Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BA3650

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
18-04-2007
Datum publicatie
24-04-2007
Zaaknummer
84099 / HA ZA 05-1087
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onteigening. Kosten rechtsbijstand, welke de schadeloosstelling overtreffen, gelet op relevante omstandigheden niet binnen redelijke omvang te achten. Toepassing liquidatietarief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

PHL[ 1]

zaak- en rolnummer: 84099 / HA ZA 05-1087

datum: 18 april 2007

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

de PROVINCIE NOORD-HOLLAND,

waarvan de zetel is gevestigd te Haarlem,

EISERES bij dagvaarding van 17 november 2005,

procureur mr. H.R.M. Jenné,

advocaat mr. J.C. Binnerts te Haarlem,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOLLAND BLUMEN MARKT HOLLAND BEHEER B.V.,

gevestigd te Heiloo,

GEDAAGDE,

procureur mr. A. de Groot,

advocaat mr. J.M. Gerretsen en mr. M. Tailleur te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ook "de Provincie" en "Holland Blumen Markt" worden genoemd.

1. HET VERDERE VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Voor het verloop van de procedure tot 1 maart 2006 verwijst de rechtbank naar het tussen partijen gewezen en op die datum uitgesproken tussenvonnis (hierna kortweg het tussenvonnis).

1.2 De plaatsopneming, bepaald door de in het tussenvonnis benoemde rechter-commissaris, is gehouden op 19 april 2006. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

1.3 De deskundige heeft op 13 juli 2006 een ontwerpadvies ter griffie gedeponeerd.

Op 17 oktober 2006 is het deskundigenadvies ter griffie gedeponeerd.

1.4 Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten aan de hand van pleitnotities, de Provincie door mr. M.W. Langhout, waarnemend voor mr. Binnerts voornoemd, en Holland Blumen Markt door mr. M.A.J. Pereira, waarnemend voor mr.Gerretsen voornoemd. De Provincie heeft bij die gelegenheid een op voorhand aan de rechtbank en aan de wederpartij toegezonden productie overgelegd.

1.5 Hierop is de zaak naar de rol verwezen waarna ieder van partijen een akte heeft genomen.

1.6 Ten slotte is vonnis bepaald. De inhoud van al deze stukken geldt als hier ingelast.

2. DE VERDERE BEOORDELING VAN HET GESCHIL

Algemeen

2.1 Het tussenvonnis blijkt op 23 mei 2006 te zijn ingeschreven in de openbare registers, zodat bij het bepalen van de schadeloosstelling van die datum zal worden uitgegaan.

2.2 In het tussenvonnis is het voorschot op de schadeloosstelling vastgesteld op 100% van het aangeboden bedrag, zijnde 60.000,- euro.

2.3 De deskundige heeft het perceel met grondplannummer nummer als bloembollengrond gewaardeerd op 10,-euro/ca. Het perceel met grondplannummer nummer is als matig weiland gewaardeerd op 5,-euro/ca. De deskundige heeft in totaal een schadeloosstelling van 60.990,- euro geadviseerd, te vermeerderen met rente over het bedrag waarmee de schadeloosstelling het voorschot overtreft alsmede te vermeerderen met juridische kosten.

Kern van het geschil

2.4 De aanvankelijk zeer ruime kloof tussen de onderscheidene standpunten met betrekking tot de waarde van de percelen is weliswaar inmiddels aanzienlijk beperkt, maar er resteert nog een geschilpunt over de taxatiegrondslag ten aanzien van het perceel met grondplannummer nummer, welk onteigend perceel deel uitmaakt van de kavel kadastraal bekend als nummer. Dit punt werkt door in het geschil over de inkomensschade.

2.5 De deskundige heeft in zijn advies onder meer de volgende feiten vastgesteld:

Het onteigende, aangeduid met grondplannummer nummer, is een gedeelte van een rechthoekig perceel dat eerder in gebruik is geweest als weiland en mogelijk voor de teelt van bloembollen. Ten tijde van de descente was een en ander moeilijk vast te stellen omdat gedeelten van het perceel begroeid waren met gras en er ook bloembollen opschot in voorkwam. Gedaagde heeft echter na de aankoop in 2003 in het jaar 2004 (op, rb) het perceel nummer voor eigen rekening en ten eigen nutte de teelaarde van het perceel afgegraven, zowel op het onteigende als op een aanzienlijk deel van het overblijvende. Tijdens de descente heeft gedaagde op vragen van deskundige gemeld dat hij de teelaarde van het perceel ontgraven heeft om die aan te wenden op de naastgelegen grote kavel bouwland, waar onder andere het perceel nummer deel van uitmaakt, en daarmede verkavelingswerk op de grote kavel heeft uitgevoerd. Het resultaat van de ontgraving is dat (op, rb) zowel het onteigende als het overblijvende deel nabij de onteigeningsgrens het maaiveld zodanig verlaagd is dat er plassen zijn ontstaan. Volgens gedaagde had men daar iets teveel ontgraven. In de staat waarin het overblijvende door gedaagde als gevolg van de ontgraving gebracht is is het perceel nummer ongeschikt gemaakt voor de teelt van bloembollen en kan slechts beoordeeld worden als matig weiland.

2.6 Holland Blumen Markt heeft aangevoerd, dat het weghalen van de teelaarde is geschied op verzoek van de heer van Schaik namens de Provincie. Voortbouwend op deze stelling heeft Holland Blumen Markt zich op het standpunt gesteld, dat het perceel met grondplannummer nummer hetzij dient te worden gewaardeerd als bollengrond, nu de bestemming een zodanig gebruik toelaat, hetzij als bouwgrond, geschikt voor de Provincie.

2.7 De Provincie heeft dit gemotiveerd betwist. Bij gelegenheid van de pleidooien heeft zij haar betwisting nader onderbouwd door overlegging van een schrijven van ing. G.M. van Schaik, werkzaam bij Houdringe Rentmeesters te Houten, inhoudende dat een verzoek als bovenbedoeld niet is gedaan en dat zelfs bij geen van de besprekingen over dit punt is gesproken.

2.8 Naar het oordeel van de rechtbank is het standpunt van Holland Blumen Markt niet steekhoudend. Hierbij stelt de rechtbank voorop, dat Holland Blumen Markt haar stelling ten aanzien van het door de Provincie gedane verzoek niet heeft geconcretiseerd, laat staan voldoende onderbouwd. Bij gelegenheid van de pleidooien heeft de heer [statutair bestuurder], statutair bestuurder van Holland Blumen Markt, omtrent de feitelijke gang van zaken desgevraagd verklaard: Ik heb in 2004 aan de heer van Schaik gevraagd of de Provincie de teelaarde nodig had. Hij zei dat de Provincie de teelaarde niet nodig had. Ik vroeg of ik de teelaarde mocht weghalen. Van Schaik zei dat dit mocht, omdat de Provincie de teelaarde niet nodig had en anders de teelaarde zelf zou moeten weghalen. Veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van de weergave van deze

- in de herinnering van de heer van Schaik niet voorkomende - dialoog, kan het betoog van Holland Blumen Markt niet slagen. Immers, ook indien de Provincie voordeel heeft van het weghalen van de teelaarde is daarmee niet gegeven dat de waarde van de grond afwijkend dient te worden beoordeeld. Holland Blumen Markt heeft de teelaarde ten eigen nutte verwijderd om aan te wenden voor een naastgelegen grote kavel. De deskundige heeft terecht tot uitgangspunt gekozen, dat niet slechts de planologische gebruiksmogelijkheid maar ook de feitelijke geschiktheid van de grond bij de beoordeling dient te worden betrokken.

Vast staat, dat het hier aan de orde zijnde perceel ongeschikt is gemaakt voor de teelt van bloembollen. Holland Blumen Markt heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld, dat het weghalen van de teeltlaag met de daaruit voortvloeiende gevolgen voor de gebruiksmogelijkheden van de grond en de opbrengst daarvan, ook indien geen sprake is van toedoen van de Provincie, moet worden gezien als rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 15 juli 1998, NJ 1999/427, stelt zij dat het onjuist zou zijn de beslissing tot het weghalen van de teeltlaag voor haar rekening te laten komen.

Naar het oordeel van de rechtbank stond deze beslissing zonder twijfel in enig verband met de te verwachten onteigening. Holland Blumen Markt ziet echter over het hoofd, dat de beslissing tevens verband hield met de door haar bevestigde behoefte aan teelaarde op de naastgelegen grote kavel.Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank het volgende doorslaggevend. Holland Blumen Markt heeft na de aankoop in 2003 van onder meer het perceel nummer in het daarop volgende jaar niet slechts het perceel met grondplannummer nummer - groot 0.76.66 ha. - ontgraven, maar ook het resterende gedeelte van perceel nummer, groot 0.84.94 ha. Hierover heeft Holland Blumen Markt verklaard, dat langere tijd onduidelijk was hoe de grens van het te onteigenen deel zou lopen. De rechtbank stelt vast, dat de bestuurder van Holland Blumen Markt bij gelegenheid van de descente heeft verklaard, dat het tracé met zijn toestemming reeds in 2004 door middel van paaltjes is uitgezet. Nu het overblijvende perceel bij gelegenheid van de descente op 19 april 2006 nog ongewijzigd ongeschikt was voor gebruik als bloembollengrond en ook overigens niet in cultuur was gebracht, kan slechts geconcludeerd worden dat Holland Blumen Markt - ook - het overblijvende gedeelte van perceel nummer om haar moverende redenen in 2004 en nadien niet in gebruik heeft genomen als bloembollengrond. De rechtbank volgt op grond van het bovenstaande de visie van de deskundige.

Waarde van het onteigende

2.9 De deskundige heeft de waarde van de beide onteigende percelen per 23 mei 2006 op basis van de in zijn advies weergegeven uitgangspunten getaxeerd op

2.660,- euro + 38.330,- euro = 40.990,- euro.

2.10 Holland Blumen Markt heeft deze waarde bestreden op grond van haar hierboven weergegeven standpunt, dat ook voor het perceel met grondplannummer nummer gebruik als bloembollengrond uitgangspunt moet zijn. Derhalve dient de waardering van dit perceel niet uit te komen op een bedrag van 38.330,- euro,

maar op tenminste een bedrag van 76.660,- euro.

2.11 De Provincie kan zich vinden in de waardering door de deskundige.

2.12 Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor omtrent de kern van het geschil is overwogen komt de rechtbank tot het oordeel, dat de taxatie van de deskundige niet op goede gronden is bestreden. De rechtbank sluit zich bij het oordeel van de deskundige aan.

2.13 Waardevermindering van het overblijvende

2.14 De Provincie acht de door de deskundige begrote waardedaling van het overblijvende, zijnde 2,- euro per centiare, gelet op de geringe aanwendingsmogelijkheden te hoog.

2.15 De deskundige heeft, zowel in zijn advies als in zijn toelichting ten pleidooie, gemotiveerd uiteengezet dat de waardevermindering overeenkomt met de ernst van de aantasting van het perceel. Immers, een goedgevormd - zij het ontgraven - en goed gelegen perceel is na de onteigening tengevolge van de bijna diagonale doorsnijding met onregelmatige begrenzing en door verkleining gewijzigd in een zeer onaantrekkelijk object. De rechtbank constateert, dat de Provincie heeft nagelaten haar standpunt tegenover de goed gemotiveerde benadering van de deskundige nader te onderbouwen. De rechtbank kan zich vinden in het oordeel van de deskundige en maakt dat oordeel tot het hare.

Inkomensschade

2.16 Holland Blumen Markt heeft zich op het standpunt gesteld dat ook buiten de snijschade sprake is van gederfd inkomen, aangezien zij het perceel nummer op verzoek van de Provincie niet heeft beteeld. Deze schade is daarom een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening, aldus Holland Blumen Markt.

2.17 De deskundige heeft geadviseerd de inkomensschade te stellen op nihil.

Wat betreft beide onteigende percelen geldt dat de inkomensschade van Holland Blumen Markt volledig gecompenseerd wordt door de rente-opbrengst van het vrijkomende kapitaal ten bedrage van 40.990,- euro. Wat betreft de overblijvende percelen acht de deskundige de schade voor het overblijvende van perceel nummer zeer beperkt en voor het overblijvende van perceel nummer bij voortgezette exploitatie aanzienlijk. Deze schade wordt echter volledig gecompenseerd door de rente-opbrengst van het bedrag der waardevermindering ad 17.500,- euro.

Op deze onderdelen is het advies van de deskundige niet bestreden. De door Holland Blumen Markt gestelde schade wegens het niet betelen is door de deskundige buiten beschouwing gelaten waartoe de deskundige, naast hetgeen in rechtsoverweging 2.5 is weergegeven, nog heeft overwogen dat perceel nummer in de periode tussen de ontgraving in het eerste halfjaar 2004 tot de peildatum niet slechts ongeschikt is geweest voor de teelt van bloembollen maar dat evenmin het overblijvende gedeelte geschikt is gemaakt voor andere doeleinden.

2.18 Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor omtrent de kern van het geschil is overwogen is de rechtbank van oordeel, dat de benadering van de deskundige niet op steekhoudende wijze is bestreden. De rechtbank volgt derhalve het oordeel van de deskundige.

Drainagekosten

2.19 De deskundige heeft de kosten van het aanpassen van de bestaande drainage begroot op 2.500,- euro. Dit onderdeel van het advies is niet bestreden en wordt door de rechtbank overgenomen.

Aanleg ontsluiting van het overblijvende van perceel nummer

2.20 Als tweede onderdeel van de bijkomende schade heeft de deskundige genoteerd de door de onteigening vervallen uitweg op de Noordervaart. De deskundige heeft gememoreerd de door de Provincie bij gelegenheid van de descente gedane toezegging om de vervallen uitweg op haar kosten te vervangen op de wijze als weergegeven in de situatietekening nr. nummer. Gelet hierop stelt de deskundige dit onderdeel van de bijkomende schade op nihil.

2.21 Bij gelegenheid van de pleidooien heeft de raadsman van de Provincie desgevraagd bevestigd, dat de Provincie deze toezegging gestand zal doen. De rechtbank zal, gelet op het bovenstaande, verstaan dat de Provincie overeenkomstig haar toezegging op eigen kosten zal overgaan tot vervanging van de vervallen uitweg op de Noordervaart. De bijkomende schade wordt op dit onderdeel begroot op nihil.

Schadeloosstelling

2.22 Afgezien van de hierna te noemen rentepost alsmede de kosten van juridische bijstand bedraagt de schadeloosstelling op grond van het voorgaande in totaal een bedrag van 60.990,- euro. In het tussenvonnis is het voorschot op de schadeloosstelling bepaald op een bedrag van 60.000,- euro. Aldus resteert aan schadeloosstelling een bedrag van 990,- euro.

Rente

2.23 De deskundige heeft het nadeel, dat Holland Blumen Markt lijdt doordat zij na de onteigening niet direct over de gehele schadeloosstelling heeft kunnen beschikken, begroot op 3% van het verschil tussen schadeloosstelling en voorschot. De rechtbank zal deze begroting als zijnde onbestreden overnemen en derhalve de rentevergoeding bepalen op 3% over een bedrag van 990,- euro met ingang van 23 mei 2006 tot aan de dag van dit eindvonnis. Daarnaast is ingevolge artikel 55 lid 3 Onteigeningswet met ingang van heden de wettelijke rente verschuldigd over het voorgaande.

Proceskosten en andere kosten van rechtsbijstand

2.24 Nu het bedrag van de toe te kennen schadeloosstelling hoger is dan het bij dagvaarding aangeboden bedrag, dienen de kosten van de procedure waaronder de kosten van de deskundige(n) te laste van de Provincie te worden gebracht. De rechtbank heeft de kosten van de deskundige, inclusief de advieskosten van de door de deskundige ingeschakelde onteigeningsdeskundige ad 630,- euro en inclusief omzetbelasting, conform de declaratie begroot op een bedrag van 9.079,70 euro.

2.25 Met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand aan Holland Blumen Markt bestaat een geschil tussen partijen. Bij gelegenheid van de pleidooien heeft Holland Blumen Markt een drietal declaraties overgelegd tot een beloop van 70.145,06 euro. Blijkens de bijgevoegde urenverantwoording is de rechtsbijstand aangevangen op 21 november 2005, derhalve na de datum van dagvaarding.

De Provincie heeft de haar geboden gelegenheid benut om zich uit te laten over deze kostenpost. Hierbij heeft de Provincie zich op het standpunt gesteld, dat de kosten niet binnen redelijke omvang zijn gebleven. Zij betoogt daartoe, dat het declareren van 250 uren door vijf advocaten niet in verhouding staat tot de werkzaamheden welke in een eenvoudige onteigeningszaak noodzakelijk zijn.

De Provincie verzoekt toepassing van het liquidatietarief, waarbij de pleidooien van 13 februari 2006 buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten nu Holland Blumen Markt in het ongelijk is gesteld met betrekking tot de vervroegde onteigening. Holland Blumen Markt heeft ten pleidooie betoogd, dat de principekwestie van de verwijderde teeltlaag heeft geleid tot verhoudingsgewijs hoge kosten. Bij antwoordakte heeft zij hieraan toegevoegd dat de Provincie eerst na en tengevolge van het inschakelen van juridische bijstand door Holland Blumen Markt is overgegaan tot het onderbouwen van haar waardering van de percelen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Provincie met recht en reden bezwaar gemaakt tegen de hoogte van deze kostenpost. Het verschil tussen de aangeboden schadeloosstelling en de nu vast te stellen schadeloosstelling bedraagt 990,- euro. De gedeclareerde kosten belopen 70.15,06 euro. Dit laatste bedrag is derhalve buitensporig hoog, zowel vergeleken met het bereikte resultaat als vergeleken met de schadeloosstelling voor het onteigende (60.990,- euro).Weliswaar is het uitgangspunt in onteigeningszaken, dat de onteigende partij aanspraak heeft op volledige vergoeding van de werkelijke kosten, maar deze kosten dienen naar vaste rechtspraak binnen redelijke omvang te blijven. Nu dit reeds op grond van de voorgaande constatering niet het geval lijkt te zijn, dient te worden onderzocht of hier sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de zaak feitelijk of juridisch zeer complex te noemen is. De overgelegde urenverantwoording doet dit vermoeden, aangezien vele uren zijn toegekend aan interne communicatie binnen het team van advocaten dat aan deze zaak heeft gewerkt alsmede aan studie van literatuur en jurisprudentie. Het geschil tussen partijen is in essentie een eenvoudige onteigeningszaak. Het betreft de waardering van twee kleine percelen landbouwgrond zonder bebouwing. Het debat tussen partijen kende twee complicaties. In de aanvang van de procedure zijn pleidooien bepaald, aangezien Holland Blumen Markt zich tegen de vervroegde onteigening had verweerd, stellende dat serieus minnelijk overleg achterwege was gebleven. Vervolgens is met name gedebatteerd over de hiervoor besproken kwestie van de verwijderde teeltlaag. Met betrekking tot beide kwesties is Holland Blumen Markt in het ongelijk gesteld. Weliswaar ziet de rechtbank hierin geen aanleiding tot toepassing van het bepaalde in artikel 50 lid 3 Onteigeningswet, maar evenmin kan in redelijkheid worden geconcludeerd dat de door Holland Blumen Markt opgeworpen "principekwesties" - waarin zij in het ongelijk is gesteld - behoren te leiden tot vergoeding van buitenproportionele, niet aan de eenvoud van de zaak gerelateerde, kosten.Evenmin kan hiervoor een rechtvaardiging worden gevonden in de volgens Holland Blumen Markt aanvankelijk niet transparante waardebepaling door de Provincie. Immers, veronderstellenderwijs uitgaand van de juistheid van dit verwijt, zou dit slechts kunnen leiden tot de conclusie dat Holland Blumen Markt genoopt was zich van rechtsbijstand te voorzien. De redelijkheid daarvan is echter niet door de provincie betwist en ook de rechtbank gaat daarvan uit. Nu de in rekening gebrachte kosten volstrekt niet binnen redelijke omvang zijn gebleven, zal de rechtbank de kosten van rechtsbijstand berekenen aan de hand van het liquidatietarief in onteigeningszaken van de Nederlandse orde van advocaten.

De rechtbank ziet in het falen van het verweer tegen de vervroegde onteigening onvoldoende aanleiding om de eerste pleitzitting buiten beschouwing te laten.

Op grond van het voorgaande begroot de rechtbank de voor vergoeding in aanmerking komende kosten op (7 punten x 894,- euro) 6.258,- euro.

3. DE BESLISSING

De rechtbank:

Bepaalt de schadeloosstelling wegens de onteigening van de in het tussenvonnis omschreven percelen op 60.990,- euro.

Veroordeelt de Provincie tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Holland Blumen Markt te betalen een bedrag van 990,- euro (zegge: negenhonderdnegentig euro), zijnde het bedrag waarmee de schadeloosstelling het door de Provincie betaalde voorschot te boven gaat.

Veroordeelt de Provincie tot betaling van rente over het bedrag van 990,-, euro en wel vanaf 23 mei 2006 tot heden tegen 3% per jaar en vanaf heden tot de dag der algehele voldoening tegen het percentage van de geldende wettelijke rente.

Verstaat dat de Provincie haar toezegging gestand zal doen om op eigen kosten de in rechtsoverweging 2.20 genoemde uitweg op de Noordervaart te vervangen, en veroordeelt haar - voorzover nodig - daartoe.

Verwijst de Provincie in de kosten van het geding, tot heden aan de zijde van Holland Blumen Markt begroot op (222,- euro aan griffierecht + 381,14 euro voor kadastrale recherche =) 603,14 euro aan verschotten en op 6.258,- euro aan rechtskundige bijstand.

Veroordeelt de Provincie tot voldoening van de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundige, tot heden begroot op 9.079,70 euro.

Wijst het Noord-Hollands Dagblad aan als het nieuwsblad, waarin dit vonnis binnen acht dagen nadat het gezag van gewijsde heeft gekregen door de griffier bij uittreksel zal worden geplaatst.

Dit vonnis is gewezen door mrs. P.H.B. Littooy, E.M. van der Linde en J.S. Reid en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 18 april 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.