Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BA2718

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
12-04-2007
Datum publicatie
12-04-2007
Zaaknummer
94157 / KG ZA 07-90
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verhuurder eist ontruiming van de woning omdat de huurder overlast zou veroorzaken. De voorzieningenrechter weigert de gevorderde ontruiming, omdat de gestelde overlast niet voldoende aannemelijk is geworden. De voorzieningenrechter kan daarom niet met voldoende mate van waarschijnlijkheid vaststellen dat de bodemrechter een vordering tot ontruiming van het gehuurde zal toewijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

NB / HW[ 1]

KG nummer: 94157 / KG ZA 07-90

datum: 12 april 2007

Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding

in de zaak van:

de stichting STICHTING VESTIA GROEP,

statutair gevestigd te Rotterdam en kantoor houdende te Nieuwerkerk aan den IJssel,

eiseres in kort geding bij dagvaarding van 26 maart 2007,

procureur mr. J. Tophoff,

advocaat mr. S.A. den Engelsen te Rotterdam,

tegen:

1. [Gedaagde 1],

2. [Gedaagde 2],

beiden wonende te Enkhuizen,

gedaagden in kort geding,

procureur mr. L.A. Utrillas Zechner.

Eiseres zal verder worden genoemd "Vestia", en gedaagden ieder afzonderlijk "[gedaagde 1] " en "[gedaagde 2]" en tezamen "[gedaagden 1 en 2]".

1. Het verloop van het geding

Ter terechtzitting van 3 april 2007 heeft Vestia gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

[Gedaagden 1 en 2] heeft de vordering bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van de zijde van Vestia de originele dagvaarding en van beide zijden pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

2. De uitgangspunten

2.1 [Gedaagden 1 en 2] huurt sedert 29 april 2005 krachtens schriftelijke huurovereenkomst voor onbepaalde tijd van Vestia de woning aan de [adres 1] te Enkhuizen. Van de huurovereenkomst maken algemene voorwaarden deel uit.

In artikel 13 lid 4 van die voorwaarden is bepaald dat de huurder ervoor zal zorg dragen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt.

2.2 Op 1 december 2006 heeft mevrouw [buurvrouw], huurster van de woning aan de [adres 2] te Enkhuizen, aangifte bij de politie gedaan tegen [gedaagde 2] wegens mishandeling.

2.3 Bij brief van 27 december 2006 heeft Vestia [gedaagden 1 en 2] bericht dat zij regelmatig klachten van overlast ontvangt en hun dringend geadviseerd om welke vorm van overlast dan ook onmiddellijk te stoppen.

2.4 Vestia heeft op 6 februari 2007 formulieren voor het melden van overlast onder al haar huurders aan het [straatnaam] verspreid.

2.5 Op 22 februari 2007 heeft een vechtpartij plaatsgevonden tussen [gedaagde 1] en de heer [buurman], huurder van de woning aan de [adres 3] te Enkhuizen. De dag daarop heeft [buurman] aangifte gedaan tegen [gedaagde 1] wegens (zware) mishandeling en bedreiging met de dood. [Gedaagde 1] heeft op zijn beurt op 27 februari 2007 aangifte van mishandeling gedaan tegen [buurman].

3. De vordering en de standpunten van partijen

3.1 Vestia vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, - kort gezegd - [gedaagden 1 en 2] te veroordelen om met onmiddellijke ingang het gehuurde te ontruimen en te verlaten, met veroordeling van [gedaagden 1 en 2] in de proceskosten.

3.2 Vestia stelt hiertoe, zakelijk samengevat, dat [gedaagden 1 en 2] overlast veroorzaakt. Deze overlast bestaat uit het veroorzaken van geluidsoverlast door het bouwen van een duivenhok, er ligt duivenpoep van de duiven van [gedaagden 1 en 2] in de tuinen van andere huurders, het uiten van bedreigingen, beschuldigingen en schelden richting omwonenden, mishandeling, het klemrijden van een buurtbewoner en intimidatie. Vestia wijst hiertoe op de overgelegde meldingen van andere huurders.

De overlast is op 22 februari 2007 geëscaleerd, toen [gedaagde 1] [buurman] heeft mishandeld en met de dood bedreigd. Gelet op het vorenstaande gedraagt [gedaagden 1 en 2] zich niet als een goed huurder en handelt zij bovendien in strijd met de huurovereenkomst. De ernst van de overlast rechtvaardigt de gevorderde ontruiming, alles aldus Vestia.

3.3 [Gedaagden 1 en 2] bestrijdt de door Vestia genoemde klachten. Zij meent dat de leden van het buurtcomité, dat is gevormd ter gelegenheid van het 650-jarig bestaan van Enkhuizen, hen proberen weg te krijgen uit de buurt. [Gedaagden 1 en 2] is in mei 2006 namelijk in conflict gekomen met het comité, waarna de leden het woongenot van [gedaagden 1 en 2] ondermijnen. [Gedaagden 1 en 2] wijst erop dat de meldingen van klachten ook alle afkomstig zijn van leden van het comité. Ten slotte bestrijdt [gedaagde 1] dat hij de vechtpartij met [buurman], ook lid van het comité, is begonnen. Op het verweer van [gedaagden 1 en 2] zal bij de gronden van de beslissing, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4. De gronden van de beslissing

4.1 Vestia legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagden 1 en 2] overlast veroorzaakt jegens andere omwonenden, op grond waarvan ontruiming van het gehuurde op korte termijn gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een dergelijke verstrekkende vordering in kort geding in beginsel alleen kan worden toegewezen indien in voldoende mate komt vast te staan dat deze ook in de bodemprocedure zal worden toegewezen.

4.2 Vestia heeft gesteld dat [gedaagde 2] twee buurtbewoners heeft mishandeld. Zij heeft hiertoe verwezen naar het proces-verbaal van aangifte van mevrouw [buurvrouw] en ter zitting meegedeeld dat ook mevrouw Postma op korte termijn (alsnog) aangifte zal doen. [Gedaagde 2] heeft de gestelde mishandelingen bestreden en onweersproken aangevoerd dat zij naar aanleiding van de (eerstgenoemde) aangifte nimmer is gehoord door de politie. Ten aanzien van deze vermeende mishandelingen lopen de meningen derhalve uiteen, zodat op dit punt nader feitenonderzoek verricht zal moeten worden, waarvoor in deze procedure geen plaats is. De gegrondheid van deze aantijgingen kan in deze procedure derhalve niet worden vastgesteld.

4.3 Vestia heeft voorts gewezen op de klachten van omwonenden, waaruit volgens haar blijkt dat [gedaagden 1 en 2] zich schuldig maken aan het uitschelden en bedreigen van buurtbewoners. Vestia heeft hiertoe verwezen naar de formulieren die de heer [buurman], mevrouw [omwonende 1] en de heer [omwonende 2] in het kader van de overlastenquête hebben ingevuld. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

4.4 Bij brief van 21 februari 2007 heeft Vestia [gedaagden 1 en 2] geïnformeerd over de uitslag van de enquête die zij onder haar huurders aan de [straatnaam] te Enkhuizen heeft uitgezet. Uit die brief blijkt dat 25 bewoners naar Vestia hebben gereageerd, en dat 9 daarvan hebben aangegeven zonder enige vorm van overlast te wonen. De andere klachten gingen, zo blijkt uit de brief, (voor zover hier van belang) over het ervaren van overlast en onheus gedrag van verschillende bewoners onderling, in velerlei soorten en op verschillende delen van het park. Dit impliceert dat Vestia niet alleen klachten over [gedaagden 1 en 2] heeft ontvangen, maar ook over andere huurders. Vestia heeft echter slechts de drie meldingen overgelegd, waarin wordt geklaagd over [gedaagden 1 en 2]. De overige meldingen die zij heeft ontvangen zijn niet in het geding gebracht. Hierdoor kan niet worden beoordeeld over welke andere huurders en in welke mate van overlast is geklaagd. Zo kan de stelling van [gedaagden 1 en 2], dat juist de leden van het buurtcomité over hem klagen terwijl zij zelf overlastveroorzakend gedrag vertonen, niet geverifieerd worden. Dit betekent dat de voorzieningenrechter niet kan beoordelen in welk perspectief de klachten over [gedaagden 1 en 2] geplaatst dienen te worden. Om deze reden zal aan deze gestelde overlast als onvoldoende onderbouwd voorbijgegaan worden.

4.5 Vestia verwijt [gedaagden 1 en 2] dat zij een illegale volière in haar tuin heeft geplaatst en dat haar buren overlast ondervinden van duivenpoep. [gedaagden 1 en 2] heeft ter zitting echter onweersproken gesteld dat meerdere buurtbewoners een illegaal bouwsel in de tuin hebben geplaatst en gemotiveerd uiteengezet dat zijn duiven alleen in het hok verblijven, zodat van overlast van duivenpoep geen sprake kan zijn. Hierop heeft Vestia niet meer gereageerd, zodat van de juistheid van dit verweer zal worden uitgegaan.

4.6 Ten slotte heeft Vestia aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde 1] de [buurman] ernstig heeft mishandeld. Vast staat dat op 22 februari 2007 een vechtpartij heeft plaatsgevonden tussen [gedaagde 1] en [buurman], waarbij beiden zeggen letsel te hebben opgelopen. Om te beoordelen of de mishandeling door [gedaagde 1] de gevorderde ontruiming rechtvaardigt, is de toedracht van de vechtpartij, waarover partijen van mening verschillen, van belang. Het enkele feit dat [gedaagde 1] betrokken is geweest bij de vechtpartij levert namelijk nog geen grond voor beëindiging van de huurovereenkomst met zich mee, nu gesteld noch gebleken is dat Vestia deze consequentie ook aan [buurman] wenst op te leggen.

4.7 Uit het proces-verbaal van aangifte blijkt dat de toedracht volgens [buurman] als volgt was. Nadat [buurman] zijn auto had geparkeerd liep hij in de richting van de uitgang van de parkeerplaats. Opeens kwam [gedaagde 1] achter een geparkeerd busje vandaan en sloeg hij meteen met zijn vuist in het gezicht van [buurman], waarna [gedaagde 1] gedurende ongeveer tien minuten op [buurman] bleef inslaan en schoppen.

[Gedaagde 1] heeft een andere versie op het voorval. Volgens hem zag hij [buurman] aankomen op de parkeerplaats en heeft hij [buurman] gevraagd wanneer hij en het comité eens zouden ophouden met het demoniseren van zijn gezin. [Buurman] zei daarop "dat maken we zelf wel uit", liep op [gedaagde 1] af en sloeg met zijn vuist op de mond van [gedaagde 1]. Vervolgens heeft [gedaagde 1] teruggeslagen en is de vechtpartij ontstaan, aldus [gedaagde 1].

4.8 De verklaringen van [buurman] en [gedaagde 1] staan lijnrecht tegenover elkaar. Vestia heeft weliswaar gesteld dat het verhaal van [buurman] wordt ondersteund door een verklaring van een getuige, een zekere [getuige], maar er is geen verklaring van deze getuige in het geding gebracht, zodat hieraan voorbijgegaan zal worden. Er zal een nader feitenonderzoek dienen plaats te vinden naar de toedracht van de vechtpartij, waarvoor in de onderhavige procedure geen plaats is. Derhalve kan niet vastgesteld worden of [gedaagde 1] de vechtpartij is begonnen, dan wel uit zelfverdediging heeft gehandeld.

4.9 Ook het door Vestia overgelegde politierapport kan haar niet baten. In dit rapport wordt namelijk slechts melding gemaakt van de hiervoor genoemde aangiftes alsmede van drie anonieme meldingen van bedreiging door [gedaagde 1]. Nu niet vermeld is wie die melders zijn, kan niet vastgesteld worden of dit juist de drie klagers over [gedaagden 1 en 2] zijn, dan wel andere bewoners.

4.10 Gelet op het vorenstaande is in dit geding de vermeende overlast niet voldoende aannemelijk geworden en kan derhalve niet met voldoende mate van waarschijnlijkheid worden vastgesteld dat de bodemrechter een vordering tot ontruiming van het gehuurde zal toewijzen.

4.11 Dit zou anders kunnen worden, indien - bijvoorbeeld na een voorlopig getuigenverhoor - alsnog voldoende komt vast te staan dat de aan de gestelde overlast ten grondslag liggende feiten inderdaad bestaan. Die feiten leveren namelijk - indien bewezen - voldoende grond op voor de gevorderde ontruiming.

4.12 Gelet op het vorenstaande wordt de gevorderde voorziening geweigerd, met veroordeling van Vestia, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten aan de zijde van [gedaagden 1 en 2]

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- weigert de gevorderde voorziening;

- veroordeelt Vestia in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [gedaagden 1 en 2] begroot op € 251,- aan verschotten en op € 816,- aan salaris procureur;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Gewezen door mr. H. Warnink, voorzieningenrechter van de Rechtbank te Alkmaar en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2007 in tegenwoordigheid van mr. N. Boots, griffier.

[ 1]Initialen concipiënt