Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BA5193

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
16-05-2007
Zaaknummer
88655 / HA ZA 06-557
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtmatigheid uitlatingen commissie gemeenteraad

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 407
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

JS/PHL

zaaknummer / rolnummer: 88655 / HA ZA 06-557

datum: 16 mei 2007

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

EISER,

wonende te Den Helder,

eiser bij dagvaarding van 9 juni 2006,

procureur mr. H.R.M. Jenné,

advocaat mr. G.J. Kemper te Amsterdam,

tegen

1.de rechtspersoon GEMEENTE DEN HELDER,

gevestigd te Den Helder,

2. GEDAAGDE 2,

wonende te Den Helder,

3. GEDAAGDE 3,

wonende te Den Helder,

4. GEDAAGDE 4,

wonende te Den Helder,

5. GEDAAGDE 5,

wonende te Den Helder,

6. GEDAAGDE 6,

wonende te Den Helder,

7. GEDAAGDE 7,

wonende te Den Helder,

gedaagden,

procureur mr. A. de Groot,

advocaat mr. J.J. Allen te Amsterdam.

Eiser zal hierna (ook) 'Eiser' genoemd worden . Gedaagde sub 1 zal hierna (ook) 'de Gemeente' genoemd worden en gedaagden sub 2 t/m 7 gezamenlijk 'de Commissie'.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de akte houdende inbreng producties van Eiser;

- de conclusie van antwoord met producties;

- het tussenvonnis van 27 september 2006 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 29 januari 2007;

- de aantekeningen van mr. Kemper;

- het proces-verbaal van comparitie van 29 maart 2007,

- de aantekeningen getiteld 'mondelinge toelichting' van mr. Allen.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 Eiser is tot 1 december 2005 burgemeester van de gemeente Den Helder geweest.

2.2 Op 13 juni 2005 heeft de Gemeenteraad van Den Helder besloten onderzoek te doen naar het bestuurlijk handelen van het college van Burgemeester en Wethouders betreffende de Oude Rijkswerf Willemsoord (hierna: "de ORW"). Daartoe is een raadscommissie aangesteld (hierna: "de Commissie"). Uit zijn midden benoemde de raad gedaagden sub 2 t/m 6 als leden van deze Commissie en gedaagde sub 7 als voorzitter. De Commissie had onder meer tot taak te onderzoeken wat de rol was en is van het College van Burgemeester en Wethouders, en zijn afzonderlijke leden, bij het bestuurlijk handelen aangaande de ORW. En ook op welke wijze invulling gegeven is en moet worden gegeven aan deze rol.

2.3 Op 4 november 2005 heeft de Commissie haar onderzoeksrapport (hierna: "het rapport") uitgebracht. Op die datum is het rapport aan de pers gepresenteerd en heeft gedaagde sub 7 vragen van de pers beantwoord.

2.4 Het rapport vermeldt onder op pagina's 28 en 29 meer:

"De vraag blijft of burgemeester Eiser van de bonussen, maar ook van de bevoorschotting daarvan, eerder heeft geweten dan hij verklaart. (...)

We hebben de indruk gekregen dat de heer Eiser zich diep met uiteenlopende zaken heeft ingelaten op een wijze die niet verwacht wordt van een burgemeester. Het solitaire optreden waarmee hij met X aanvullende afspraken op de SOK heeft gemaakt is volstrekt onacceptabel. (...)

In elk geval toonde hij zich uiteindelijk niet betrouwbaar na door hem gedane toezeggingen over gemeentelijke bijdrage aan de basketbalsponsoring. (...)

Hij handelde niet integer toen zich in het college een sfeer aftekende waarin wethouder Z als de aangever van justitie werd gezien."

2.5 Vanaf 4 november 2005 verschijnen er in de krant artikelen waarin onder andere wordt gemeld dat Eiser in het rapport hard onderuit wordt gehaald, dat Eiser niet integer heeft gehandeld en dat Eiser zich uiteindelijk niet betrouwbaar toonde na door hem gedane toezeggingen over de gemeentelijke bijdrage.

2.6 Het rapport wordt door de gemeenteraad van Den Helder op 16 november 2005 besproken. De conclusie van het rapport worden op hoofdlijnen door de gemeenteraad onderschreven.

3. Het geschil

3.1 Eiser vordert - samengevat - :

1) te verklaren voor recht dat de inhoud van het rapport jegens Eiser onrechtmatig is, voorzover daarin Eiser en diens handelen als "niet integer", "onbetrouwbaar" en "onacceptabel solitair" worden gekwalificeerd en/of dat de wijze van totstandkoming en/of de presentatie van het rapport jegens Eiser onrechtmatig is geweest en/of dat de wijze van totstandkoming van dat rapport op onechtmatige wijze onzorgvuldig jegens Eiser is geweest;

en gedaagden hoofdelijk, althans de Commissie hoofdelijk, althans de Gemeente te veroordelen

2) tot betaling van euro 25.000,- aan Eiser, tegen kwijting, vermeerderd met de wettelijke rente sedert 4 november 2005;

3) tot vergoeding van de door Eiser geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

4) in de kosten van dit geding.

3.2 Eiser heeft aan zijn vordering onder meer het volgende ten grondslag gelegd.

Bepaalde passages in het rapport, gewijd aan de persoon en activeiten van Eiser als burgemeester, zijn jegens hem onrechtmatig. Zij zijn niet of onvoldoende op feiten gebaseerd, ofwel een weergave van interpretaties van gebeurtenissen die eenzijdig en zonder Eiser terzake de gelegenheid te geven zich uit te laten tot stand gekomen.

Daarnaast heeft de voorzitter van de Commissie in zijn toelichting aan de pers zodanig gespeculeerd over mogelijke familiebanden tussen Eiser en BMC dat de indruk is gewekt als zou daarnaar een onderzoek zijn gedaan en het bestaan van familiebanden "niet bewezen" zijn.

3.3 De gemeente en de Commissie voeren verweer. Samengevat stellen zij dat de Commissie zich met vrucht kan beroepen op wettelijke immuniteit. Dit beroep staat ook aansprakelijkheid van de Gemeente in de weg. Van een eigen aansprakelijkheid van de Gemeente is evenmin sprake. Daarnaast is om diverse redenen geen sprake van onrechtmatige uitlatingen. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Allereerst is aan de orde de vraag of het beroep van de Commissie op wettelijke immuniteit slaagt. Het gaat in artikel 22 van de Gemeentewet om uitlatingen gedaan in het kader van beraadslaging ter vergadering van de raad. Geen immuniteit komt toe voor de uitlatingen, gedaan aan een ander dan de (leden van de) raad buiten de raadsvergadering.

In het onderhavige geval is niet in geschil dat de voorzitter van de Commissie, namens de Commissie voorafgaand aan de raadsvergadering de pers te woord heeft gestaan en dat afschriften van het rapport aan de pers zijn verstrekt, hetgeen ook blijkt uit de citaten uit het rapport in de krantenartikelen.

De Commissie kan zich derhalve voor wat betreft haar uitlatingen (in het rapport) niet met succes beroepen op immuniteit. Dit betekent dat de gewone onrechtmatige daad criteria van toepassing zijn.

4.2 Of de uitlatingen van de Commissie kunnen worden toegerekend aan de Gemeente zal de rechtbank beoordelen nadat is vastgesteld of de uitlatingen al dan niet onrechtmatig zijn. Ten aanzien van de eigen aansprakelijkheid van de Gemeente door de gebrekkige informatievertrekking aan de Commissie overweegt de rechtbank het volgende. Eiser maakte tijdens de relevante periode als burgemeester onderdeel uit van het college van burgemeester en wethouders. Voor zover al sprake zou zijn van het door Eiser gestelde, strekt de aldus geschonden niet tot bescherming van Eiser nu deze zich in dat geval als voorzitter van het college van burgemeester en wethouders zelf ook niet naar die norm heeft gedragen.

4.3 Daarmee komt de rechtbank toe aan de beantwoording van de vraag of sprake is van onrechtmatig handelen. Met Eiser is de rechtbank van oordeel dat de scherpe en op de man gerichte kwalificaties "niet integer" "onbetrouwbaar" en "onacceptabel solitair" onvoldoende aansluiten bij de bevindingen van het rapport. Wat betreft het laatste reeds omdat Eiser niet alleen heeft gehandeld, maar namens het college van burgemeester en wethouders als geheel. Wat betreft de kwalificaties over integriteit en betrouwbaarheid omdat deze niet gedragen worden door de aan de motivering ten grondslag gelegde feiten. Gelet echter op de onderbouwing van de Commissie in de context van haar volledige rapport, wat daar verder ook van zij, kan niet gezegd worden dat de Commissie op lichtvaardige wijze beschuldigingen aan het adres van Eiser heeft geuit.

Wel had de Commissie naar het oordeel van de rechtbank op deze drie onderdelen andere bewoordingen moeten bezigen, temeer nu deze beschuldigingen voor een bestuurder harder aankomen dan voor een willekeurig ander persoon. De Commissie heeft te weinig blijk gegegeven van inzicht in die verhoudingen.

Daarmee staat echter nog niet vast dat door het doen van voornoemde uitlatingen er onrechtmatig jegens Eiser is gehandeld. Immers, negatieve uitlatingen die Eiser kunnen schaden zijn niet reeds daardoor onechtmatig jegens hem.

Daarvoor is vereist dat door het doen van deze uitlatingen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting op ontoelaatbare wijze zijn overschreden. Deze vrijheid vindt onder andere bescherming in artikel 10 EVRM, op welk artikel en de daarop gebaseerde jurisprudentie de Commissie zich beroept.

Uit die jurisprudentie valt af te leiden dat bij de belangenafweging aan de vrijheid van meningsuiting zeer veel gewicht wordt toegekend. De vrijheid van meningsuiting strekt zich ook uit tot uitlatingen die kwetsend zijn, zoals de in het geding zijnde uitlatingen van de Commissie. In het onderhavige geval komt daar nog bij dat een open discussie over bestuurlijke aangelegenheden zwaar weegt en van een publieke figuur als een burgemeester verwacht mag worden dat hij zich meer kritiek laat welgevallen dan een niet publiek figuur.

Voorts is het van algemeen belang dat daartoe aangestelde onderzoekers de vrijheid hebben om kritisch te rapporteren. Niet is gesteld of gebleken dat de Commissie haar taak niet naar eer en geweten heeft uitgevoerd. Een en ander leidt tot de conclusie dat de voornoemde kwalificaties in het rapport betreurenswaardig zijn, maar niet onrechtmatig in die zin dat de Commissie aansprakelijk is voor de mogelijk negatieve gevolgen ervan voor Eiser.

De rechtbank komt derhalve niet toe aan de vraag of de uitlatingen van de Commissie kunnen worden toegerekend aan de Gemeente.

4.4 De overige door Eiser aan zijn vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden kunnen niet tot de conclusie leiden dat door de Gemeente en/of de Commissie dermate is gehandeld in strijd met hoor en wederhoor en de in acht te nemen zorgvuldigheid dat sprake is van onrechtmatig handelen jegens Eiser. Van een zelfstandige verplichting tot hoor en wederhoor op alle onderdelen alvorens het rapport te presenteren is evenmin sprake, althans is onvoldoende gesteld daartoe.

Daarbij komt dat voor de inhoud van de verschenen publicaties de Gemeente en/of de Commissie niet aansprakelijk kunnen worden gehouden. In de gegeven antwoorden aan de pers door de voorzitter van de commissie, gedaagde sub 7, is naar het oordeel van de rechtbank ook geen onrechtmatig handelen af te leiden.

4.5 Uit het hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat geen sprake is van een onrechtmatige daad aan de zijde van de Gemeente en/of de Commissie. De gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen. Omdat de door Eiser gestelde grondslag van de gevorderde schadevergoeding en verwijzing naar de schadestaatprocedure ontbreekt, zal ook dit gedeelte van de vordering worden afgewezen.

4.6 Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Daarbij hanteert de rechtbank tarief II, omdat met name de verklaring voor recht onderwerp van geschil is geweest. Aan de voortgezette comparitie na antwoord worden gelet op de inhoud daarvan, geen punten toegekend.

De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af,

veroordeelt Eiser in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente en de Commissie tot op heden begroot op euro 550,- aan verschotten en euro 904,- aan salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.B. Littooy en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2007.