Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BA4645

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
16-03-2007
Datum publicatie
08-05-2007
Zaaknummer
AWB 06/1995
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2008:BD3521, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoofdbewoner weigert medewerking aan huisbezoek. Schending medewerkingsplicht. Risico belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 06/1995 WWB

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. P.J.M. Fens, advocaat te Hoorn,

tegen

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hoorn,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 7 februari 2006 heeft verweerder de aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) afgewezen, omdat eiseres niet heeft voldaan aan de op haar rustende informatie- en medewerkingsverplichting. Tegen deze beslissing heeft eiseres bij brief van 16 februari 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 6 juni 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 7 juli 2006 beroep ingesteld.

De zaak is op 20 februari 2007 ter zitting behandeld. Eiseres is verschenen en werd bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde W.T.M. Schwering, werkzaam bij de gemeente Hoorn.

Motivering

1. De rechtbank moet in deze zaak beoordelen of verweerder terecht en op goede gronden heeft beslist dat eiseres niet in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering omdat zij niet heeft voldaan aan de op haar rustende informatie- en medewerkingsplicht. Het geschil is toegespitst op de vraag of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiseres geweigerd heeft mee te werken aan een huisbezoek.

2. Bij de beoordeling is de volgende regelgeving van belang:

Volgens artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Volgens het tweede lid van deze bepaling is belanghebbende verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Volgens artikel 53a, eerste lid, van de WWB bepaalt het college onverminderd artikel 28, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt.

Volgens het tweede lid van deze bepaling is het college bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand.

2. Verweerder gaat er volgens het besluit van 6 juni 2006 en de gedingstukken van uit dat de door eiseres verstrekte gegevens in de aanvraag en het gegeven dat eiseres tot de risicogroep woonfraude behoort, voldoende aanleiding vormden om een onderzoek in te stellen naar de feitelijke woon- en leefsituatie van eiseres. Van een dringende reden die aan een onmiddellijke uitvoering van een huisbezoek in de weg stond, is niet gebleken. Nu eiseres niet heeft meegewerkt aan het huisbezoek, meent verweerder dat eiseres niet heeft voldaan aan de inlichtingen- en medewerkingverplichting en kan als gevolg hiervan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

3. Eiseres voert in beroep aan dat zij van een weigering om mee te werken aan het door de gemeente gewenste huisbezoek geen sprake is geweest. Eiseres was echter afhankelijk van de medewerking van de hoofdbewoner. De hoofdbewoner wilde uitsluitend zijn toestemming verlenen op de voorwaarde dat de gemeentelijke ambtenaar bereid was in gesprek te gaan over zijn ervaringen met de gemeentelijke sociale dienst. Hieraan is de gemeente voorbij gegaan. Verder voert eiseres aan dat het onderzoek in relatie met het nagestreefde doel onevenredig was. De gemeente was reeds bekend met het feit dat eiseres met de hoofdbewoner en nog een derde bewoner in één kamer sliep. Indien de gemeente beoogde vast te stellen of er sprake was van een economische eenheid, had de gemeente financiële bescheiden van betrokkene kunnen inzien, dan wel inzage kunnen vragen in de financiële administratie van de hoofdbewoner.

4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. Naar aanleiding van de gegevens die eiseres had verstrekt bij haar aanvraag om een WWB-uitkering, is eiseres op 3 januari 2006 uitgenodigd voor een gesprek met de bijstandsconsulent. Tijdens dit gesprek is eiseres op de hoogte gesteld van het beleid dat het afleggen van een huisbezoek onderdeel is van de aanvraagprocedure. Op dezelfde dag is gepoogd een huisbezoek af te leggen bij eiseres, doch niemand werd thuis aangetroffen. Vervolgens is eiseres wederom verzocht zich te melden voor een gesprek met de bijstandsconsulent op 18 januari 2006. Tijdens dit gesprek verklaarde eiseres dat zij geen medewerking kon verlenen aan een huisbezoek, omdat de hoofdbewoner, [hoofdbewoner], eerst zelf met verweerder over zijn omstandigheden wilde praten. Verweerder heeft eiseres vervolgens gewezen op de consequenties van het niet meewerken aan een huisbezoek.

5. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat het de bedoeling was om een onaangekondigd huisbezoek bij eiseres af te leggen. Zoals blijkt uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 22 augustus 1995, gepubliceerd in RSV 1996/86, is het afleggen van een onaangekondigd huisbezoek bedoeld om vast te stellen of een persoon die een uitkering ontvangt daarop al dan niet recht heeft en vormt een dergelijk huisbezoek een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 10, eerste lid, van de Grondwet. Deze inbreuk kan, indien de bijzondere omstandigheden van het geval dit noodzakelijk maken, evenwel gerechtvaardigd zijn op grond van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Ook het bepaalde in artikel 10, eerste lid, van de Grondwet verzet zich daartegen niet. De CRvB heeft deze visie bevestigd in een uitspraak van 7 maart 2005 (gepubliceerd in JB 2005/154) en daarin voorts overwogen dat onder de werking van de Algemene bijstandwet (hierna: Abw) de vereiste wettelijke basis is gelegen in artikel 65, derde lid, van de Abw, en voorts in artikel 66, tweede lid, van de Abw in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Abw. Onder de werking van de WWB bieden de artikelen 17 en 53a van die wet thans de noodzakelijke wettelijke basis.

Voorts heeft de CRvB in de uitspraak van 28 september 1999, gepubliceerd in JABW 1999/64,geoordeeld dat het afleggen van een onaangekondigd huisbezoek een gerechtvaardigde inbreuk vormt op de persoonlijke levenssfeer indien dit noodzakelijk is ter verificatie van de ter voldoening aan de in artikel 65, eerste lid, van de Abw (thans: artikel 17, eerste lid, van de WWB) vervatte informatieplicht verstrekte gegevens. Indien de betrokkene niet of onvoldoende meewerkt aan een noodzakelijk te achten huisbezoek en de betrokkene daarbij gewezen is op de gevolgen daarvan voor het recht op uitkering, is sprake van schending van de in artikel 65, eerste en derde lid, van de Abw (thans: artikel 17, eerste en tweede lid, van de WWB) vervatte informatie- en medewerkingsplicht met als mogelijk gevolg dat het bestaan of voortduren van het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld.

In de uitspraak van 16 april 2002 (gepubliceerd in JABW 2002, 106), ten slotte, heeft de CRvB geoordeeld dat bij de beoordeling of de belanghebbende in een concreet geval verplicht is om mee te werken aan een onderzoek dat inbreuk maakt op zijn persoonlijke levenssfeer, tot uitgangspunt wordt genomen dat deze inbreuk niet onevenredig mag zijn in relatie tot het met het onderzoek van de verlangde gegevens nagestreefde doel en dat dit doel niet op een minder ingrijpende wijze kan worden bereikt.

6. Verweerder acht het afleggen van een huisbezoek bij eiseres noodzakelijk omdat uit de door eiseres verstrekte gegevens is gebleken dat zij behoort tot de groep van inwonende bijstandscliënten, welke groep op grond van ervaringsgegevens als een risicogroep is aangemerkt. Naar oordeel van de rechtbank levert dit een redelijke grond op om van eiseres de medewerking te verlangen teneinde haar feitelijke woonsituatie nader in ogenschouw te nemen. Anders dan eiseres meent, is de rechtbank van oordeel dat verweerder dit niet had kunnen vaststellen op een andere, minder ingrijpende manier, bijvoorbeeld door inzage te vragen in de financiële bescheiden van eiseres dan wel die van de hoofdbewoner, [hoofdbewoner]. Zoals verweerder in het bestreden besluit besluit heeft uiteengezet, was de vraag op welke wijze er met drie personen in één slaapkamer werd geslapen van belang om vast te stellen of eiseres daadwerkelijk hoofdverblijf hield in de opgegeven woning en of met het oog op een eventuele gezamenlijke huishouding er feitelijk sprake was van het verlenen van wederzijdse zorg tussen eiseres en één van de andere bewoners. Verweerder heeft terecht gesteld dat dit niet anders geverifieerd kon worden door de situatie ter plaatse feitelijk te aanschouwen.

7. Nu eiseres de medewerking aan een huisbezoek afhankelijk heeft gemaakt van de eis van de hoofdbewoner dat voorafgaand een gesprek met hem zou worden gehouden, heeft verweerder terecht geoordeeld dat sprake was van een weigering om mee te werken aan het huisbezoek. Het stellen van de voorwaarde heeft immers de facto tot gevolg gehad dat een huisbezoek niet heeft kunnen plaatsvinden. De rechtbank is bovendien van oordeel dat het feit dat eiseres voor het huisbezoek toestemming van de hoofdbewoner moest of wilde hebben, voor haar risico komt. Hierbij wordt overwogen dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat de ervaringen van de hoofdbewoner met de gemeentelijke sociale dienst geen enkel verband hielden met de aanvraag om bijstand van eiseres. Met het stellen van de voorwaarde dat voorafgaande aan een huisbezoek ten behoeve van de aanvraag van eiseres, een gesprek moest worden gevoerd over de omstandigheden van de hoofdbewoner, heeft de hoofdbewoner de mogelijkheid tot het vaststellen van het recht op bijstand van eiseres geblokkeerd. Niet valt in te zien waarom dit verweerder zou moeten worden toegerekend. Van een zeer dringende reden die aan de onmiddellijke uitvoering van een onaangekondigd huisbezoek in de weg stond, is dan ook niet gebleken. De informatie neergelegd in de door eiseres ingebrachte brief van Mentrum geestelijke gezondheidszorg Amsterdam van 13 juli 2005, leveren evenmin dringende redenen op die het niet verlenen van de vereiste medewerking aan een huisbezoek zouden kunnen rechtvaardigen.

8. Nu eiseres niet heeft meegewerkt aan een noodzakelijk geacht huisbezoek en zij door verweerder is gewezen op de mogelijke gevolgen daarvan voor het recht op bijstand, heeft verweerder terecht geoordeeld dat zij de in artikel 17, eerste lid, van de WWB neergelegde inlichtingen- en medewerkingsverplichting heeft geschonden en dat daardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De aanvraag van eiseres is terecht afgewezen.

9. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Onder deze omstandigehden is voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 16 maart 2007 door mr. N.O.P. Roché, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Mercker, griffier.

griffier rechter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden – in elk geval de eisende partij – en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.