingsbrieven in ontvangst te nemen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,-- met een maximum van € 1.000.000,--, (2) veroordeling van gedaagden op uiterlijk een jaar na ondertekening van de overeenkomst of zo veel eerder als [eiser 1] c.s. verlangt (waarbij hij zulks uiterlijk vier weken voor de gewenste leveringsdatum bij aangetekend schrijven aan gedaagden zal melden) mee te werken aan levering van de woning, eveneens op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,-- met een maximum van € 1.000.000,--en (3) veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding.

3.2 [Eiser 1] c.s. legt aan zijn vordering ten grondslag dat met de afspraken die in februari 2007 zijn gemaakt overeenstemming is bereikt over de uitvoering van de overeenkomst van 29 april 2006. In de door de notaris opgestelde conceptkoopovereenkomst blijkt artikel 10 een ontbindende voorwaarde te bevatten die niet is overeengekomen en bovendien volstrekt onredelijk is. Die voorwaarde stond niet in de overeenkomst van april 2006, is niet overeengekomen in februari 2007 en staat ook niet in de definitieve overeenkomst die Agriport met [buurman 1] heeft gesloten. Op 22 februari 2007 heeft [vader van gedaagde 2] erkend dat de voorwaarde van artikel 10 niet was overeengekomen en dat die voorwaarde zodanig moest worden aangepast dat er alleen een koppeling gemaakt zou worden met het wel of niet intrekken van de door [eiser 1] c.s. zelf ingediende bezwaren. [vader van gedaagde 2] trad daarbij op namens Agriport en is zonder voorbehoud van goedkeuring door de directie akkoord gegaan met de aanpassing van artikel 10. Het alsnog stellen van de voorwaarde dat de koop zou zijn ontbonden indien [buurman 2] of [buurman 1] de bezwaren niet zouden intrekken is - mede in het licht van de eerste overeenkomst - onjuist en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, alles aldus [eiser 1] c.s..

3.3 Gedaagden hebben tegen de vordering verweer gevoerd.

3.4 Partijen hebben hun standpunten nader uiteengezet aan de hand van overgelegde pleitnotities. Voor zover nodig voor de beslissing wordt daarop hierna uitdrukkelijk ingegaan.

4. De gronden van de beslissing

4.1 Gedaagden hebben bestreden dat [eiser 1] c.s. een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Dit betoog faalt. Gezien de thans gerezen onduidelijkheid over de vraag of er een perfecte overeenkomst tot stand is gekomen en gezien het feit dat [eiser 1] c.s. inmiddels een andere onroerende zaak heeft gekocht waarvan de levering mede in verband met het onderhavige geschil reeds is uitgesteld, heeft [eiser 1] c.s. er belang bij om in kort geding duidelijkheid te verkrijgen over de ontstane onzekere situatie.

4.2 Gedaagden betwisten daarnaast dat tussen partijen een perfecte overeenkomst tot stand is gekomen. Gedaagden stellen zich in dit kader op het standpunt dat er geen overeenstemming is bereikt over alle voorwaarden. Voor Agriport was het essentieel dat [buurman 1], [buurman 2] en [eiser 1] c.s. de bezwaren zouden intrekken en dat [eiser 1] c.s. hiervan op de hoogte was. Dit betoog kan niet worden gevolgd. Vooropgesteld wordt dat in de overeenkomst van 29 april 2006 die tussen Agriport en [eiser 1] c.s. is gesloten, staat vermeld dat [eiser 1] c.s. vóór 2 mei 2006 de door hem bij de gemeente Wieringermeer ingediende zienswijze en bezwaren zal intrekken en dat hij zich zal onthouden van het indienen van nieuwe zienswijzen en bezwaren met betrekking tot ondernemers die zich willen vestigen in het plangebied. De tekst van deze overeenkomst maakt geen melding van door [buurman 1] en [buurman 2] ingediende bezwaren en zienswijzen. Verder staat vast dat [eiser 1] c.s. de in die overeenkomst bedoelde bezwaren en zienswijzen heeft ingetrokken. Daarnaast is voldoende aannemelijk dat Agriport en [eiser 1] c.s. in februari 2007 niet in onderhandeling zijn getreden over een geheel nieuwe overeenkomst, maar dat zij onderhandeld hebben over de nadere invulling van de overeenkomst die zij in april 2006 sloten. Bovendien blijkt uit de door [eiser 1] c.s. in de dagvaarding weergegeven e-mails dat zij overeenstemming hebben bereikt over essentiële punten zoals de hoogte van de koopsom, het moment van leveren en het stellen van een bankgarantie en dat zij daarnaast via e-mail slechts correspondeerden over de tekst van de overeenkomst en artikel 10 van de conceptovereenkomst.

4.3 Ten aanzien van dat artikel geldt het volgende. [eiser 1] c.s. stelt zich op het standpunt dat [vader van gedaagde 2] uiteindelijk heeft toegezegd dat die bepaling uit het concept moest worden verwijderd. Gedaagden betogen echter dat deze toezegging niet is gedaan en dat, voor zover die toezegging wel is gedaan, [vader van gedaagde 2] niet bevoegd was om Agriport te vertegenwoordigen. Dat die toezegging is gedaan, is wel komen vast te staan. Uit de verklaring van [buurman 1] over het gesprek op 22 februari 2007 blijkt immers dat [vader van gedaagde 2] in dat gesprek heeft toegezegd dat artikel 10 voor zowel [buurman 1] als [eiser 1] c.s. zou komen te vervallen. Aan die toezegging is ten aanzien van [buurman 1] gevolg gegeven, in die zin dat uit de overeenkomst tussen [buurman 1] en Agriport die bepaling daadwerkelijk is verwijderd. Dat die toezegging is gedaan op 22 februari 2007 blijkt ook nog eens uit de verklaring van [buurman 2]. Bovendien wordt het voorgaande bevestigd in de verklaring van [vertegenwoordiger Agriport], werkzaam bij Agriport. [Vertegenwoordiger Agriport] zegt in zijn verklaring immers dat [buurman 1] en [eiser 1] c.s. aangaven zich niet te kunnen verenigen met de onderhavige voorwaarde en dat [vader van gedaagde 2] hierop te kennen gaf dat volgens hem die voorwaarde wel kon komen te vervallen.

4.4 Dat [vader van gedaagde 2] niet bevoegd zou zijn om Agriport te vertegenwoordigen, is echter niet aannemelijk geworden. Vast staat dat [vader van gedaagde 2] de vader is van [gedaagde 2] en dat eerstgenoemde degene is die aanvankelijk contact heeft opgenomen met [eiser 1] c.s.. Verder is niet in geschil dat die gesprekken uiteindelijk tot de overeenkomst van 29 april 2006 hebben geleid. Daarnaast staat vast dat [eiser 1] c.s. in 2007 met [vader van gedaagde 2] in gesprek is gegaan over de aankoop van de onroerende zaak van [eiser 1] c.s. door Agriport, in welke gesprekken onder meer overeenstemming is bereikt over de hoogte van de koopsom. Verder staat vast dat bij de gesprekken in februari 2007, zowel die ten kantore van Agriport als die bij [buurman 2] thuis, [vader van gedaagde 2] aanwezig was. In de door gedaagden overgelegde verklaring van [vader van gedaagde 2] staat vermeld dat laatstgenoemde voor Agriport heeft bemiddeld en dat hij ook bemiddeld heeft tussen Agriport en [eiser 1] c.s., hetgeen tot de overeenkomst in 2006 heeft geleid. Toen achtte Agriport zich klaarblijkelijk wel gebonden aan afspraken die [vader van gedaagde 2] met derden maakte. Ook staat in die verklaring dat bij het laatste gesprek in februari 2007 [eiser 1], [buurman 2], [buurman 1] en [vader van gedaagde 2] aanwezig waren. Indien [vader van gedaagde 2] niet bevoegd zou zijn geweest om Agriport te vertegenwoordigen, dan had het voor de hand gelegen dat tijdens dat gesprek naast [vader van gedaagde 2] iemand van Agriport aanwezig was geweest, hetgeen niet het geval was. Onder deze omstandigheden moet het ervoor gehouden worden dat de rol van [vader van gedaagde 2] veel verder ging dan het enkel bemiddelen en dat [vader van gedaagde 2] dus wel bevoegd was om Agriport te vertegenwoordigen. In ieder geval heeft Agriport de haar toerekenbare schijn gewekt dat [vader van gedaagde 2] haar bevoegdelijk kon vertegenwoordigen.

4.5 Ten slotte is van belang dat niet gebleken is dat de ontbindende voorwaarde zoals is neergelegd in artikel 10 van de conceptovereenkomst eerder in enige bespreking aan de orde is geweest. Bovendien moet die voorwaarde als onredelijk worden aangemerkt. Van [eiser 1] c.s. kan in redelijkheid niet gevergd worden dat hij op welke wijze dan ook bereikt dat [buurman 2] de door hem ingediende bezwaren intrekt, en dat daaraan de verkoop van de onroerende zaak van [eiser 1] c.s. aan Agriport is verbonden. Dat [buurman 1], [buurman 2] en [eiser 1] c.s. in alle gesprekken gezamenlijk optraden, doet daar niet aan af.

4.6 Op grond van al het voorgaande moet het er voor gehouden worden dat tussen [eiser 1] c.s. en Agriport een koopovereenkomst tot stand is gekomen, zonder het hiervoor onder 2.15 weergegeven artikel 10. De vordering van [eiser 1] c.s. tot ondertekening van de overeenkomst wordt daarom tegen Agriport toegewezen. Er bestaat geen aanleiding om daarnaast [gedaagde 2] afzonderlijk tot ondertekening te veroordelen. [gedaagde 2] is weliswaar indirect bestuurder van Agriport maar dat maakt hem nog geen afzonderlijke partij bij de overeenkomst tussen [eiser 1] c.s. en Agriport. Dit laatste brengt tevens met zich dat ook de vordering tot medewerking aan levering tegen [gedaagde 2] wordt afgewezen.

4.7 Ten aanzien van de gevorderde levering geldt dat in de door [eiser 1] c.s. als productie 5 overgelegde overeenkomst is opgenomen dat levering uiterlijk 1 jaar na ondertekening van die overeenkomst of zoveel eerder of later als partijen nader overeenkomen. Het onder (2) door [eiser 1] c.s. gevorderde komt er op neer dat levering op elk door [eiser 1] c.s. binnen die termijn gewenst moment zou kunnen plaatsvinden, zolang [eiser 1] c.s. het moment van levering maar van te voren aan Agriport meedelen. Deze vordering kan niet worden toegewezen, omdat Agriport dan te veel overgeleverd zijn aan de willekeur van [eiser 1] c.s.. Daarom wordt deze vordering op na te melden wijze toegewezen.

4.8 De gevorderde dwangsommen worden gematigd en aan het totaal wordt een maximum gesteld.

4.9 In de omstandigheid dat [eiser 1] c.s. wat betreft het tot stand komen van de overeenkomst grotendeels in het gelijk is gesteld, bestaat er aanleiding om Agriport in de kosten van het geding te veroordelen. Voor een afzonderlijke beslissing omtrent de kosten van [gedaagde 2] is geen plaats, omdat hij zich heeft laten bijstaan door dezelfde advocaat als Agriport en omdat zijn verweer inhoudelijk gelijk is aan dat van Agriport.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- veroordeelt Agriport om op de derde werkdag na betekening van dit vonnis om 15:00 uur te verschijnen ten kantore van Actus Notarissen aan de Dorpsstraat 40a te Obdam en alsdan aldaar de als productie 5 aan de dagvaarding gehechte koopovereenkomst te ondertekenen en tegelijkertijd de dan getekende intrekkingsbrieven die als productie 6 bij de dagvaarding zijn overgelegd, in ontvangst te nemen, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,-- per dag met een maximum van € 750.000,-- dat zij na betekening in gebreke blijft om volledig aan deze veroordeling te voldoen;

- veroordeelt Agriport om uiterlijk 1 jaar na ondertekening van de koopovereenkomst mee te werken aan de levering van het gekochte woonhuis met bedrijfsgebouwen met onder- en bijbehorende grond en verdere aanhorigheden, plaatselijk bekend [postcode en plaats], kadastraal bekend gemeente Wieringermeer [nummer] (groot 65 are 60 centiare) en [nummer] (groot 62 are 30 centiare), zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,-- per dag met een maximum van € 750.000,-- dat zij na betekening in gebreke blijven om aan deze veroordeling te voldoen;

- veroordeelt Agriport in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiser 1] c.s. begroot op € 335,31 aan verschotten en op € 816,-- aan salaris procureur.

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- weigert de meer of anders gevorderde voorziening.

Gewezen door mr. J.M. Vrakking, voorzieningenrechter van de Rechtbank te Alkmaar en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juni 2007 in tegenwoordigheid van

mr. F. Vermeij, griffier.