Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BA2413

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
20-03-2007
Datum publicatie
06-04-2007
Zaaknummer
14.010531-04-O
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer : 14.010531-04-O

Datum uitspraak: 20 maart 2007.

TEGENSPRAAK

V O N N I S EX ARTIKEL 36E VAN HET WETBOEK VAN STRAFRECHT van de rechtbank Alk-maar, Meer-voudige Kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[veroordeelde],

Adres: [adres],

veroordeeld in eerste aanleg bij vonnis van deze rechtbank en kamer van 29 november 2005, hierna te noemen [veroordeelde].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terecht-zittingen van 14 november 2005, 9 juni 2006 en 15 januari 2007.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, van de op de vordering betrekking hebben-de stukken (waaronder het strafdossier) en van hetgeen namens [veroordeelde] en zijn raadsman mr. A. Moszkowicz naar voren is ge-bracht.

1. DE VORDERING

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 27 september 2005 gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht zal vaststellen op € 851.238,18 en aan [veroordeelde] de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De vordering baseert de officier van justitie kennelijk op de feiten welke bij vonnis van de rechtbank van 29 november 2005 bewezen zijn verklaard en waarvoor [veroordeelde] bij genoemd vonnis is veroordeeld alsmede op soortgelijke feiten.

Bij de conclusie van repliek d.d. 28 februari 2006 en bij nadere conclusie d.d. 18 december 2006 heeft de officier van justitie de vordering gematigd en gesteld op € 639.595,06 subsidiair € 638.519,63.

2. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank van 14 november 2005.

Bij schrijven van 2 november 2005 is door de rechtbank aan de raadsman bericht dat de rechtbank op de terechtzitting van 14 november 2005 een schriftelijke voorbereiding zal gelasten als bedoeld in artikel 511d onder 1 Sv waardoor de terechtzitting van 14 november 2005 het karakter zal hebben van een regiezitting alsmede dat de rechtbank voornemens is op deze regiezitting behandeling van de zaak aan te houden tot een nadere datum.

Ter terechtzitting van 14 november 2005 is door de rechtbank de schriftelijke voorbereiding gelast als hiervoor bedoeld

Door de officier van justitie is de zaak opnieuw aangebracht ter terechtzitting van 27 april 2006. Op deze zitting heeft geen behandeling van de zaak plaats gevonden in verband met ziekte van de officier van justitie.

De eerstvolgende zitting is bepaald op 9 juni 2006. Op genoemde zitting was aan de orde een verzoek van de verdediging tot het horen van een vijftal getuigen. De rechtbank heeft het verzoek tot het horen van de door de verdediging genoemde getuigen afgewezen. De rechtbank was op genoemde zitting van oordeel dat een nader strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in artikel 511d leden 2 en 3 Sv noodzakelijk was en heeft het onderzoek ter terechtzitting geschorst voor onbepaalde tijd en de stukken daartoe in handen van de officier van justitie gesteld. De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 15 januari 2007, mede aan de hand van de door de officier van justitie en de verdediging ingebrachte stukken.

Op deze zitting is de zaak op tegenspraak behandeld.

De raadsman heeft verweer gevoerd overeenkomstig de door hem ter terechtzitting van 15 januari 2007 overgelegde pleitnotities. De officier van justitie heeft gepersisteerd bij haar gewijzigde vordering. Vervolgens is de uitspraak bepaald op 20 maart 2007.

3. ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE

Door de raadsman van verdachte is ter terechtzitting en in de Conclusie van Antwoord d.d. 30 januari 2006, de Conclusie van Dupliek d.d. 31 maart 2006 en de Aanvullende Conclusie d.d. 30 november 2006 nadrukkelijk aangevoerd dat voor de weerlegging van de stellingen van de officier van justitie [veroordeelde] de beschikking zou moeten hebben over de administratie van de vennootschappen, die tot de Flandria organisatie behoorden.

In de pleitnota heeft de raadsman met betrekking tot het ontbreken van delen van de administratie - onder meer - het volgende aangevoerd:

Flandria BV was een behoorlijk grote onderneming. Gezien de perikelen rond de (aanvullende) financiering, de participatie casu quo overname door Nikon - naar het oordeel van de rechtbank doelt de raadsman kennelijk op het bedrijf Inca, importeur van Canon-produkten -, het faillissement van de BV, het faillissement van [veroordeelde] in privé, het beslag in de strafzaak en vervolgens de overname van bedrijfsonderdelen door [betrokkene 1], moet het er voor worden gehouden dat de administratie uiteindelijk niet meer in de staat verkeerde, als waarin hij verkeerde toen al deze problemen zich nog niet hadden voorgedaan. Vergelijk bijvoorbeeld dat hetgeen naar [betrokkene 1] is overgegaan min of meer "op zolder" in twee filialen was opgeslagen. (…)[veroordeelde] heeft tijdens zijn politieverhoren aangegeven dat hij zich bij verhoren zou willen bedienen van stukken uit de administratie.(…) Overigens, de "inequality of arms" wordt wel duidelijk geïllustreerd als de rechtbank het verzoek van de verdediging om [getuige 1] en de curator (mr. Breederveld) als getuige te horen afwijst, de rechtbank wel een nader financieel onderzoek gelast en de politie in het kader van dat onderzoek wel overgaat tot het horen van [getuige 1] en de (assistent-) curator, zonder dat de verdediging gelegenheid krijgt om deze verhoren bij te wonen.(…)

[Getuige 1] heeft ten overstaan van verbalisant Fokkinga verklaard "Ik heb een gedeelte van de administratie van Flandria BV via de curator gekregen.

[Veroordeelde] is ook bij mij geweest om de administratie van Flandria op te halen, maar dat heb ik niet gegeven want dan wil ik eerst schriftelijke toestemming van de curator zien. Ik moet namelijk de administratie aan de curator kunnen overhandigen als hij daarom vraagt". Die laatste uitlating is van betekenis daar waar het de vraag betreft wie verantwoordelijk is voor het beheer van de administratie. Met het faillissement en de inmenging van de curator is het beheer en daarmee de verantwoordelijkheid zonder meer overgegaan.(…)

De stelling dat er in de administratie ontlastende gegevens zouden zijn aan te treffen, is niet gelogenstraft. En het feit dat de administratie niet meer compleet is, althans niet meer compleet is te ontsluieren kan niet per definitie aan cliënt worden toegerekend, ook al rust op hem een functionele verantwoordelijkheid uit anderen hoofde. Ik kan tegenover de becijfering van het voordeelsbedrag geen andere becijfering plaatsen, terwijl dat normaal gesproken van de verdediging wel zou kunnen worden gevergd.

Hoewel dit door de verdediging niet expliciet wordt gesteld, zal de rechtbank dit verweer opvatten als een beroep op handelen in strijd met artikel 6 EVRM, door welk vormverzuim bij het voorbereidend onderzoek geen sprake zou zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet, als bedoeld in artikel 359a lid 1 Sv. Aangezien de rechtbank ambtshalve een onderzoek moet doen naar de ontvankelijkheid van de officier van justitie, zal de rechtbank dit verweer in het kader van dit onderzoek bespreken.

De officier van justitie heeft met betrekking tot dit verweer het volgende opgemerkt in haar Nadere Conclusie d.d. 18 december 2006:

Vooropgesteld dient te worden dat [veroordeelde], in de periode dat hij directeur/aandeel- houder was van Flandria BV, zelf verantwoordelijk was voor het voeren van een deugdelijke bedrijfsadministratie. Bovendien was [veroordeelde] als bestuurder van Flandria BV verplicht de administratie van de BV gedurende de wettelijk vastgelegde periode van zeven jaren te bewaren. Zie ook de verklaring d.d. 17 augustus 2006 van de assistent curator in het faillissement van Flandria BV, [betrokkene 2].

[Betrokkene 2] heeft verklaard dat de bedrijfsadministratie tijdens de surseance van betaling en het faillissement aanwezig is gebleven in het kantoor van Flandria BV aan de Hamsterkoog te Alkmaar. Vervolgens is het overgrote deel van de winkelinventaris van de filialen van Flandria BV en de aanwezige voorraad verkocht aan [betrokkene 1]. Door en namens de curator werd een deel van de administratie van Flandria BV meegenomen naar het kantoor van de curator ten behoeve van het afwikkelen van het faillissement. Daarnaast heeft [getuige 1] een deel van de bedrijfsadministratie meegenomen. Zoals blijkt uit de verklaring van [betrokkene 2] is ook [veroordeelde] nog in de gelegenheid geweest om privé-zaken uit het pand aan de Hamsterkoog te Alkmaar te halen.

Uit het proces-verbaal van bevindingen bij het aanvullend SFO-rapport blijkt dat in totaal op 26 september 2006 28 ordners in beslag genomen zijn, waarin mogelijk enige aanwijzingen tot het gebruik van creditcards konden zitten, of die op enige andere wijze mogelijk van belang konden zijn in de ontnemingszaak.

Uit de hele gang van zaken kan volgens het openbaar ministerie worden afgeleid dat er, behoudens de thans door [getuige 1] aangeleverde bescheiden met betrekking tot de periode augustus 2001 tot en met juni 2002 geen verdere bescheiden ten aanzien van het creditcardgebruik van [veroordeelde] en/of zijn echtgenote aanwezig zijn geweest.

Resumerend merkt het openbaar ministerie op dat het niet aanwezig zijn van (delen van) de bedrijfsadministratie in de ontnemingszaak een risico is dat voor rekening komt van [veroordeelde] en dat niet aan het openbaar ministerie kan worden tegengeworpen.

De rechtbank verwerpt dit verweer op grond van het volgende.

a. [veroordeelde] was als bestuurder van Flandria BV verantwoordelijk voor het voeren van een administratie waaruit de rechten en verplichtingen van deze rechtspersoon konden blijken. Door het faillissement van deze vennootschap is weliswaar het beheer van de fysieke administratie overgegaan naar de curator, terwijl deze op zijn beurt weer een deel daarvan heeft overgedragen aan de koper van een deel van de onderneming van Flandria, maar daarmee is de uiteindelijke verantwoordelijkheid die op [veroordeelde] rustte niet weggenomen. Verdachte had zich, in overleg met de bewaarders van de administratie, kunnen vergewissen van de toegankelijkheid van de administratie.

Voor zover er stukken niet meer te achterhalen zijn, komt dit primair voor risico van [veroordeelde].

b. Bovendien heeft [veroordeelde] ter terechtzitting en gedurende het vooronderzoek niet concreet aangegeven in welk deel van de administratie, in welke ordners of mappen, de door hem voor zijn verdediging noodzakelijke informatie zich bevond. Ook heeft [veroordeelde] niet aangegeven welke delen van de administratie niet meer aanwezig waren of mogelijk in het ongerede waren geraakt. Mede daardoor heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen op welk deel van de administratie van Flandria BV de verdediging het oog heeft, waar die stukken zich bevonden en welke informatie deze zouden kunnen verschaffen en blijft de mogelijkheid bestaan dat er met name ten aanzien van het gebruik van creditcards geen bescheiden aanwezig zijn geweest.

c. Nadat de rechtbank op de terechtzitting van 9 juni 2006 het verzoek van de verdediging om getuigen te horen had afgewezen, hebben de opsporingsambtenaren in het kader van een heropend strafrechtelijk financieel onderzoek toch nog enkele personen gehoord zonder dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld vragen aan deze persoon te stellen.De raadsman heft hierop bij pleidooi gewezen en heeft deze werkwijze gekritiseerd. Hij heeft echter niet aan de rechtbank verzocht in deze nieuwe situatie de verdediging alsnog in de gelegenheid te stellen deze personen te ondervragen.

De rechtbank is van oordeel dat uit het hiervoor overwogene blijkt dat niet

aannemelijk is geworden dat bij het voorbereidend onderzoek sprake is geweest van onherstelbaar vormverzuim waardoor [veroordeelde] zodanig in zijn verdediging is geschaad dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Naar het oordeel van de rechtbank is er evenmin sprake van een verzuim dat tot enig gevolg zou moeten leiden.

De rechtbank stelt vast dat de [veroordeelde] voor de terechtzit-ting van 15 januari 2007 geldig is opgeroepen, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de vordering, dat het openbaar ministe-rie ook overigens ontvan-kelijk is in zijn vordering en dat er geen redenen zijn tot schorsing van de vervolging.

4. DE GRONDEN VOOR HET GESCHATTE BEDRAG VAN HET WEDERRECHTELIJK VOORDEEL

Voor de schatting van dit voordeel baseert de officier van justitie zich op de navolgende stukken:

A. HET VONNIS D.D. 29 NOVEMBER 2005

In dit vonnis van deze rechtbank is onder meer bewezenverklaard dat

3. subsidiair:

[BV1] in de periode van 27 mei 2002 tot en met 6 februari 2003 te Alkmaar als bestuurder van Fotohandel Flandria B.V., welke B.V. bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 6 februari 2003 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van laatstgenoemde besloten vennootschap, goederen aan de boedel heeft onttrokken te weten

a fotografische artikelen en/of apparatuur waarvan de opgemaakte facturen niet werden betaald en

b fotografische artikelen en onderdelen van voornoemde artikelen of apparatuur waarvan de facturen op naam van [veroordeelde] (debiteurnummer 18971) en/of [veroordeelde] (debiteurnummer 71600) en/of [betrokkene 3] werden afgeboekt op het grootboeknummer 1152 (afletteren debiteuren) met als tegenrekening het grootboeknummer 8000 (opbrengst verkopen) en

c opnamen en bestedingen (de rechtbank begrijpt, gelet op hetgeen aan verdachte

primair is ten laste gelegd: privé-opnamen en privé-bestedingen) ten laste van een of meer rekeningen van Fotohandel Flandria B.V. (tot een totaalbedrag van € 158.391,14, zijnde het verschil tussen de debetstand grootboekrekening 1852 d.d.

27 mei 2002 en 1 januari 2003, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan die verboden gedragingen.

4.

dat hij op 12 september 2003 te Alkmaar een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk en in strijd met de waarheid in bovengenoemd verzoek verklaard dat de financiële gegevens in de bij dat verzoek overgelegde verklaring schuldsanering (art 285 Fw) van de gemeente Bergen NH (voor deze getekend door [I.V.] van de Kredietbank Noord-West Alkmaar) juist en volledig zijn, zulks terwijl in dat overzicht niet was aangegeven dat verdachte een uitkering van de verzekeringsmaatschappij N.V. Interpolis genoot en in het bezit was van een auto, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken.

5.

dat hij in de periode van 18 september 2003 tot en met 25 oktober 2004 te Alkmaar, terwijl ten aanzien van hem, verdachte, bij vonnis van de Arrondissements- rechtbank te Alkmaar van 18 september 2003 de definitieve schuldsanerings- regeling natuurlijke personen van toepassing was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten die zijn schuldeisers jegens de boedel konden doen gelden, de navolgende baten niet heeft verantwoord, te weten:

a

een uitkering arbeidsongeschiktheidsverzekering welke verdachte genoot van de verzekeringsmaatschappij N.V. Interpolis te Tilburg van € 93,24 per dag en

b

inkomsten en/of vergoedingen die verdachte verkreeg voor als bedrijfsleider in een volledige dagtaak bij Goede Veld Sport verrichte werkzaamheden en

c

inkomsten op basis van verkopen aan Goede Veld Sport.

6.

dat hij in de periode van 1juli 2003 tot en met 20 september 2004 in Nederland, anders dan door valsheid in geschrift, opzettelijk niet naar waarheid één of meer gegevens heeft verstrekt aan N.V. Interpolis te Tilburg, zijnde de verzekeringsmaatschappij door welke een verstrekking, te weten een uitkering van € 93,24 per dag, op grond van de arbeidsongeschiktheidsverzekering, werd verleend, immers heeft verdachte

- aan genoemde verzekeringsmaatschappij niet gemeld dat verdachte als bedrijfsleider werkzaamheden heeft verricht bij Goede Veld Sport en daaruit inkomsten heeft genoten en

- aan genoemde verzekeringsmaatschappij meegedeeld dat hij, verdachte, nog steeds arbeidsongeschikt was, of zodanig ziek was dat hij niet in staat was werkzaamheden voor een volle dagtaak te verrichten en geen inkomsten uit betaalde arbeid genoot, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl verdachte wist dat de verstrekte gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op die verstrekking dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking.

7. subsidiair

dat Goede Veld Sport B.V. (G.V.S. B.V.) in de periode van 1 januari 2004 tot en met 21 september 2004 in de gemeente Zijpe meermalen de bedrijfsadministratie van Goede Veld Sport B.V. (G.V.S. B.V.), zijnde die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt door valselijk en in strijd met de waarheid in die bedrijfs- administratie te boeken

1. op grootboekrekening 2010 (“investeringen inventaris”) een factuur met het nummer 042407 d.d. 9 augustus 2004 van Sport ‘81, factuurbedrag € 1.480,36, welke factuur de privé-levering van een tafeltennistafel aan [veroordeelde] en/of diens echtgenote betrof en

2. op grootboekrekening 58600 (“decoratie”) een kassabon d.d. 18 juni 2004 en bijbehorende bestelbon met het nummer 31284, factuurbedrag € 687,75, welke factuur de privé-levering van een barbecue, kookboek en accessoires aan [veroordeelde] en/of diens echtgenote betrof en

3. op grootboekrekening 46002 (“klein invent./gereedschap”) een factuur d.d. 7 april 2004 met het nummer 041105 van Sport ‘81, factuurbedrag exclusief BTW € 568,50, welke factuur de privé-levering van een trampoline, een beschermhoes en een beach volleybal aan [veroordeelde] en/of diens echtgenote betrof

4. en op grootboekrekening 45400 (“representatiekosten 90%”) rekeningen van horecagelegenheden (zoals Duinerij, Nero’s Place, Sensei, Gusto, Fabels, Joep, Le Garage En Pluche, Rode Hert en Mario) betreffende privé-diners van [veroordeelde] en diens echtgenote met kinderen en/of vrienden,

zulks telkens met het oogmerk om die bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven.

B. HET PROCES-VERBAAL VOORDEELSBEREKENING

In het proces-verbaal met bijlagen, dossiernummer 264/04, gedateerd 12 mei 2005 en opgesteld door J. Fokkinga en L.P. Antenbrink, respectievelijk financieel rechercheur/buitengewoon opsporingsambtenaar en financieel rechercheur/brigadier van politiewerkzaam bij de regiopolitie Kennemerland wordt aangege-ven onder meer dat het vermoe-delijk wederrechtelijk verkregen voordeel voor [veroordeelde] als volgt is samengesteld:

1e strafrechtelijk onderzoek.

Zakendossier 3:

2. Facturen op naam van verdachte [veroordeelde].

Aan de hand van de door aangever Fortis ter beschikking gestelde debiteurenlijst van Flandria B.V. dd. 25 mei 2002, bleek dat verdachte [veroordeelde] veelvuldig op de debiteurenlijst voorkwam.

Uit de geautomatiseerde boekhouding van Flandria BV bleek dat verdachte onder 2 debiteurennummers bekend was. Aan de hand van het debiteurenboek bleek uit het historisch bestand dat verdachte in de periode van 29 januari 1999 tot en met 30 november 2002

196 keer zaken op rekening had gekocht ter waarde van € 101.311,35.

4 keer betaald twv. - 5.134,27

8 keer factuur gecrediteerd vermoedelijk ivm een onjuiste

boeking twv - 22.114,--

Door personeelslid [betrokkene] werd verklaard dat zowel [veroordeelde] als [betrokkene 5] goederen uit de Flandria winkels

mee namen zonder deze te betalen. Vervolgens werd hiervan een factuur opgemaakt. Zie Bijlage S3. Door getuige [getuige 2] werd verklaard dat hij van personeelsleden van Flandria BV. had begrepen dat verdachte [veroordeelde] vaak goederen uit een Flandria winkel mee naar huis nam.

Zie Bijlage S4.

Door verdachte [veroordeelde] werden goederen meegenomen met het oogmerk om deze niet te betalen ter waarde van

€ 74.063,08

Zie Bijlage S16.

3. Grootboekrekening “rekening courant [veroordeelde]”.

Uit de geautomatiseerde boekhouding van Flandria BV bleek met betrekking tot de grootboekrekening 1852 genaamd “rekening courant [veroordeelde]” het volgende:

- 6/1/99 debetstand € 126.000,82

- 3/1/00 debetstand € 180.196,70

- 1/1/01 debetstand € 260.984,39

- 1/1/02 debetstand € 403.674,05

- 1/1/03 debetstand € 563.678,91

Deze debetstanden ontstonden omdat er middels de zakelijke rekening van Flandria BV. met grote regelmaat privé betalingen voor de verdachte [veroordeelde] en zijn echtgenote [betrokkene 5] werden gedaan. Deze uitgaven werden vervolgens overeen- komstig boekhoudkundige regels geboekt ten laste van de grootboekrekening “rekening courant [veroordeelde]” Hieruit bleek dus dat de schuld van verdachte [veroordeelde] aan Flandria BV steeds groter werd.

Deze werd op geen enkele wijze ingelost. Zowel niet middels zijn salaris dan wel door een privé storting op zijn rekening courant.

Met betrekking tot het salaris van verdachte [veroordeelde] bleek het volgende:

- Omdat in 1999 tot en met 2001 slechts een totaal bedrag van de salarissen van het personeel van Flandria BV. in de administratie werd vermeld is niet aan te tonen dat [veroordeelde] in die periode salaris ontving. Wel werd er in 1999 5 keer een bedrag van 17.500 gulden geboekt op de post “management fee” ten name van [veroordeelde] Holding.

- In de boekhouding van het jaar 2002 en 3003 van Flandria BV. komen wel salarisbetalingen aan [veroordeelde] naar voren.

- Daarnaast bleek uit informatie van de Belastingdienst dat door Flandria BV. er van 1999 tot en met 2002 “loon voor loonheffing” voor de werknemer [veroordeelde] was opgegeven. Hiermee gaf Flandria BV. dus aan dat zij in genoemde periode salaris aan [veroordeelde] had betaald.

Zie Bijlage S20.

Ondanks dat de financiële situatie van Flandria vanaf 2000 sterk verder achteruit ging, bleef verdachte [veroordeelde] doorgaan met het betalen van privé zaken middels de zakelijke rekening van Flandria BV zonder dat daar een compensatie tegenover stond. De financiële achteruitgang resulteerde uiteindelijk in februari 2003 tot het in staat van faillissement stellen van Flandria BV.

Op deze manier pleegde verdachte vermoedelijk bedrieglijke bankbreuk en trok verdachte geld en goederen om niet uit Flandria ter waarde van €563.678,91.

Directe kosten.

Het boeken van transacties ten laste van de grootboekrekening “rekening courant [veroordeelde]” was een onderdeel van de normale werkzaamheden van bepaalde personeelsleden die werkzaam waren op de administratie van Flandria BV. Zij maakten de documenten in opdracht van verdachte [veroordeelde] als onderdeel van hun normale werkzaamheden. Zie verklaringen personeelsleden Bijlage S3. Derhalve werden er geen directe kosten gemaakt ter verkrijging van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Samenvatting wederrechtelijk verkregen voorde 1e strafrechtelijke onderzoek:

Als privé persoon heeft verdachte [VEROORDEELDE] vermoedelijk een wederrechtelijk

verkregen voordeel verworven van:

Zakendossier Z3-2 € 74.063,08

Zakendossier Z3-3 €563.678,91

--------------

Totaal €637.741,99

2e strafrechtelijke onderzoek.

Zakendossier Z 1:

In het 2e strafdossier wordt in zakendossier Z1 de vermoedelijke strafbare feiten behandeld met betrekking tot de schuldsanering natuurlijke personen van verdachte [veroordeelde].

Salaris:

Uit het onderzoek is gebleken dat verdachte [veroordeelde] vanaf 1 juli 2003 bij Goede Veld Sport BV te Alkmaar werkzaam was als bedrijfsleider. Bij de start van het bedrijf werd door directeur [betrokkene 6] namens GVS BV en verdachte [veroordeelde] overeengekomen dat [veroordeelde] bij een 35 urige werkweek recht zou hebben op een salaris van € 2500,-- vermeerderd met 8% vakantiegeld en een vaste maandelijkse onkostenvergoeding voor niet declarabele onkosten van € 100,--. Verdachte had dus recht op een tegemoetkoming van € 2500,-- plus € 200,-- plus € 100,-- per maand.

Door het salaris waar verdachte recht op had niet te nemen, verkreeg hij daarmee een opeisbare vordering ten opzichte van zijn werkgever Goede Veld Sport BV en liet hij na om het resterende salaris boven het “vrij te laten bedrag” af te dragen aan de curator. Hierdoor werden de betreffende schuldeisers benadeeld en ontstond er voor verdachte een besparing van kosten.

Zie PV onderzoek salaris [veroordeelde] Bijlage X3.

Berekening:

Aanvang schuldsanering 3 september 2003. Verdachte was toen als bedrijfsleider werkzaam bij GVS BV.

Einde werkzaamheden op het moment van aanhouding 26 oktober 2004. Per maand verzuimd af te dragen: € 2800,-- min € 810,91 is € 1.989,09

Periode:

Vanaf 3 september 2003: 27/30 X 1989,09 € 1.790,18

oktober 2003 tot en met september 2004: 12 X 1989,09 € 23.869,08

tot 26 oktober2004: 25/30X 1989,09 € 1.657,57

Totaal €27.316,83

Gebruik bedrijfsvoertuig.

In kader van zijn werkzaamheden bij Goede Veld Sport BV mocht [veroordeelde] gebruik maken van een bedrijfsvoertuig, zijnde een Mercedes type ML430. Door verdachte werd dit voertuig eveneens privé gebruikt. Hij had geen privé auto meer en zijn echtgenote reed eveneens in een bedrijfsauto van Goede Veld Sport.

Het feit dat verdachte [veroordeelde] als bedrijfsleider van GVS BV gebruik maakte van een auto van de zaak, Mercedes ML430, werd bevestigd door de 2 directeuren van GVS BV, [betrokkene 7] en [betrokkene 6].

Zie de getuigenverklaringen Bijlage G6 bladzijde 2 en Bijlage G8 bladzijde 4.

Door van deze bedrijfsauto gebruik te mogen maken had verdachte een besparing van reiskosten. Omdat gedurende het onderzoek is gebleken, dat verdachte met de auto zeer weinig privé kilometers maakte, wordt bij de berekening van de besparing van kosten alleen rekening gehouden met zijn reiskosten van zijn woning [adres] naar Goede Veld Sport te Alkmaar.

Gedurende de periode dat de telefoon van verdachte werd afgeluisterd, bleek dat verdachte 5 a 6 dagen per week werkzaam was bij GVS.

Bij de berekening van zijn reiskosten wordt uitgegaan van gemiddeld 5 dagen per week. Daarnaast is rekening gehouden met de week vakantie die verdachte volgens directeur [betrokkene 6] van GVS BV heeft gehad. Daarbij rekening houdend met enkele feestdagen is de totale vakantie periode van [veroordeelde] ruim gerekend op 3 weken.

Volgens AND routeplanner bedraagt de afstand [adres] naar Terborchlaan te Alkmaar 10,9 km.

De periode 27 oktober 2003 (datum leasen van de bedrijfsauto) tot 26 oktober 2004 bevat 52 weken min 3 weken vakantie is:

49 weken à 5 dagen is 245 dagen keer 21,8 km is 5341 kilometer à € 0,28 per km is

besparing van kosten € 1.495,48

Verkoop Range Rover.

Op 27 oktober 2003 leasde verdachte [veroordeelde] op naam van [betrokkene 6] Sport BV

een Mercedes ML430 kenteken [kenteken]. Daarbij ruilde verdachte een personenauto merk Range Rover voorzien van het kenteken [kenteken] in en ontving daarvoor een bedrag van € 23.500,--. Op verzoek werd dit geld contant uitgekeerd.

Zie PV van bevindingen “inruil Range Rover” BIJLAGE Z1-7.

De auto was in eigendom en in gebruik bij verdachte [veroordeelde] en stond op naam van [betrokkene 8], wonende te Montfoort. [Betrokkene 8] verklaarde de betreffende Range Rover op verzoek van zijn vriend [veroordeelde] op zijn naam te hebben laten zetten. [Betrokkene 8] verklaarde de auto niet in eigendom en ook niet in gebruik te hebben gehad. Zie PV van verhoor BIJLAGE Z1-8.

Getuige [betrokkene 8] verklaarde het pand [adres 2] van verdachte [veroordeelde] te hebben gekocht. Bij deze koop nam hij tevens enige roerende zaken over en ruilde deze met [veroordeelde] voor een Range Rover voorzien van het kenteken [kenteken]. Zie PV van verhoor Bijlage Z1-9.

Door de echtgenote van verdachte [veroordeelde], genaamd [betrokkene 5], werd eveneens verklaard dat haar man het pand [adres 2] had verkocht aan [betrokkene 9]. Tevens verklaarde zij dat haar man enige goederen uit de woning had geruild met een Range Rover van [betrokkene 9]. De tenaamgestelde [betrokkene 8] was [betrokkene 10] en was een vriend van haar man [veroordeelde]. Zie PV van verhoor Bijlage G4 blad 9.

Daar verdachte op 27 oktober 2003 een schuldsanering had, onttrok verdachte de Range Rover uit de boedel en verantwoordde de opbrengst (de baten) van de Range Rover niet aan de curator. Door dit niet te doen werden zijn schuldeisers benadeeld.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel bedroeg hierdoor € 23.500,--.

Niet verantwoorden van baten.

Uit onderzoek bleek dat verdachte [veroordeelde] tussen 1 juli 2003 en 25 november 2003 eigen roerende zaken in de vorm van audio apparatuur, meubelstukken en decoratiestukken met een gezamenlijke waarde van € 14.300,-- had verkocht aan Goede Veld Sport BV (GVS BV)gevestigd te Alkmaar. Deze goederen werden door verdachte [veroordeelde] namens GVS BV betaald middels overboekingen van de zakelijke rekening van GVS BV naar de bankrekening op naam van de echtgenote van verdachte [veroordeelde] genaamd [betrokkene 5].

Zie PV van bevindingen BIJLAGE Z1-11.

Getuige [betrokkene 5] verklaarde hierover onder anderen het volgende:

“het geld dat ik op mijn bankrekening kreeg met bijvoorbeeld de omschrijving beamer, equalizer/judebox, lady liberty, terzani lampen en Nic Jonk waren spullen van [veroordeelde] die hij aan GVS had verkocht. Die spullen staan of hangen ook daadwerkelijk in GVS. Zie PV van verhoor BIJLAGE G5 blad 3.

Op 24 januari 2005 werd als directeur van Goede Veld Sport BV gehoord [betrokkene 6], wonende te [adres 3].

Nadat [betrokkene 6] een lijst met voorwerpen was getoond als hiervoor genoemd, wees [betrokkene 6] mij, 2e verbalisant, alle voorwerpen aan die door Goede Veld Sport BV van de verdachte [veroordeelde] waren gekocht en als inventaris dan wel decoratie in het bedrijfspand werden gebruikt.

Over genoemde voorwerpen verklaarde [betrokkene 6] onder anderen het volgende:

“Het betreft hier een aantal overboekingen welke betrekking hebben op audioapparatuur en meubelstukken welke door de familie [veroordeelde] zijn ingebracht in de inventaris van Goede Veld Sport BV en welke namens deze laatstgenoemde BV middels gebruikmaking van de ondernemersrekening van [betrokkene 6] Sports BV aan [betrokkene 5] zijn betaald.

Ik kan u mededelen dat deze betalingen niet door mij zijn verricht maar door [veroordeelde] in zijn hoedanigheid van bedrijfsleider van Goede Veld Sport BV. Ik ben wel gekend in deze overschrijvingen. [Veroordeelde] had al die goederen privé thuis staan en heeft deze bij de overname van Goedeveldsports BV door [betrokkene 6] Sport BV in de inventaris gebracht. De inventaris is in 1 keer ingebracht maar daarna in kleinere bedragen maandelijks betaald.” Zie PV van verhoor Bijlage Z1-10.

Uit vorenstaande bleek dat verdachte [veroordeelde] goederen had verkocht aan Goede Veld Sport BV waarbij de verkoopprijs vervolgens werd overgemaakt naar de bankrekening op naam van echtgenote [betrokkene 5].

Uit onderzoek bleek dat deze bankrekening zowel door [betrokkene 5] als door verdachte [veroordeelde] werd gebruikt. Zo werd bijvoorbeeld ook de arbeidsongeschiktheids- uitkering van [veroordeelde] op deze bankrekening overgemaakt.

Aan het uitgave patroon op de bankafschriften was te zien dat de bankrekening voor huishoudelijk gebruik werd aangewend ten behoeve van het gezin bestaande uit verdachte [veroordeelde], [betrokkene 5] en hun beide kinderen [B] en [G].

Berekening:

Daar [betrokkene 5] bekend was met het feit dat haar man in de schuldsanering zat en de opbrengst (de baten) van de verkoop van de goederen op haar bankrekening werd gestort en vervolgens ook door haar werden gebruikt, is het redelijk om de helft van het wederrechtelijk verkregen vermogen aan haar toe te rekenen.

Derhalve is als wederrechtelijk verkregen vermogen aan [veroordeelde] toe te rekenen:

€ 14.300,-- gedeeld door 2 is € 7.150,--.

Zakendossier Z 2:

Arbeidsongeschiktheidsuitkering:

In het 2e strafdossier worden in Zakendossier Z2 de vermoedelijke strafbare feiten behandeld met betrekking tot de uitkering van verdachte [veroordeelde] in kader van zijn Arbeid Ongeschiktheids Verzekering. Een kopie van dit zakendossier zal als Bijlage Z2.1 in dit dossier worden gevoegd.

In verband met de oplichting en het opzettelijk niet naar waarheid verstrekken van gegevens zullen de volgende stukken in dit zakendossier worden gevoegd:

Bijlage Z2.2 Kopie PV Aangifte Interpolis.

Bijlage Z2.3 Kopie aanvullend PV mbt aangifte Interpolis.

Aangifte Interpolis.

Uit de aangifte blijkt dat Interpolis vanaf 1 maart 2003 tot op de dag van het conservatoir beslag (21 september 2004) aan verdachte [veroordeelde] een uitkering in kader van zijn Arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft uitgekeerd van € 93,24 per dag.

Uit onderzoek is gebleken, dat [veroordeelde] vanaf 1 juli 2003 als bedrijfsleider werkzaam was bij Goede Veld Sport BV gevestigd te Alkmaar. Daar verdachte zijn nieuwe werkzaamheden niet aan Interpolis meldde en ondertussen wel voordeed alsof hij niet in staat was om te werken, heeft [veroordeelde] vanaf 1juli 2003 ten onrechte een uitkering van Interpolis ontvangen. Deze uitkering werd op zijn verzoek gestort op de bankrekening op naam van zijn echtgenote [betrokkene 5].

Namens [veroordeelde] voerde [betrokkene 5] meerdere telefoongesprekken met vertegenwoordigers van Interpolis NV omtrent de arbeidsongeschiktheidsuitkering van [veroordeelde].

Hierbij werd door [betrokkene 5] bevestigd dat [veroordeelde] nog steeds hartproblemen had en verzuimde zij mede te delen dat haar man volledig aan het werk was als bedrijfsleider bij GVS BV. Zie Bijlage Z2.4.

Getuige [betrokkene 5] heeft ook verklaard over de uitkering in kader van de arbeid ongeschiktheid verzekering van [veroordeelde].

Zij verklaarde hierbij onder anderen dat de uitkering vanaf de periode dat haar man

voor GVS ging werken niet goed was gegaan. Zij erkende een aantal keren met een medewerkster van Interpolis te hebben gesproken. Daarbij zei ze niets over de onterechte uitkering omdat het haar uitkering niet was.

[Betrokkene 5] erkende niet helemaal de waarheid aan Interpolis te hebben verteld. Daarnaast verklaarde [betrokkene 5] dat de uitkering van [veroordeelde] gebruikt werd om de huur van het pand [adres] te betalen. Dit was het pand waar verdachte [veroordeelde] samen met zijn vrouw en kinderen woonde.

Zie PV van verhoor Bijlage G4 bladzijden 4 tot en met 7.

Berekening:

Door Interpolis is volgens de aangifte een uitkering aan [veroordeelde] verstrekt ter

hoogte van € 52.214,40.

Vanaf het moment van aanvang werkzaamheden bij Goede Veld Sport tot 21 september 2004 bedroeg de uitkering:

1/7/03 - 1/9/04 is 14 maanden à 30 dagen à € 93,24 is € 39.160,80

1/9/04 - 21/9/04 is 20 dagen à € 93,24 is € 1.864,80

totaal € 41.025,60

Daar [betrokkene 5] bekend was met het feit dat haar man ten onrechte een uitkering ontving, zelf ook niet naar waarheid gegevens had verstrekt aan Interpolis, de baten op haar bankrekening werden gestort en vervolgens ook door haar werden gebruikt, is het redelijk om de helft van het wederrechtelijk verkregen vermogen aan haar toe te rekenen.

Derhalve is als wederrechtelijk verkregen vermogen aan [veroordeelde] toe te rekenen:

€ 52.214,40 gedeeld door 2 is €26.107,20

of

€41.025,60 gedeeld door 2 is €20.512,80

Zakendossier Z 3:

In het 2e strafdossier worden in Zakendossier Z3 de vermoedelijke strafbare feiten behandeld met betrekking tot de valsheid in geschrifte door verdachte [veroordeelde] met betrekking tot de administratie van Goede Veld Sport BV. Een kopie van dit zakendossier zal als Bijlage Z3.1 in dit dossier worden gevoegd.

Analyse ondernemersrekening [betrokkene 6] Sport BV.

Uit het proces-verbaal ter zake de analyse van de ondernemersrekening nummer [rekeningnummer] ten name van [betrokkene 6] Sport BV en onderdeel vormend van de administratie van Goede Veld Sport BV bleek, dat door verdachte [veroordeelde] middels de voornoemde zakelijke rekening zaken voor privé doeleinden waren aangeschaft en betaald. Vervolgens werden deze zaken in de administratie van GVS BV geboekt op een grootboekrekening niet zijnde een rekening courant rekening op naam van [veroordeelde] of die van zijn echtgenote [betrokkene 5].

Zie PV van onderzoek Bijlage Z3.4.

Berekening:

In de analyse van de ondernemersrekening worden 41 transacties genoemd waarbij het vermoedelijk gaat om privé transacties en die zijn betaald door GVS BV. Hierbij zijn de transacties onder nummer 13 en 31 in de administratie van GVS BV op de grootboekrekening “vraagposten” geboekt. Er vanuit gaande dat deze posten uiteindelijk correct zullen worden geboekt blijven er 39 transacties over waarbij verdachte [VEROORDEELDE] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De waarde van deze transacties is: € 6.692,22

Min: transactie 13 en 31 is € 1.133,05

totaal € 5.559,17

[Betrokkene 5] erkende een zakelijk bankpasje van GVS BV te hebben gebruikt om privé zaken te betalen, dit met toestemming van haar man [veroordeelde]. Hoe dergelijke betalingen in de administratie van GVS BV werd verantwoord, wist [betrokkene 5] niet.

Zie PV’s van verhoor Bijlage G4 en G5.

Tijdens het onderzoek werd tevens gehoord [betrokkene 11] als medewerkster van Tuin Beheer BV en als zodanig verantwoordelijk voor de invoering van de boekhouding van Goede Veld Sport BV.

[betrokkene 11] verklaarde onder anderen dat [veroordeelde] haar aanspreekpunt bij GVS was. [veroordeelde] bepaalde op welke grootboekrekeningen bepaalde uitgaven moesten worden geboekt. Ook hij leverde de onderliggende kassabonnen of facturen aan met uitzondering van de stukken van de horeca. Die werden verzorgd door [betrokkene 6].

In opdracht van [veroordeelde] maakte [betrokkene 11] een grootboekrekening genaamd “rekening courant [veroordeelde]” aan. Na een inval van de politie moesten bepaalde privé uitgaven van [veroordeelde] in zijn opdracht van een zakelijke kosten rekening worden doorgeboekt naar de rekening courant van zijn vrouw [betrokkene 5].

Zie PV van verhoor Bijlage G11.

Vervolgonderzoek ondernemersrekening [betrokkene 6] Sports BV.

Naar aanleiding van vorenstaand onderzoek werd een nader onderzoek ingesteld naar het gebruik van de bankpas nummer [nummer], behorende bij ondernemersrekening nummer [rekeningnummer] op naam van [betrokkene 6] Sports BV, door verdachte [veroordeelde] en diens echtgenote [betrokkene 5].

Hieruit bleek dat verdachte dan wel zijn echtgenote voor € 19.473,94 aan betalingen hadden gedaan voor vermoedelijk privé aankopen en/of diensten, welke als zakelijke kosten in de administratie van Goede Veld Sport BV waren verwerkt.

Tevens werd door verdachte [veroordeelde] vermoedelijk geldopnamen gedaan die privé werden aangewend met een totaal bedrag van € 10.633,50.

De opnamen werden in de administratie van GVS BV verantwoord op een grootboekrekening, niet zijnde één op naam van verdachte [veroordeelde].

Opvallend daarbij was dat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] niet op de hoogte waren van het feit dat er een grootboekrekening op hun naam was geopend en dat er betalingen en voornoemde geldopnames op hun rekening gedebiteerd werden.

Zij hadden dus een schuld aan de BV zonder dat zij daar kennis van droegen. Het proces-verbaal van onderzoek zal als Bijlage Z3.5 in dit dossier worden

gevoegd.

Gebruik creditcards op naam van Flandria BV.

In de periode 1999 tot en met het moment van het faillissement in februari 2003 had verdachte [veroordeelde] de beschikking over een Visa creditcard, nummer [nummer], op naam van fotohandel Flandria BV met daaraan gekoppeld de gebruikersnaam [veroordeelde].

In diezelfde periode bestond in de administratie van Flandria BV de grootboek- rekening nummer [nummer] genaamd “[veroordeelde]”.

Vanaf 2 augustus 1999 tot met het moment van het faillissement in februari 2003 had [betrokkene 5] de beschikking over een Visa creditcard, nummer [nummer], op naam van fotohandel Flandria BV met daaraan gekoppeld de gebruikersnaam [betrokkene 5].

Pas vanaf het boekjaar 2001 bestond er in de administratie van Flandria BV de grootboekrekening nummer 1858 genaamd “rek.crt.[betrokkene 5].”

Uit het onderzoek is gebleken, dat het gebruik van de zakelijke creditcards van Flandria BV door [veroordeelde] en [betrokkene 5] overeenkomt met het gebruik van de bankpas van de zakelijke rekening van [betrokkene 6] Sport BV en behorende tot de administratie van Goede Veld Sport BV.

In beide gevallen werd zowel door de verdachte [veroordeelde] als door zijn echtgenote [betrokkene 5] op grote schaal de respectievelijke creditcards en bankpas aangewend voor privé doeleinden. Daarbij was opvallend dat de zakelijke rekeningen werden gebruik om privé zaken zoals (kinder)kleding, cosmetische artikelen, huishoudelijke boodschappen, eet- en drinkgelegenheden en speelgoed te betalen.

Vervolgens werden deze transacties zowel in de administratie van Goede Veld Sport BV als in die van Flandria BV geboekt op een grootboekrekening vallende onder “zakelijke kosten”. Daarbij werd dus nagelaten om deze transacties te boeken ten laste van een grootboekrekening op naam van [veroordeelde] of die van zijn echtgenote [betrokkene 5].

Aan de hand van de wetenschap omtrent het gebruikersgedrag van verdachte [veroordeelde] en die van zijn echtgenote [betrokkene 5] werd een selectie gemaakt in de afschriften van de Visa met betrekking tot uitgaven gedaan middels een creditcard op naam van Flandria BV, terwijl het redelijkerwijs was aan te nemen dat het om een privé uitgave ging.

Daarbij werd onderzocht of de betreffende uitgave vervolgens werd geboekt op de grootboekrekening op naam van verdachte [veroordeelde] of die van zijn echtgenote [betrokkene 5]. Dat bleek vele malen niet het geval te zijn. Voornoemde betalingen werden dus als zakelijke kosten in de administratie van Flandria opgenomen.

N.B. Tijdens een schorsing van de terechtzitting heeft de officier van justitie telefonisch contact opgenomen met verbalisant Fokkinga. Na hervatting heeft de officier van justitie verklaard dat de verbalisant haar heeft verzekerd dat de bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel meegenomen privé-uitgaven nooit zijn geboekt op de grootboekrekening op naam van [veroordeelde] of diens echtgenote.

Door deze uitgaven opzettelijk als zakelijke kosten in de administratie Flandria BV te laten opnemen ontstond er een valse administratie. Tevens gebeurde dit ook in het zicht van het faillissement van Flandria BV.

Het gaat hierbij om strafbare feiten waarvoor een geldboete van de 5e categorie kan worden opgelegd.Tevens gaat het hier om soortgelijke feiten als die bij het onderzoek met Goede Veld Sport BV naar voren kwamen.

[Betrokkene 5] verklaarde onder anderen dat zij de zakelijke creditcard van Flandria BV ook voor privé zaken heeft gebruikt. Daarbij gaf haar man [veroordeelde] aan wanneer zij de creditcard voor privé zaken mocht gebruiken. Zij verklaarde niet te weten hoe dit in de administratie van Flandria verwerkt werd.

Tevens wist [betrokkene 5] niet dat zij een rekening courant bij zowel Flandria BV als bij Goede Veld Sport BV had. Zie Bijlage G5 bladzijden 4 en 5.

Hieronder volgt een uitwerking van de vermoedelijk gedane privé uitgaven welke uiteindelijk door Flandria BV betaald werden dan wel dat er een schuld ten opzichte van de Visa bleef bestaan. De Visa is namelijk schuldeiser in het faillissement van Flandria BV.

Bij de uitwerking wordt een uitdraai van de grootboekrekening “rekening courant” van de verdachte [veroordeelde] en [betrokkene 5] bijgevoegd en de betreffende afschriften van de Visa.

Creditcard gebruik in 1999.

Vermoedelijke privé uitgaven betaald door Flandria BV €34.468,85

Zie Bijlage Z3-6.l.

Creditcard gebruik in 2000.

Vermoedelijke privé uitgaven betaald door Flandria BV €20.362,36

Zie Bijlage Z3-6.2.

Creditcard gebruik in 2001.

Vermoedelijke privé uitgaven betaald door Flandria BV € 17.943,76

Zie Bijlage Z3-6.3.

Creditcard gebruik in 2002.

Vermoedelijke privé uitgaven betaald door Flandria BV €25.439,50

Zie Bijlage Z3-6.4.

Creditcard gebruik in 2003.

In 2003 waren de creditcards van [veroordeelde] en [betrokkene 5] door de Visa geblokkeerd en konden dus niet meer gebruikt worden.

Totaal: € 98.214,47

Uit het vorenstaande blijkt dat verdachte [veroordeelde] vermoedelijk door het gebruik van genoemde creditcards door hemzelf en door zijn echtgenote [betrokkene 5] en het onjuist verantwoorden in de administratie van Flandria BV een wederrechtelijk voordeel als bedoeld in artikel 36e onder 2 van het wetboek van strafrecht heeft verkregen van € 98.214,47.

Directe kosten.

Voor het verkrijgen van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verdachte [veroordeelde] voor zover bekend geen directe kosten hoeven te maken. Derhalve zijn er op het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel geen kosten in mindering gebracht.

Samenvatting wederrechtelijk verkregen voordeel 2e strafrechtelijk onderzoek.

Z1 Salaris € 27.316,83

Gebruik bedrijfsvoertuig € 1.495,48

Verkoop Range Rover € 23.500,--

Niet verantwoorde baten € 7.150,--

Z2 Uitkering Interpolis ten tijde van schuldsanering € 20.152,80

Z3 Analyse ondernemersrekening [betrokkene 6] Sports BV € 5.559,17

Vervolgonderzoek ondernemersrekening [betrokkene 6] € 19.473,94

Sports BV

€ 10.633,50

Gebruik Visa creditcards Flandria BV 1999 € 34.468,85

2000 € 20.362,36

2001 € 17.943,76

2002 € 25.439,50

-----------------

totaal € 213.496,19

Samenvatting voordeel privé persoon [veroordeelde].

Naar aanleiding van het 1e strafrechtelijk onderzoek werd een berekening “wederrechtelijk verkregen voordeel” gemaakt. Hierbij werd een onderscheid gemaakt met betrekking tot het onrechtmatig voordeel dat zowel FLANDRIA BV. als de verdachte [veroordeelde] had genoten.

Daar Flandria BV sinds 2003 failliet is verklaard en er meer schuldeisers zijn dan dat er nog vermogen is, wordt het berekende wedderrechtelijk verkregen voordeel van Flandria BV verder buiten beschouwing gelaten.

Onderstaande samenvatting betreffende het wederrechtelijk verkregen voordeel in het 1e en 2e strafrechtelijk onderzoek heeft dus alleen betrekking op de verdachte [veroordeelde].

TOTAAL WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL:

le strafrechtelijk onderzoek € 637.741,99

2e strafrechtelijk onderzoek € 213.496,19

totaal € 851.238,18

5. SCHATTING VAN HET WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL

5.1

De rechtbank zal bij de bespreking van de vordering, het verweer en het standpunt van de officier van justitie de volgorde aanhouden van het hiervoor aangehaalde proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en de ingenomen standpunten opnemen in haar overwegingen met betrekking tot de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

5.2

Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel baseert de rechtbank zich op het hiervoor aangehaalde vonnis van deze rechtbank van 29 november 2005 alsmede op onderdelen van het hiervoor aangehaalde ambtsedig proces-verbaal met bijlagen, dossiernummer 264/04, gedateerd 12 mei 2005 en opgesteld door J. Fokkinga en L.P. Antenbrink met betrekking tot het door [veroordeelde] verkregen voordeel uit de hiervoor genoemde feiten, zoals hiervoor onder 4. is weergegeven.

1e strafrechtelijke onderzoek.

5.3

De raadsman heeft in de Conclusie van Antwoord d.d. 30 januari 2006 met betrekking tot de berekening van het voordeel voortvloeiend uit het 1e strafrechtelijke onderzoek onder meer het volgende aangevoerd.

Het bedrag van EUR 637.741,99 bestaat volgens het ontnemingsproces-verbaal uit de navolgende componenten:

A. een bedrag van EUR 74.063,08 (totale onttrekkingen)

B. een bedrag van EUR 563.678,91 (hoogte rekening courant op 1 januari 2003)

Zakendossier 3.2

Ad A. (Facturen op naam van [veroordeelde])

Het bedrag van EUR 74.063,08 zoals genoemd onder A zou het gehele bedrag moeten behelzen dat beweerdelijk ten onrechte door [veroordeelde] in een lange periode vanaf 29 januari 1999 tot en met 30 november 2002 (derhalve een periode van bijna 4 jaren) zou zijn onttrokken aan het bedrijf Flandria BV, terwijl [veroordeelde] daarvan enig directeur/ groot aandeelhouder was, zulks beweerdelijk door middel van het onttrekken van goederen aan deze B.V. naar beweerdelijk privé-vermogen.

Gelet op de bewezenverklaring, zoals blijkt uit het commune vonnis van de Rechtbank, is het - in de berekening door het OM betrokken - bedrag kennelijk te hoog, want de in deze zaak door de Rechtbank bewezenverklaarde pleegperiode is een periode vanaf 27 mei 2002 tot november 2002 (derhalve een periode van slechts een half jaar in tegenstelling tot vier jaar). Zoals is verwoord door de Rechtbank op pagina 18 van het commune vonnis is na 27 mei 2002 tot aan het einde van de tenlastegelegde periode in het geheel kennelijk een totaalbedrag van EUR 23.170,36 "onttrokken". Hooguit kan dit door de Rechtbank genoemde bedrag derhalve worden betrokken in de berekening van het totale wederrechtelijke voordeel.

Dat een en ander hoger zou zijn wordt weliswaar gesteld in de rapportage door de rapporteur (gelet op het feit dat - blijkens het debiteuren boek – [veroordeelde] 196 maal in die periode van bijna vier jaar goederen op zijn debetrekening zou hebben ‘gekocht’ voor een totaalbedrag van EUR 101.311,35), maar zulks wordt betwist door [veroordeelde]. Hij zou voorts 4 maal zijn ‘schuld’ hebben betaald voor - bij elkaar opgeteld - een bedrag van EUR 5.134,27. Verder zou 8 maal een eerder opgemaakte factuur zijn gecrediteerd in verband met een onjuiste eerdere boeking. Dit acht maal crediteren van de rekening zou overeenstemmen met een totaalbedrag van EUR 22.114,00.

Indien deze bedragen van het totaalbedrag worden afgetrokken dan blijft een bedrag van EUR 74.063,08 over, wat de voornoemde component A van het wederrechtelijk genoten voordeelbedrag zou zijn aldus het OM. Het behoeft geen betoog dat [veroordeelde] zich hierin niet kan vinden, mede gelet op de eerdere uitspraak van de Rechtbank

Het is dan ook primair de stelling van de verdediging, dat voornoemd bedrag van EUR 74.063, 08 niet behoort tot het wederrechtelijk verkregen voordeel, doch dat het hooguit EUR 23.170,36 zou kunnen behelzen. Dit, aangezien [veroordeelde] in casu geen voordeel voor zichzelf heeft genoten met het meenemen of gebruiken van de goederen in de periode daarvoor.

[Veroordeelde] heeft de tijdelijk onttrokken goederen immers niet verkocht en ook niet geheel verbruikt voor zijn eigen behoefte, maar deze ‘onttrekkingen’ waren geheel zakelijk. [Veroordeelde] testte immers juist veel camera’s en gebruikte (en verbruikte) daarbij verschillend materiaal zoals fotorolletjes e.d. Dat waren - wat [veroordeelde] betreft - geheel zakelijke kosten. “Je moet natuurlijk als directeur van een fotozaak wel weten wat er in de fotowereld speelt en weten wat je verkoopt”.

Anders dan de camera’s en andere apparaten, kan men - bij het testen — het daarbij verbruikte materiaal later niet boekhoudkundig corrigeren door middel van het afletteren debiteuren en het opnieuw opvoeren van het goed als voorraad, zoals - naar zeggen van [veroordeelde] - gebeurd is met bijvoorbeeld (foto)camera’s, die werden teruggebracht door hem nadat deze waren getest.

Het gehele bedrag ad EUR 74.063, 08 is derhalve in het geheel niet aan te merken als een component behorend bij het totale voordeel dat [veroordeelde] wederrechtelijk zou hebben genoten. Deze component moet derhalve in het geheel worden uitgesloten van de totale berekening van het wederrechtelijk voordeel.

Subsidiair is de stelling van de verdediging dat ten onrechte in het ontnemingsrapport geen enkele rekening is gehouden met de 57 facturen die kennelijk zijn afgeletterd. Het is de subsidiaire stelling van [veroordeelde] dat ten minste het overeenkomende bedrag van EUR 8.527,44 van het bedrag van 74.063,08 afgetrokken dient te worden. Er resteert dan hooguit een bedrag van EUR 65.535,64 (voor zover Uw rechtbank al niet de ontneming zou beperken tot het bedrag van EUR 23.170,36 (bestaande uit ondermeer 2 expliciet genoemde uitgaven van EUR 20.511,79 op 16 oktober 2002, en een bedrag van EUR 1.516,63 op 30 november 2002).

Zakendossier 3.3.

Standpunt verdediging ad B.(Rekening-courant)

Het bedrag van EUR 563.678,91 komt overeen met de debetstand op de grootboek- rekening 1852 de dato 1 januari 2003, zijnde de grootboekrekening genaamd “Rekening Courant [veroordeelde]”. Dit bedrag zou - aldus de rapporteur - het totale bedrag zijn dat ten onrechte door [veroordeelde] zou zijn onttrokken aan de B.V. Het komt de verdediging voor dat - gelet op het vonnis in de commune zaak - hooguit het verder laten oplopen van de debetstand vanaf het moment dat [veroordeelde] kennelijk had moeten weten, dat hij dit niet meer zondermeer zou kunnen doen, hem kan worden aangerekend, omdat hij - vanaf dat moment pas - daarmee crediteuren zou kunnen benadelen, indien Flandria B.V. later failliet zou gaan in de toekomst en dat voor hem voorzienbaar zou hebben kunnen zijn. Het rapport spreekt over het feit dat in oktober 2000 [veroordeelde] al zou hebben moeten weten dat het slecht ging met zijn bedrijf en hij de debetstand niet verder had mogen laten oplopen. In het vonnis komt echter terug een begindatum van 27 mei 2002. De debetstand was overigens in oktober 2000 niet bekend, maar wel op 1 januari 2001. Toen was dit EUR 260.984, 39. Het verder laten oplopen in de navolgende jaren kan daarom hooguit worden gezien als vermoedelijk onrechtmatig en hooguit als vermoedelijk wederrechtelijk genoten voordeel. Derhalve dient sowieso het bedrag van EUR 260.984,39 te worden afgetrokken van het in rapport genoemde bedrag, omdat niet gezegd kan worden dat het [veroordeelde] valt aan te rekenen dat het voor die tijd aanhouden van een rekening courant onrechtmatig zou zijn en dat hij daaruit voordeel zou hebben genoten. Sterker nog - het commune vonnis volgend - dient gekeken te worden naar de debetstand vanaf 27 mei 2002. Het ‘voordeel’ van [veroordeelde] dient dan ook hooguit te worden bepaald op dit verschil, wat door de Rechtbank eerder is bepaald te zijn: EUR 158.391,14 (zie pagina 12 van 28).

Niet onbelangrijk is overigens dat dit alles - zoals hiervoor genoemd - het subsidiaire standpunt van [veroordeelde] is. Primair is immers zijn standpunt, dat hij uit het bewezenverklaarde geen enkel voordeel heeft getrokken, omdat hij zelf in privé EUR 1,6 miljoen (via een lening) in zijn B.V. had gestoken. Dat geld is hij nu ook kwijt. Van deze lening was - gelet op de financieringsvoorwaarden - een deel achtergesteld. Hooguit daar waar de hoogte van de rekening courant zou overstijgen het deel van de achtergestelde lening, heeft hij daarbij onrechtmatig ‘voordeel’ genoten. Het bedrag dient dan ook in elk geval te worden aangepast tot het door de Rechtbank vastgestelde bedrag van EUR 158.391,14 in plaats van het voorgestelde bedrag ad EUR 563.678,91.

Voorts is er over 2002 geen rente bijgeboekt. Over de rente van 2002 had een bedrag bij geboekt moeten worden (dit werd doorgaans aan het einde van het jaar door de accountant verricht) van EUR 66.350,00 (5% van 1.327.000,00). Er is namelijk wel rente afgeboekt voor de lening aan Flandria beleggingen. Deze rente werd geboekt ten laste van de rekening courant van [veroordeelde] (omdat de lening aan [veroordeelde] privé was).

Het is fiscaal ook voorgeschreven om rente te rekenen bij een rekening courant verhouding. Er is dus afgeboekt, maar de bijboeking gebeurde door de boekhouder aan het einde van het jaar.

In 2002 zijn voorts alle Flandria winkels verbouwd (vgl. hiervoor). De kosten van de verbouwingen zijn geboekt op rekening courant [veroordeelde].

Naast het voorgaande verdient bij het berekenen van het wederrechtelijke ‘voordeel’ opmerking dat [veroordeelde] heel lang geen, althans veel minder salaris aan zichzelf heeft laten uitbetalen door de B.V. waarvan hij directeur was op het moment dat het minder ging met het bedrijf. Met die omstandigheid zou ten voordele van [veroordeelde] nog rekening moeten worden gehouden. Had hij zichzelf immers een gepast normaal salaris voor een DGA (desnoods naar beneden aangepast in verband met het voorzichtigheidsbeginsel, gelet op de precaire situatie van het bedrijf), toegekend, dan had [veroordeelde] natuurlijk ook veel minder privé-opnamen, c.q. privé-bestedingen behoeven te doen via de zakelijke creditcard van Flandria B.V. en was de post nooit zo hoog opgelopen, zoals nu kennelijk is gebeurd. Derhalve dient het bedrag van EUR 158.391, 14 nog te worden verminderd met een in goede justitie te bepalen salaris voor de duur van 7 maanden in de bewezen verklaarde periode. Aldus [veroordeelde] was zijn salaris in 1997 fl. 324.244, in 1998 fl. 419.524, in 1999 fl. 375.077, in 2000 EUR 180.000, in 2001 ongeveer 200.000 (nog niet getraceerd door [veroordeelde]) en in 2002 EUR 50.665.

5.4

Standpunt officier van justitie, zoals verwoord in haar Conclusie van Repliek d.d. 28 februari 2006.

In de conclusie van antwoord heeft de raadsman van betrokkene tegen deze posten als eerste verweer gevoerd dat nu de rechtbank de periode van de bedrieglijke bankbreuk aanzienlijk heeft verkort, alleen de bedragen die in die periode aan de boedel zijn onttrokken en door de rechtbank in de strafzaak zijn vastgesteld op a) € 23.170,36 respectievelijk b) € 158.391,14, kunnen worden gezien als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het openbaar ministerie kan zich hier in niet vinden. Immers op grond van artikel 36e lid 2 kan ook worden ontnomen voor soortgelijke feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de veroordeelde zijn begaan, terwijl op grond van artikel 36e lid 3 eveneens kan worden ontnomen indien aannemelijk is dat ook andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Volgens vaste rechtspraak van de HR betekent dit dat zelfs indien er vrijgesproken is het voordeel daaruit desondanks kan worden ontnomen, indien het aannemelijk is dat dat feit is gepleegd.

Ten aanzien van de periode van de bedrieglijke bankbreuk heeft de rechtbank geoordeeld dat betrokkene vanaf voorjaar 2002 rekening moet hebben gehouden met een mogelijk faillissement van Flandria, waarbij de datum waarop Flandria overging bij de Fortisbank naar de afdeling Bijzonder Beheer als scheidslijn is getrokken. De bedrieglijke bankbreuk is op dit grond door de rechtbank bewezen verklaard.

Naar de mening van het Openbaar Ministerie is het echter aannemelijk dat reeds vóór die tijd, en wel vanaf 1 oktober 2000, rekening moest worden gehouden met een mogelijk faillissement. Immers: in september/oktober 2000 was er een briefwisseling tussen betrokkene en de ING (eveneens de afdeling bijzonder beheer!), waaruit blijkt dat de ING op 1 oktober 2000 geen vertrouwen meer had in de onderneming. Betrokkene had zelf voorgesteld om zijn eigen woning te verkopen teneinde de rekening-courant geheel af te lossen. Tevens blijkt uit die stukken dat er in 1999 verlies werd gedraaid.

De ING is vervolgens vervangen door de Fortis-bank die -zo blijkt uit de verklaring van [getuige 3] bij de rechter-commissaris- niet op de hoogte was dat Flandria ook bij de vorige bankier problemen had gehad en dat ook daar al de afdeling bijzonder beheer was ingeschakeld.

Tevens is door de rechtbank bewezen verklaard dat er naast valse kredietlijsten ook valse voorraadlijsten waren opgemaakt door Flandria, waar betrokkene opdracht danwel feitelijk leiding aan had gegeven. Een daarvan dateerde van 1 januari 2001: de voorraad van Flandria was daarop voor een veel te hoge totaalprijs vermeld, hetgeen invloed had op de hoogte van het krediet. Naar de mening is het aannemelijk

dat als het al slecht gaat met het bedrijf, de ene bank het vertrouwen opzegt en de volgende bank klaarblijkelijk mede op basis van valse en onvolledige informatie, opnieuw krediet verschaft, terwijl de DGA de rekening-courantverhouding alleen maar tot grote hoogte laat oplopen, allerlei goederen uit de zaak haalt zonder ze te betalen, terwijl hij ook zijn salaris niet aanpast aan de slechte situatie, een faillissement te verwachten valt. Op grond daarvan meent het Openbaar Ministerie dat er voldoende aanwijzingen zijn dat er sprake is van soortgelijke feiten als het bewezenverklaarde feit vanaf de datum van 1 oktober 2000.

In totaal -dus bewezen verklaard feit en soortgelijk feit- gaat het dan met betrekking tot de fotografische artikelen als bedoeld onder a) om het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 74.063,08. Met betrekking tot het onder b) bedoelde bedrag betreft het totale wederrechtelijk verkregen voordeel - bewezen verklaard en soortgelijk feit - dan in totaal datgene dat na 1 oktober 2000 is opgenomen, dit is € 352.035,79, zijnde het verschil tussen de stand van de rekening-courant op 1 oktober 2000, € 211.643,128, en 1 januari 2003, € 563.678,91.

Wat betreft het onder a) genoemde bedrag heeft de raadsman nog een aantal punten aangevoerd.

Het verweer van betrokkene dat ook dit bedrag niet als wederrechtelijk voordeel kan gelden, omdat het zakelijke onttrekkingen waren, gaat naar de mening van het Openbaar Ministerie niet op. Ten aanzien van deze posten is immers ter gelegenheid van de strafzaak reeds door betrokkene gesteld dat het hier om testmateriaal ging, hetgeen door de rechtbank in het strafvonnis als onaannemelijk is aangemerkt. Nu dit verweer dus in de strafzaak is verworpen, dient het overeenkomstig de hiervoor vermelde jurisprudentie niet opnieuw in de ontnemingszaak te worden behandeld.

De als primair gepresenteerde stelling van de verdediging dat [veroordeelde] niet kan opmaken om welke goederen of betalingen voor diensten het gaat’, is niet in overeenstemming met het hiervoor weergegeven verweer dat het om testmateriaal zou gaan. Bovendien blijkt uit de stukken opgenomen in bijlage S 17 voldoende duidelijk waar het hier om gaat.

De door de verdediging in dit verband nog aangehaalde mogelijkheid van foto’s voor gebruik in de studio’s zijn gelet op de aangegeven prijzen en de hoogte van de onbetaald gebleven facturen evenzeer onaannemelijk.

Tenslotte is nog gesteld door de verdediging dat rekening zou moeten worden gehouden met de facturen die zijn afgeletterd. In het strafvonnis heeft de rechtbank hierover overwogen dat deze afboekingen hebben plaatsgevonden en in totaal € 9.904,65 besloegen. Omdat dit al verwerkt was in de onbetaald gebleven facturen is dit niet nogmaals in het wederrechtelijk verkregen voordeel meegenomen, aldus het ontnemingsrapport.’

Wat betreft het onder b) genoemde bedrag wordt door de verdediging weer hetzelfde verweer als in de strafzaak gevoerd, namelijk dat er geen sprake is van enig voordeel, omdat hij zelf in privé € 1,6 miljoen (via een lening) in zijn BV had gestoken. Zoals de rechtbank heeft overwogen was de lening slechts achtergesteld ten opzichte van de vordering van de Fortisbank en niet ten opzichte van de overige bedrijfscrediteuren. Voorts behoort die lening tot het bedrijfsvermogen en artikel 343 Sr strekt ertoe dat wordt voorkomen dat het bedrijfsvermogen in het zicht van faillissement wordt

uitgehold. Dat de lening van verdachte zelf afkomstig is, maakt dit niet anders, aldus de rechtbank. Ook dit verweer faalt dus.

Subsidiair heeft de raadsman nog aangegeven dat er nog rente over 2002 had moeten worden bij geboekt. Het Openbaar Ministerie is van mening dat, nu uit de stukken met betrekking tot de rekening-courant blijkt dat er in de andere jaren evenmin rente over deze lening is bij geboekt, er vanuit gegaan dient te worden dat ofwel geen rente was verschuldigd ofwel de rente op andere wijze aan betrokkene werd vergoed. Nu de raadsman heeft nagelaten aan te geven waarom er in 2002 in afwijking van andere jaren thans rente via de rekening-courant zou moeten worden vergoed, is deze post mijns inziens onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Tenslotte heeft de raadsman betoogd dat er nog een verrekening zou dienen plaats te vinden op grond van de stelling dat [veroordeelde] gedurende heel lang geen danwel veel minder salaris aan zichzelf had laten uitbetalen door de BV. Zoals blijkt uit de ontnemingsrapportag heeft [veroordeelde] in de jaren 2000 tot en met 2002 wel salaris genoten, in 2002 € 50.655,--. Gelet op de precaire financiële positie van de BV is het alleszins als juist te beschouwen dat het salaris van de DGA is aangepast aan deze positie en minder hoog is dan in eerdere jaren, waarbij ik wil opmerken dat dit salaris nog alleszins niet minimaal te noemen is.

De conclusie van het Openbaar Ministerie is dan ook dat het wederrechtelijk verkregen voordeel uit het eerste strafrechtelijke onderzoek moet worden geschat op a) € 74.063,08 plus b) € 352.035,79, derhalve in totaal op € 426.098,87.

5.5

De rechtbank overweegt ten aanzien van de vordering, het verweer en het - gewijzigde - standpunt van de officier van justitie ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel het volgende.

1e strafrechtelijke onderzoek.

Zakendossier 3.2.

De rechtbank heeft in het vonnis d.d. 29 november 2005 vastgesteld dat [veroordeelde] vanaf het voorjaar 2002 rekening moet hebben gehouden met een mogelijk faillissement van Flandria BV. De rechtbank trekt de scheidslijn op 27 mei 2002 , de datum waarop de financiering van Flandria bij de Fortisbank overging naar de Afdeling Bijzonder Beheer. Pas vanaf dat moment was er volgens de rechtbank sprake van strafbare onttrekkingen.

De rechtbank heeft op grond van deze vaststelling [veroordeelde] vrijgesproken van de onttrekkingen in de aan die datum voorafgaande periode.

De rechtbank zal bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel dan ook uitgaan van de periode van 27 mei 2002 tot en met 1 januari 2003, voorzover het feiten en omstandigheden betreft gerelateerd aan de bewezenverklaarde bedrieglijke bankbreuk.

Omtrent de bewezenverklaarde onttrekkingen overweegt de rechtbank het volgende:

Facturen op naam [veroordeelde].

Voor wat betreft de onbetaald gebleven facturen ten name van [veroordeelde] blijkt uit de stukken dat [veroordeelde] na 27 mei 2002 voor Euro 23.170,36 op rekening bij Flandria B.V. heeft gekocht. Zoals hiervoor gesteld heeft de raadsman aangevoerd dat [veroordeelde] de ontrokken zaken niet ten eigen voordele heeft aangewend.

Dit verweer wordt door de rechtbank verworpen nu in het strafvonnis is beslist dat het om strafbare onttrekkingen gaat waarbij het verweer dat het om zakelijke uitgaven gaat expliciet is verworpen.

Zakendossier 3.3.

Grootboekrekening rekening-courant [veroordeelde]

Door de rechtbank is in de strafzaak bewezenverklaard dat privé-opnamen en -bestedingen ten laste van een of meer rekeningen van Fotohandel Flandria BV tot een totaalbedrag van Euro 158.391,14 - zijnde het verschil tussen de debetstand grootboek- rekening 1852 d.d. 27 mei 2002 en 1 januari 2003 zijn te beschouwen als onttrokken aan de boedel ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die besloten vennootschap.

De raadsman heeft zoals hierboven is aangehaald aangevoerd dat geen sprake kan zijn van wederrechtelijk verkregen voordeel door het laten oplopen van de debetstand in rekening-courant omdat [veroordeelde] aan [BV 1] een - achtergestelde - lening had verstrekt van ruim Euro 1.500.000,--.

Pas indien per saldo meer zou zijn onttrokken dan het bedrag van deze lening zou dit volgens de raadsman aan te merken zijn als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bovendien zou over genoemde achtergestelde lening ten gunste van de rekening- courant van [veroordeelde] rente dienen te worden bijgeboekt, waardoor de debetstand zou zijn afgenomen. Er zou immers ook rente over aan Flandria Beleggingen B.V. - zijnde [veroordeelde] privé - verstrekte gelden zijn geboekt ten laste van de rekening- courant.Ter onderbouwing van een en ander wordt als bijlage bij de conclusie van dupliek door de verdediging overgelegd een kopie van een concept balans per 31 december 2000 en 31 december 2001 en een bladzijde uit de toelichting op de verlies- en winstrekening over de jaren 2000 en 2001 van [BV 1] ( de moedervennnootschap van Fotohandel Flandria BV, waarmee [veroordeelde] een rekening-courantverhouding had ) uit de jaarrekening van [veroordeelde] Holding BV., de topholding van de Flandria vennootschappen.

Uit deze kopie blijkt van een langlopende schuld van [BV1] aan [veroordeelde] per 31 december 2000 en 31 december 2001 van Euro 1.573.230,-- terwijl in de verlies- en winstrekening over 2001 een last is geboekt als rente over de lening [veroordeelde] van Euro 90.007,--.

Verder heeft de raadsman aangevoerd dat bij de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk door [veroordeelde] verkregen voordeel rekening moet worden gehouden met het feit dat door [veroordeelde] over de periode van 27 mei 2002 tot en met 1 januari 2003 niet een marktconform directeurssalaris is genoten. De redenering is dat, als er meer salaris zou zijn genoten, er minder reden was geweest om privé uitgaven en -onttrekkingen ten laste van de tussen de besloten vennootschap en [veroordeelde] bestaande rekening-courant te brengen.

Tenslotte heeft de raadsman aangevoerd dat in het jaar 2002 een aantal winkels werd verbouwd in verband met de nieuwe strategie van Flandria en dat de kosten van deze verbouwingen ten laste van de rekening-courant van [veroordeelde] zijn geboekt.

De rechtbank verwerpt dit verweer op de volgende gronden.

De door [veroordeelde] aan [BV1] verstrekte lening was alleen achtergesteld ten opzichte van de door de Fortisbank aan Flandria verstrekte financiering en niet ten opzichte van de overige bedrijfscrediteuren.

Een dergelijke door de directeur/groot-aandeelhouder als zodanig aan een besloten vennootschap verstrekte achtergestelde lening heeft veelal het karakter van - op informele wijze ingebracht - aandelenkapitaal. Zoals reeds in het commune vonnis is vastgesteld behoort een dergelijke achtergestelde lening tot het weerstandsvermogen van een besloten vennootschap waarop crediteuren zich kunnen verhalen terwijl artikel 343 van het Wetboek van strafrecht ertoe strekt dat wordt voorkomen dat het bedrijfsvermogen in het zicht van een faillissement wordt uitgehold.

Gegeven het hiervoor genoemde karakter van informeel kapitaal pleegt op een door de aandeelhouder verstrekte achtergestelde lening veelal geen rente te worden bijgeboekt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat het in dit geval anders zou zijn. Wat ook de status is van de concept-balans: Dat een bedrag aan rente als last in de jaarrekening van de vennootschap is opgenomen betekent nog niet dat deze ook ten gunste van de rekening-courant van [veroordeelde] is geboekt. Door

[veroordeelde] is als een vergelijkbare situatie genoemd de rente berekend aan Flandria beleggingen B.V. Ter terechtzitting heeft [veroordeelde] verklaard dat deze

vennootschap niet bestaat en dat er ook - behoudens de debetstand in rekening courant - geen gelden aan [veroordeelde] zijn verstrekt. Dat een dergelijk bedrag in de jaarrekening is geboekt is in dit geval niet komen vast te staan aangezien slechts enkele pagina's uit een conceptbalans zijn overgelegd.

Het door een directeur/aandeelhouder niet opgenomen salaris kan onder de genoemde omstandigheden worden gekenschetst als door de aandeelhouder informeel ingebracht kapitaal waardoor er - volgens de hiervoor gegeven redenering - geen reden is om daarmee bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening te houden.

Het standpunt dat kosten terzake van verbouwingen van de winkels van Flandria ten laste van de rekening courant van [veroordeelde] zijn gebracht is op geen enkele wijze onderbouwd en is ook overigens niet aannemelijk gemaakt.

Resumerend bepaalt de rechtbank het geschatte wederrechtelijk voordeel met betrekking tot de posten in het 1e strafrechtelijk onderzoek als volgt:

Zakendossier 3.2 niet-betaalde onttrekkingen aan bedrijfsvoorraad € 23.170,36

Zakendossier 3.3 rekening-courant 1 januari 2003 € 563.678,91

27 mei 2002 € 405.287,77

€ 158.391,14

Totaal € 181.561,50

2e strafrechtelijke onderzoek.

5.6

De raadsman heeft in de Conclusie van Antwoord d.d. 30 januari 2006 met betrekking tot de berekening van het voordeel voortvloeiend uit het 2e strafrechtelijke onderzoek onder meer het volgende aangevoerd.

Het totaalbedrag van EUR 213.496,19 berekend in de rapportage wordt deels door

[veroordeelde] betwist.

Voornoemd bedrag is opgebouwd uit diverse posten waaronder specifiek genoemd worden:

1. het beweerdelijk genoten (maar niet aan de bewindvoerder opgegeven) salaris m.b.t. werkzaamheden bij GVS ten tijde van het van toepassing zijn van de schuldsanering,

2. het gebruik kunnen maken van een bedrijfsvoertuig toebehorend aan GVS (zonder dat de bewindvoerder hiervan wetenschap zou hebben gehad),

3. verkoopopbrengst van een Range Rover (zonder dat de bewindvoerder hiervan zou hebben geweten)

4. andere niet verantwoorde baten uit eerdere verkoop, alsook

5. de uitkering van Interpolis ten tijde van de schuldsanering (zonder dat Interpolis zou hebben ingestemd met werken op arbeidstherapeutische basis)

6. diverse betalingen van de ondernemingsrekening van [betrokkene 6] Sports B.V.(terwijl de bewindvoerder hier niet van wist) en

7. door creditcard gebruik in privé in de jaren 1999 t/m 2002.

Salaris

[Veroordeelde] heeft geen salaris bij Goede Veld Sport (GVS) genoten. [Veroordeelde] is ook van mening dat hij geen salaris mocht ontvangen. Dat was aanvankelijk weliswaar de bedoeling (gelet ook op de aangetroffen overeenkomst tussen [veroordeelde] en GVS), maar dat is feitelijk nooit geëffectueerd.

Het voordeel in dit kader berekend op EUR 27.316,83 dient dan ook te worden afgewezen. [Veroordeelde] heeft gewerkt op arbeidstherapeutische basis gedurende het van toepassing zijn van de saneringsregeling.

Hij ontving een uitkering van Interpolis. Dat is wat hooguit wederrechtelijk ten voordele van [veroordeelde] heeft gestrekt. Het totale bedrag dient te worden aangepast ten voordele van [veroordeelde]. Het niet opgegeven van de uitgekeerde gelden krachtens de arbeidsonge- schiktheidsverzekering dient hooguit als enige component te worden betrokken in het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Gebruik bedrijfsvoertuig

Het ter beschikking hebben van een bedrijfsvoertuig is onmiskenbaar een voordeel (zij het summier) geweest voor [veroordeelde], maar hierbij verdient aanstonds opmerking, dat [veroordeelde] uitdrukkelijk stelt dat hij zulk gebruik van het voertuig heeft gemeld aan de bewindvoerder mr. Branger, hetgeen hem zou moeten vrijwaren voor wat betreft de ontneming van het voordeel op dit punt. Het bedrag van EUR 1.495,48 dient dan ook niet te worden betrokken hij de berekening van de hoogte van het beweerdelijk wederrechtelijk verkregen voordeel.

Subsidiair merkt de verdediging met betrekking tot deze post met klem op, dat het bedrag van EUR 0,28 per kilometer dat is gebezigd bij de berekening geheel uit de lucht gegrepen is. Niet valt in te zien waarom niet bijvoorbeeld een bedrag van bijvoorbeeld EUR 0.18 zou moeten worden gehanteerd bij het berekenen van het beweerdelijk voordeel wat cliënt zou hebben gehad.

Verkoop Range Rover

Over het bedrag van EUR 23.500,00 heeft [veroordeelde] nimmer kunnen beschikken. [Veroordeelde] heeft hierover een verklaring afgelegd ter terechtzitting. Het is naar de mening van [veroordeelde] niet wederrechtelijk aan hem toegevloeid. Veldhoen heeft het bedrag ontvangen.

Niet verantwoorde baten

Het bedrag van EUR 7.150,00 wordt niet betwist, zij het dat [betrokkene 6] ten tijde van de levering van goederen voor de decoratie van het Sportcentrum, geen geld had. [veroordeelde] was toen nog niet failliet of in de schuldsanering. Uitbetalingen zijn slechts geschied voor een deel van de goederen. De rest staat nog bij GVS. De curator van [veroordeelde] is daar bekend mee. Die had geen belangstelling voor die goederen.

Uitkering Interpolis ten tijde van schuldsanering

Het bedrag van EUR 20.152,80 wordt in zoverre betwist aan verkregen ‘voordeel’, dat - gelet op het feit dat [veroordeelde] zich op het standpunt stelt dat hij op arbeidstherapeutische basis heeft gewerkt - conform het advies van de bedrijfsarts - hij ten onrechte wederrechtelijk voordeel zou hebben genoten.

Ondernemersrekening [betrokkene 6] Sport B.V.

Ten aanzien van de bedragen van EUR 5.559,17 en EUR 19.473,94 en EUR 10.633,50 wordt betwist dat deze aan [veroordeelde] zijn toegevloeid. Er zouden 39 transacties ten onrechte zijn geboekt op rekening courant [veroordeelde] tegen een waarde van EUR 5.559,17. Er zou op een andere rekening door de echtgenote van [veroordeelde] privébetalingen zijn verricht voor in

totaal een bedrag van EUR 19.473, 94, die kennelijk als zakelijke kosten waren verwerkt. Er zou voor een bedrag van EUR 10.633,50 geldopnamen zijn verricht door [veroordeelde].

[Veroordeelde] betwist dat hem hieruit voordeel is toegevloeid, mede gelet op het feit dat de echtgenote van [veroordeelde] alle vorderingen over en weer met GVS heeft verrekend in haar ontslagvergoeding.

[Veroordeelde] stelt zich voorts op het standpunt dat deze bedragen ook deels advocaatkosten betreft die door [betrokkene 7] betaald zouden worden (vgl. de verklaring van [betrokkene 7] bij de R-C en bij de politie).

Gebruik Visa creditcards Flandria B.V.

Hetgeen over de jaren 1999 t/m 2002 is gekocht met de zakelijke creditcards is al ter sprake gekomen bij het eerste onderzoek. Door dit wederom te betrekken wordt een en ander dubbel geteld. [Veroordeelde] betwist overigens dat vermoedelijke privé-uitgaven ten onrechte zakelijk zijn geboekt bij Flandria B.V. voor in totaal een bedrag van EUR 98.214, 47. Veelal zijn de op het eerste oog privé-bestedingen toch zakelijke uitgaven geweest.

De raadsman heeft in de Aanvullende Conclusie van Antwoord d.d. 30 november 2006 met betrekking tot de berekening van het voordeel voortvloeiend uit het 2e strafrechtelijke onderzoek onder meer het volgende aangevoerd.

U treft hierbij aan de (aanvullende) conclusie in de ontnemingszaak in verband met de stukken, zoals die na heropening van het SF0 aan [veroordeelde] casu quo de verdediging zijn verstrekt. Deze conclusie ziet op de stukken met betrekking tot de visaboekingen, zoals die uit de map V zijn gekopieerd. (…)

Aan de hand van de thans beschikbare kopieën van visaboekingen, zijn (met inachtneming van het voorgaande) de volgende opmerkingen te maken:

1. Veel van de uitgaven met de betreffende kaarten zien op benzine. In de periode van deze visa overzichten (november 2001 tot en met juli 2002) had [veroordeelde] de beschikking over een personenauto, die fiscaal gold als zakenauto (bijtelling). [Veroordeelde] was aldus gerechtigd (naar buiten toe, maar ook in de interne verhouding tot Flandria) ongelimiteerd kilometers te maken. Zijn zakelijke activiteiten waren zeer divers (14 winkels), en hetgeen hij middels zijn kaart aan benzinekosten heeft gemaakt, heeft in overwegende mate een zakelijk karakter gehad, terwijl voor de gemaakte privékilometers bijtelling gold.

2. Ervan uitgaande dat de rechtbank over precies hetzelfde (gekopieerde) dossier beschikt als de verdediging, wijs ik U op de stukken die werden aangetroffen tussen het stapeltje stukken (met nietje) d.d. 1 december 2001 (opschrift ‘visa detail overzicht’) en het stapeltje stukken (met nietje) d.d. 1 februari 2002

(opschrift ‘visa detail overzicht’): Ofschoon het bovenste gedeelte is weggevallen van het eerste blad van de stukken waarop thans wordt gedoeld, moet het ervoor worden gehouden, dat dit is een "Visa detail overzicht" d.d. 1 januari 2002.

In tegenstelling tot bij andere detailoverzichten is aan dit detailoverzicht wel gehecht, althans volgen die stukken op dit detailoverzicht, overzichten en documenten met betrekking tot de boekingen die in dat detailoverzicht zijn opgenomen. Zo is op de visakaart geboekt, met de visakaart betaald in (december 2001) een aantal bedragen, terzake aankopen bij een aantal parfumerieën. De eerste pagina na meerbedoeld overzicht van visa is een intern stuk, in dit geval opgemaakt door boekhouder [betrokkene 12], waarbij coderingen worden toegekend -en omschrijvingen gegeven- aan de uitgaven die aldus in de betreffende periode met de visakaart zijn gemaakt. Te lezen is dat onder de code 4039/1 tot en met 116 is uitgesplitst een aantal Sint + Kerstgeschenken, ten belope van f 50,43 elk.

Al dus moet worden vastgesteld;

1. Dat je in algemene zin kunt veronderstellen (de aanname is althans gewettigd), dat het bedrijf van [veroordeelde] zich niet onderscheidde van andere bedrijven en dat in die periode Sinterklaas- en Kerstgeschenken worden gegeven;

2. Bijvoorbeeld de bon van de Parfumerie aan de Stationsstraat te Bergen wijst uit, dat op 12 december 2001 (het jaartal wordt niet genoemd; maar dit stuk maakt onderdeel uit van stukken uit die periode) 17 flesjes Cacharel Parfum worden aangeschaft. Zelfs bij een voorkeur voor dat parfum koop je dat parfum niet in dergelijke partijen. Eén en ander versterkt dus de stelling van [veroordeelde] op dit punt. In juist een geval, waarin aan de overzichten van visa in deze map ook interne stukken zijn gehecht (met coderingen) en facturen, behorende bij die visaboekingen, levert dat aldus een voor [veroordeelde] ontlastende omstandigheid op. De stelling van [veroordeelde] is steeds geweest en zal ook bij de inhoudelijke behandeling van de ontnemingszaak op 15 januari a.s. verder worden uitgewerkt, dat juist het gebrek aan dergelijke documenten het voor [veroordeelde] onmogelijk maakt zich tegen de aanklacht, thans de ontnemingsvordering, te weren;

3. In lijn met het onder 2 gestelde is de aankoop (zie "detail overzicht" april 2002) van een groot aantal blouses bij een kledingzaak te Bergen. Hoe kan een uitgave terzake een dergelijk aantal kledingstukken, tot steeds hetzelfde bedrag, anders dan een zakelijk karakter hebben?! Ten aanzien van deze uitgave geldt overigens (voor de volledigheid) niet, dat op grond van de interne, door de boekhouder opgemaakte, stukken te ontwaren is welke codering aan die uitgaven moet worden toegekend.

5.7.

Standpunt officier van justitie, zoals verwoord in haar Conclusie van Repliek d.d. 28 februari 2006.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel dat verkregen is door de feiten uit het tweede strafrechtelijke onderzoek ad in totaal € 213.496,19 bestaat uit verschillende posten. In het navolgende zal ik op deze posten ingaan:

a) Niet aan bewindvoerder afgedragen salaris uit dienstbetrekking bij GVS BV - het wederrechtelijk verkregen voordeel is becijferd op € 27.316,83.

De verdediging heeft hiertegen ingebracht dat [veroordeelde] geen salaris heeft genoten bij GVS en ook geen salaris mocht genieten omdat hij gewerkt heeft op arbeidstherapeutische basis.

De rechtbank heeft in haar strafvonnis op dit punt het volgende overwogen “Uit de verklaringen van getuige [betrokkene 6] en verdachtes echtgenote in samenhang met de afgeluisterde telefoon gesprekken en de observaties, blijkt dat verdachte

zeer frequent als bedrijfsleider voor Goede Veld Sport werkzaam was. Volgens getuige [betrokkene 6] was verdachte vijf of zes volle dagen aanwezig en maakte hij net als hij zelf lange dagen.... Volgens [betrokkene 6] heeft verdachte niet met hem besproken dat hij op arbeidstherapeutische basis zou werken.

De echtgenote van verdachte verklaart bij de politie dat verdachte op 1 juli 2003 bij GVS is gaan werken. .. Zij verklaart dat zij het moeilijk vond om tegen de medewerkster van Interpolis te zeggen dat verdachte “gewoon aan het werk was”

Deze verklaringen verdragen zich niet met het door verdachte opgeroepen beeld dat hij slechts op arbeidstherapeutische basis wat werkzaamheden verrichtte De rechtbank hecht geen geloof aan de bewering van verdachte dat hij slechts op arbeidstherapeutische basis wat werkzaamheden heeft verricht...”

Zoals hiervoor al opgemerkt dient dit oordeel van de rechtbank in de strafzaak voor de ontnemingszaak als vaststaand te worden aangemerkt.

Daarbij wil ik nog opmerken dat niet van belang is of het loon al dan niet is uitbetaald: indien het (heimelijk) is uitbetaald, is het gedeelte boven het vrij te laten gedeelte wederrechtelijk verkregen (immers niet aan de boedel betaald) en voorzover het nog niet is uitbetaald, bestaat er een vordering op GVS vanwege ten onrechte niet uitbetaald maar wel overeengekomen loon, en behoort het gedeelte daarvan dat boven de vrijlating uitkomt, evenzeer tot het wederrechtelijk verkregen vermogen.

Het verweer op dit punt dient dan ook te worden verworpen.

b) Niet aan de boedel vergoed voordeel wegens gebruik auto - het wederrechtelijk verkregen voordeel is becijferd op € 1.495,48.

De verdediging heeft erkend dat het ter beschikking hebben van de hier bedoelde Mercedes een voordeel heeft opgeleverd, maar heeft daarbij aangevoerd dat betrokkene zou moeten worden gevrijwaard van de ontneming van dit bedrag omdat hij het gebruik van het voertuig zou hebben gemeld aan de bewindvoerder. Het openbaar ministerie is het hier niet mee eens. Daargelaten dat in de verklaringen van de bewindvoerder alleen wordt gesproken over de auto die op naam van [betrokkene 10] stond en dus over een andere auto, had het voordeel uit het gebruik van de Mercedes door betrokkene moeten worden betaald aan de boedel, of hij dit nu wel of niet gemeld had. Nu dit niet gebeurd is, levert dit wederrechtelijk verkregen voordeel op.

Subsidiair heeft de verdediging opgemerkt dat het bedrag van 0,28 eurocent per km geheel uit de lucht gegrepen is. Naar de mening van het Openbaar Ministerie kan het voordeel geschat worden op 0,28 eurocent per km, omdat het een feit van algemene bekendheid is dat bij een dergelijke auto als die betrokkene ter beschikking had een km-vergoeding van 0,28 eurocent als minimaal behoort te worden gezien, terwijl bovendien deze kilometervergoeding in die periode ook het bedrag was dat als onbelastbare kilometervergoeding door de belastingdienst werd gehanteerd.

c) Niet aan bewindvoerder afgedragen opbrengst verkoop Range Rover - het wederrechtelijk verkregen voordeel is becijferd op € 23.500,00.

De verdediging heeft opgemerkt dat betrokkene nooit over dit bedrag heeft kunnen beschikken.

Ook op dit punt wil het Openbaar Ministerie allereerst verwijzen naar hetgeen de rechtbank hierover heeft opgemerkt in het strafvonnis. De rechtbank heeft de verklaring van verdachte - dat hij deze auto op naam had laten zetten van [betrokkene 10] om [betrokkene 10] zekerheid te verschaffen in verband met een geldschuld - -niet aannemelijk geacht. Volgens de rechtbank was betrokkene eigenaar van de Range Rover, waarbij de rechtbank tevens heeft verwezen naar de verklaring van [betrokkene 13] die verklaard heeft dat hij de deal inzake de te leasen Mercedes en de daarbij in te ruilen Range Rover volledig met verdachte heeft afgehandeld.

[Betrokkene 13] heeft daarbij tevens verklaard dat hij niet zeker meer weet aan wie hij de € 23.000,- heeft uitbetaald, maar dat hij denkt dat dit betrokkene is geweest. Het openbaar ministerie is van mening dat op grond van het voorgaande aannemelijk is dat betrokkene dit bedrag heeft ontvangen (hij is immers de eigenaar van die auto, heeft alles met betrekking tot de inruil van die auto afgehandeld en er is contant geld hiervoor uitbetaald). De verklaring van betrokkene dat [betrokkene 10] dit bedrag heeft ontvangen is naar de mening van het Openbaar Ministerie in het licht van dit alles volstrekt onaannemelijk. Dit bedrag had betrokkene aan de boedel moeten afgedragen. Nu dit niet is gebeurd, heeft betrokkene wederrechtelijk voordeel ter hoogte van dit bedrag verkregen.

d) Niet aan bewindvoerder verantwoorde baten - het wederrechtelijk verkregen voordeel is becijferd op € 7.150,00.

Dit bedrag wordt door de verdediging niet betwist.

e) Ten onrechte geïncasseerde arbeidsongeschiktheidsuitkering - het wederrechtelijk verkregen voordeel is becijferd op € 20.152,80.

Ook op dit punt stelt de verdediging dat betrokkene op arbeidstherapeutische basis zou hebben gewerkt, zodat dit bedrag niet als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden beschouwd. Het Openbaar Ministerie verwijst hier naar het standpunt van de rechtbank in de strafzaak en hetgeen hierover onder a) is opgemerkt. Dit verweer treft derhalve geen doel. De vordering met betrekking tot het wederrechtelijk voordeel zoals onder dit punt becijferd dient te worden toegewezen.

f. Voordeel uit het als zakelijk boeken van privé-uitgaven — het wederrechtelijk verkregen voordeel is becijferd op € 5.559,17 + € 19.473,94 + € 10.633,50 + € 98.214,47.

De raadsman heeft ten aanzien van de eerste drie bedragen, die betrekking hadden op de ondernemingsrekening van [betrokkene 6] Sports, als verweer gevoerd dat deze bedragen niet aan betrokkene zijn toegevloeid, omdat de echtgenote van betrokkene alle vorderingen over en weer met GVS heeft verrekend in haar ontslagvergoeding.

Deze vage bewering wordt op geen enkele wijze door de verdediging onderbouwd, zodat hier geen rekening mee behoort te worden gehouden. Daarnaast stelt betrokkene dat deze bedragen deels ook advocaatkosten betreffen die door [betrokkene 7] betaald zouden worden. Wat er ook zij van de afspraak tussen [betrokkene 7] en betrokkene over het betalen van de advocaat, op geen enkele wijze blijkt dat deze afspraak tevens inhield dat deze kosten op de zakelijke rekening van [betrokkene 6] Sports konden worden geboekt. Uit de bij de ontnemingsrapportage gevoegde bijlage Z3-5 blijkt bovendien niet dat de op de ondernemingsrekening geboekte posten advocaatkosten betreffen. Deze stelling is naar de mening van het Openbaar Ministerie derhalve door de verdediging niet aannemelijk gemaakt.

Met betrekking tot het wederrechtelijk voordeel dat voortvloeit uit het privé-gebruik van de zakelijke creditcards van Flandria is het verweer gevoerd dat dit al zou zijn betrokken bij het eerste onderzoek. Dit is echter niet juist. In het eerste onderzoek ging het om de rekening-courantverhouding en het onttrekken van fotografische artikelen. Dit is iets geheel anders dan het privé-gebruik van de creditcards, waarvoor de betaling vanaf de zakelijke rekening heeft plaatsgevonden.

Daarnaast wordt door de verdediging gesteld dat de bestedingen veelal zakelijke uitgaven zijn geweest, hetgeen betrokkene echter niet kan aantonen, omdat hij niet in het bezit is van de originele nota’s en grootboekkaarten. Mijns inziens blijkt echter uit de bijlagen Z3-6-1, Z3-6-2 en Z3-6-4 duidelijk om welke uitgaven het gaat. Bovendien is in dit kader het strafvonnis naar de mening van het Openbaar Ministerie opnieuw heel duidelijk. Nadat de rechtbank ten aanzien van de uitgaven met betrekking tot de ondernemingsrekening van [betrokkene 6] Sports had opgemerkt dat zij de overtuiging had bekomen dat het hoofdzakelijk om privé-uitgaven ging en de verklaringen van de echtgenote van betrokkene en van [betrokkene 6] had aangehaald 19: “Tenslotte vertoont dit onderzoek sterke overeenkomst met het onderzoek dat verbalisant Fokkinga heeft gedaan in het kader van het onderzoek Kameel 1 naar het privé-gebruik van de Visa creditcard van Flandria B. V (aanv. Pvb van 15 februari 2005 in extra ordner en de afschriften in Z3-6 in Kameel II onderzoek). Ook daarover verklaart verdachtes echtgenote dat zij met de creditcard van Flandria met instemming van haar man privé-uitgaven heeft gedaan...

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank het volstrekt onaannemelijk dat het de bedoeling was dat deze kosten later alsnog uit privé middelen zouden worden betaald. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat het, gezien het grote aantal bonnen van horecagelegenheden, vrijwel onmogelijk zou zijn aan het einde van het jaar vast te stellen of het om zakelijke dan wel privé etentjes ging.

Op grond van dit alles meen ik dat aannemelijk is dat het wederrechtelijk voordeel op grond van privé-bestedingen met de creditcards van Flandria die ten onrechte als zakelijke kosten zijn geboekt kan worden geschat op het in het ontnemingsrapport genoemde bedrag van € 98.214,47.

Alle verweren tegen de vordering weergegeven onder II dienen naar de mening van het Openbaar Ministerie te worden verworpen. Het wederrechteljk voordeel ten aanzien van de onderdelen a) tot en met f) dient derhalve te worden geschat op € 213.496,19.

5.7.1.

In de schriftelijke nadere conclusie in de ontnemingsprocedure d.d. 18 december 2006 heeft de officier van justitie voorts ten aanzien van de betalingen met de Visa-creditcards voorts nog het volgende opgemerkt:

III. Benzinekosten

De raadsman merkt op dat uit de recent in beslag genomen gegevens van de creditcardbetalingen blijkt dat [veroordeelde] veel benzinekosten heeft gemaakt en dat dit in overwegende mate uitgaven zijn met een zakelijk karakter.

Dit verweer kan buiten beschouwing worden gelaten, nu de uitgaven aan benzine in Nederland niet zijn meegenomen in de voordeelsberekening.

IV. Vermeende zakelijke uitgaven aan cosmetica en blouses

IV a: cosmetica

Volgens de raadsman betreffen de uitgaven aan “17 flesjes Cacharel Parfum” zakelijke uitgaven. Dit onderbouwt de raadsman door te wijzen op een handgeschreven overzicht waarin de code 4039 vergezeld gaat van de aantekening “Sint + Kerstgeschenk”.

Tegen het vermeende zakelijke karakter van deze uitgaven brengt het Openbaar Ministerie het volgende in.

Allereerst gaat het niet om precies dezelfde Cacharelproducten. Volgens de transactiebonnen gaat het om 2 soorten Cacharelproducten (“6 x 52,50 en 11 x 65,00”) waarbij het woord ‘parfum’ niet op de bon voorkomt.” Daarnaast ligt het niet voor de hand om als werkgever cosmetica te schenken aan relaties of personeelsleden. Dit betreft producten die mensen doorgaans in hoge mate afstemmen op hun persoonlijke voorkeuren en die doorgaans niet in groten getale worden ingekocht om meerdere personen eenzelfde product te schenken. Tenslotte is er bij deze transactie sprake van een grotere uitgave dan de raadsman beschrijft. Op de bon van de aankoop op 12 december (waarschijnlijk in het jaar 2001) bij Peter Wertenbroek staan namelijk 18 producten: “17 x Cacharel” en “Boucheron 1 x”. In het hierboven aangehaalde handmatig geschreven overzicht worden slechts 14 producten verantwoord met de code 4039 en de aantekening “Sint + Kerstgeschenk” voor een bedrag van in totaal hfl. 706,02.12 Van de overige 4 producten ontbreekt een specificatie van het zakelijke karakter. Op geen enkele wijze corresponderen de bedragen uit het handgeschreven overzicht met de transactiebon, wat de stelling dat hier om 17 zakelijke relatiegeschenken gaat ondergraaft.

IV b: blouses

Volgens de raadsman betreffen ook de uitgaven aan “een groot aantal blouses bij een kledingzaak te Bergen” zakelijke uitgaven. Dit onderbouwt de raadsman door te wijzen op het grote aantal blouses dat op 21 maart 2002 tijdens één aankoop is aangeschaft.

Ten eerste gaat het schijnbaar niet om precies dezelfde blouses. Blijkens de transactiebon gaat het om 3 soorten blouses (met de codes 11174250, 11174331 en 11174420).

Daar komt bij dat de opmerking van de raadsman dat het niet anders kan dan dat een uitgave terzake een dergelijk aantal kledingstukken tot steeds hetzelfde bedrag een zakelijk karakter heeft, niet voldoet aan de eisen van een onderbouwde bewering. Er wordt niet duidelijk gemaakt wat precies het zakelijke karakter is van de aankoop van de 21 blouses.

Tenslotte is er ook bij deze transactie sprake van een grotere uitgave dan de raadsman beschrijft. Op de bon van de aankoop op 21 maart 2002 bij Vanilla the Shop staat een totaal aankoopbedrag voor 21 blouses van € 755,05. Op het Visa detailoverzicht van 1 april 2002 bladnummer 3 staat op 21 maart 2002 bij The Shop echter een afschrijving vermeld van € 1.005,05. Blijkbaar zijn er op die dag in dezelfde winkel nog meer aankopen gedaan met de zakelijke creditcard die niet in de thans beschikbare bedrijfsadministratie van Flandria b.v. terug te vinden zijn. Het is dan ook onaannemelijk dat het gehele bedrag als zakelijke uitgave dient te worden aangemerkt.

IV a & b: algemeen en conclusie

Daarnaast zijn ten aanzien van beide transacties van belang: de verklaring van de echtgenote van [veroordeelde], [betrokkene 5], en de nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 7 subsidiair waarvoor [veroordeelde] door uw rechtbank op 28 november 2005 veroordeeld is. [Betrokkene 5] heeft immers verklaard dat zij privé uitgaven heeft gedaan met de zakelijke creditcard van Flandria b.v. Bovendien heb ik reeds in mijn Conclusie van Repliek aangehaald dat uw rechtbank met betrekking tot de uitgaven door [veroordeelde] ten laste van de Ondernemingsrekening van [betrokkene 6] Sports van oordeel was dat het volstrekt onaannemelijk is dat het de bedoeling was dat de gemaakte kosten later alsnog uit privé middelen zouden worden betaald. Bovendien was de rechtbank van oordeel dat het, gezien het daarbij aan de orde zijnde grote aantal bonnen van horecagelegenheden, vrijwel onmogelijk zou zijn aan het einde van het jaar vast te stellen of het om zakelijke dan wel privé etentjes ging.

Het gaat bij de uitgaven met de zakelijke creditcards van Flandria b.v. om een vergelijkbare situatie. Wanneer dit gegeven in combinatie met de uiteenzettingen hierboven wordt bezien, is het aannemelijk dat de volledige aankoopbedragen zoals die blijken uit de transactiebonnen d.d. 12 december 2001 van Peter Wertenbroek en 21 maart 2002 van Vanilia the Shop privé uitgaven betreffen. Beide verweren dienen om die reden verworpen te worden.

Subsidiair dienen hooguit de bedragen van (14 x hfl. 50,43 ) hfl. 706,02 - zijnde €320,38 - voor de cosmetica plus (€ 1.005,05 - €250,00 =) € 755,05 voor de blouses als zakelijke uitgaven te worden gezien. Indien uw rechtbank daartoe besluit, dient het wederrechtelijk verkregen voordeel met die bedragen verminderd te worden.

V. Extrapolatie naar het totale aantal uitgaven

De raadsman geeft aan dat in de gevallen waarin een specificatie bij een transactie is aangebracht die het zakelijke karakter van een uitgave duidelijk moet maken, er van uit moet worden gegaan dat het daadwerkelijk om een zakelijke uitgave ging. Vervolgens poneert de raadsman het verweer dat dit uitgangspunt dient te worden doorgetrokken naar alle uitgaven “behoudens bewijs van het tegendeel”, zodat de conclusie moet worden getrokken dat alle uitgaven geheel dan wel in overwegende mate een zakelijk karakter hadden.

Het Openbaar Ministerie stelt vast dat de verdediging na het onderzoeken van de op 28 september 2006 in beslag genomen stukken aangaande de Visa-creditcardgegevens

slechts één transactie aanvoert om het bovengenoemde verweer te onderbouwen. Dit betreft de onder IV behandelde aankoop van cosmeticaproducten. Bij de aankoopbon van de blouses is immers geen specificatie aangetroffen. Het Openbaar Ministerie heeft echter onder IV betoogd dat niet aannemelijk is dat de aankoop van de cosmeticaproducten een transactie van zakelijke aard betrof. Reeds om die reden dient het verweer verworpen te worden.

Terzijde merkt het Openbaar Ministerie naar aanleiding van het feit dat de verdediging slechts één transactie aanvoert om het bovengenoemde verweer te onderbouwen, nog het volgende op. Naar de mening van het Openbaar Ministerie kan het ontbreken van de overige administratie gezien dit feit niet van een dermate grote invloed zijn dat daardoor de aannemelijkheid van de voordeelsberekening in twijfel moet worden getrokken.

Ook wanneer uw rechtbank van oordeel zou zijn dat wel aannemelijk is dat de betreffende aankoop van cosmeticaproducten (gedeeltelijk) een zakelijk karakter had, kan niet gezegd worden dat het verweer voldoende gemotiveerd is. Ook een dergelijke constatering kan volgens het Openbaar Ministerie niet de rechtvaardiging bieden om op basis daarvan een algemene lijn te ontwaren als zouden alle uitgaven die gedaan zijn met gebruik van de betreffende Visa creditcards een zakelijk karakter hebben. Hetzelfde geldt voor het concluderen dat al deze uitgaven in overwegende mate een zakelijk karakter zouden hebben. Beide vormen van extrapolatie kunnen niet gedragen worden door het eventuele oordeel dat slechts 1 transactie waarbij een specificatie is vermeld van zakelijke aard zou zijn.

Ook dit verweer dient verworpen te worden.

5.8

De rechtbank overweegt ten aanzien van de vordering, het verweer en het standpunt van de officier van justitie ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel het volgende.

Zakendossier Z1

a. Niet genoten salaris.

In het hiervoor aangehaalde proces-verbaal betreffende het financieel onderzoek wordt gerelateerd dat [veroordeelde] vanaf 1 juli 2003 bij Goede Veld Sport BV werkzaam was als bedrijfsleider. Op papier werd overeengekomen dat [veroordeelde] een brutosalaris van Euro 2.500.- per maand plus 8% vakantiegeld plus Euro 100 per maand voor niet declarabele onkosten zou genieten.

Dit salaris werd door [veroordeelde] niet ontvangen . Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt berekend op Euro 2500 + Euro 200 + Euro 100 per maand gedurende de periode van 3 september 2003 tot 26 oktober 2004 ofwel op Euro 27.316,83.

[Veroordeelde] had in de visie van de officier van justitie gedurende de periode dat hij in de schuldsanering zat dit bedrag verminderd met het in dat kader vrij te laten bedrag moeten afdragen.

Namens [veroordeelde] is zowel bij de behandeling van de hoofdzaak als in de schriftelijke voorbereiding op de ontnemingszitting aangevoerd dat [veroordeelde] op arbeidstherapeutische basis werkte bij Goede Veld Sport B.V. en aldus geen recht had op salaris.

De rechtbank is van oordeel dat, aangezien niet is gebleken dat [veroordeelde] salaris heeft ontvangen, hij in de onmogelijkheid heeft verkeerd dit salaris of een deel daarvan in het kader van de schuldsanering aan de bewindvoerder af te dragen. Dit had tot gevolg dat er minder geld ter beschikking kwam van de schuldeisers. Voor [veroordeelde] leverde dit echter geen voordeel of besparing op. Dit zou slechts anders zijn indien [veroordeelde] salaris ´zwart´ zou hebben ontvangen danwel dat hij een vordering op Goede Veld Sports BV tot het bedrag van zijn salaris zou hebben gekregen. Hiervan is echter niet gebleken.

b. Gebruik bedrijfsvoertuig.

In het hiervoor aangehaalde proces-verbaal betreffende het financieel onderzoek wordt gerelateerd dat aan [veroordeelde] in het kader van zijn dienstbetrekking met Goede Veld Sports B.V. vanaf 27 oktober 2003 tot 26 oktober 2004 een Mercedes personenauto ter beschikking is gesteld.

De besparing die hieruit voortvloeit wordt door de officier van justitie berekend op Euro 1.495,48. Gebleken is dat door [veroordeelde] weinig privé kilometers met de aan hem ter beschikking gestelde auto zijn gereden. Daarom zijn slechts de kosten van het zogenaamde woon-werk verkeer tussen zijn woonhuis in [woonplaats] en Alkmaar waar de werkzaamheden werden verricht als besparing aangemerkt.

Aldus wordt gedurende 49 weken a 5 dagen maal 21,8 kilometer maal Euro 0.28 is Euro 1.495,48 berekend.

Namens verdachte is verklaard dat door [veroordeelde] het beschikbaar hebben van een auto aan de bewindvoerder is gemeld, hetgeen door deze wordt ontkend. Ook zou een bedrag aan besparing van E 0,28 per kilometer te hoog zijn.

De rechtbank stelt vast dat het beschikbaar hebben en gebruik maken van een auto van GVS B.V. [Veroordeelde] een besparing op privé te maken reiskosten heeft opgeleverd. Het niet opgeven van de arbeidsrelatie met GVS B.V. aan de bewindvoerder en in relatie daarmee het niet verantwoorden van het privé-gebruik van de Mercedes, was van belang voor de beoordeling of [veroordeelde] in aanmerking kwam voor schuldsanering. Het aantal werkdagen is vastgesteld op de tijdens het onderzoek gebleken feiten terwijl het bedrag per kilometer is gebaseerd op de in die periode door de belastingdienst gehanteerde onbelaste kilometervergoeding.

c. Opbrengst verkoop Range Rover

Op 27 oktober 2003 wordt door [veroordeelde] in het kader van een lease overeenkomst tussen [betrokkene 6] Sports BV en een garagebedrijf een auto van het merk Range Rover ingeruild voor een bedrag van Euro 23.500.--

Het verweer dat deze auto niet toebehoorde aan [veroordeelde] maar in verband met een zekerheidstelling op naam van ene [betrokkene 10] was gezet en het verweer dat door [veroordeelde] het geld niet zou zijn ontvangen is in het hiervoor genoemde strafvonnis gemotiveerd weerlegd en behoeft op deze plaats niet opnieuw te worden besproken.

De rechtbank rekent het bedrag van Euro 23.500,- tot het wederrechtelijk verkregen voordeel.

d. Niet verantwoorden van baten

In het hiervoor aangehaalde proces-verbaal betreffende het financieel onderzoek wordt gerelateerd dat [veroordeelde] privé goederen heeft verkocht aan Goede Veld Sport tot een bedrag van Euro 14.300,-

Dit bedrag is door [veroordeelde] in zijn hoedanigheid van bedrijfsleider van Goede Veld Sport B.V. overgemaakt op de bankrekening van [betrokkene 5].

[Veroordeelde] heeft, hoewel er sprake was van schuldsanering, dit bedrag niet aan de bewindvoerder gemeld. Door de officier van justitie wordt de helft van dit bedrag ofwel Euro 7.150,-- beschouwd als onrechtmatig verkregen door [veroordeelde]. De andere helft rekent de officier van justitie toe aan de echtgenote van [veroordeelde], [betrokkene 5].

Door de verdediging is het verweer gevoerd dat de vordering reeds bestond op de ingangsdatum van de schuldsanering ten name van [veroordeelde].

De rechtbank verwerpt dit verweer als niet relevant nu ook een vordering op derden bij de ingangsdatum van de schuldsanering bij de bewindvoerder had dienen te worden gemeld en aldus te worden ingebracht bij de saneringsregeling.

Zakendossier Z2

e. Uitkering Interpolis

In het hiervoor aangehaalde proces-verbaal betreffende het financieel onderzoek wordt gerelateerd dat vanaf 11 maart 2003 tot 21 september 2004 door Interpolis NV aan [veroordeelde] een uitkering ad Euro 93.24 per dag is gedaan op grond van een tussen hen bestaande arbeidsongeschikheidsverzekering terwijl [veroordeelde] in die periode full time werkzaam was als bedrijfsleider bij Goede Veld Sports BV.

Door [veroordeelde] is op de terechtzitting verklaard dat hij zonder opzet deze uitkering niet heeft gemeld aan de bewindvoerder in het kader van de schuldsanering.

Het verweer van [veroordeelde] dat hij zijn werkzaamheden voor Goede Veld Sports BV slechts op arbeidstherapeutische basis verrichtte en aldus niet aan Interpolis NV behoefde te melden is in het strafvonnis (pagina 20) gemotiveerd weerlegd.

De officier van justitie heeft de helft van het door Interpolis NV uitgekeerde bedrag aangemerkt als onrechtmatig door [veroordeelde] verkregen voordeel. De andere helft van de door [veroordeelde] verkregen uitkering wordt door de officier van justitie aangemerkt als voordeel onrechtmatig verkregen door [betrokkene 5]. De rechtbank volgt haar hierin. Vanaf het moment van aanvang werkzaamheden bij Goede Veld Sport B.V. op 1 juli 2003 tot 21 september 2003 heeft [veroordeelde] in totaal € 41.025,60 aan uitkering ontvangen. De helft daarvan bedraagt aldus € 20.512,80.

Zakendossier Z3

f. Ondernemingsrekening Goede Veld Sport B.V.

- In het eerder genoemde proces-verbaal van het Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (pagina 032 e.v. ) wordt gerelateerd dat middels ondernemersrekening 40.32.34.700 ten name van [betrokkene 6] Sport B.V. en onderdeel vormend van de administratie van Goede Veld Sport B.V. 39 privé-transacties van [veroordeelde] en zijn echtgenote hebben plaatsgevonden, welke in de administratie van Goede Veld Sport B.V. zijn geboekt en door genoemde vennootschap zijn betaald. De waarde van deze transacties bedroeg € 5.559,17.

[Betrokkene 5] heeft tegenover eerder genoemde verbalisanten verklaard een zakelijk bankpasje van GVS B.V. te hebben gebruikt om privé zaken te betalen, dit met toestemming van haar echtgenoot [veroordeelde]. De rechtbank is van oordeel dat genoemd bedrag kan worden aangemerkt als wederrechtelijk door [veroordeelde] verkregen voordeel.

De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van een soortgelijk feit als in het eerdergenoemde strafvonnis bewezen onder feit 7 subsidiair, namelijk het valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie van Goede Veld Sport B.V., waardoor [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van € 5.559,17.

- Voorts is voor € 19.473,94 aan privé betalingen gedaan, die als zakelijke kosten in de administratie van Goede Veld Sports BV waren verantwoord.

Deze betalingen werden gedaan door middel van het gebruik van de bij de ondernemingsrekening van [betrokkene 6] Sports BV behorende bankpas nummer [nummer]. Onder andere uit telefoontaps en schriftelijke bescheiden in de boekhouding van Goede Veld Sports BV kon worden afgeleid dat in casu sprake was van privé uitgaven.

De rechtbank is van oordeel dat ook hier sprake is van een soortgelijk feit als in het eerdergenoemde strafvonnis bewezen onder feit 7 subsidiair, namelijk het valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie van Goede Veld Sport B.V., waardoor [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van € 19.473,94.

- Ook bleek tijdens het onderzoek dat door [veroordeelde] voor een bedrag van € 10.633,50 kasopnamen werden gedaan, welk geld privé/niet zakelijk zou zijn gebruikt.

Deze kasopnamen werden binnen de administratie van Goede Veld Sport BV niet geboekt ten laste van de rekening courant van [veroordeelde] maar verantwoord op een grootboekrekening waaraan niet de naam [veroordeelde] was verbonden maar op naam van [betrokkene 6] en [betrokkene 7], die niet op de hoogte waren van het bestaan van de grootboekrekeningen op hun naam.

Het verweer is gevoerd dat hierdoor geen voordeel naar [veroordeelde] is gevloeid temeer daar door [betrokkene 5] ter gelegenheid van haar ontslag als werknemer bij Goede Veld Sports BV in haar ontslagvergoeding alle vorderingen over en weer zouden zijn verrekend.

Bovendien zouden onder de genoemde uitgaven kosten van een advocaat zijn begrepen die later door [betrokkene 7] zouden worden vergoed.

Door de rechtbank zijn in het strafvonnis alle verweren terzake gemotiveerd weerlegd. Niet is aannemelijk gemaakt dat sprake was van een verrekening in de ontslagvergoeding van [betrokkene 5] terwijl op geen enkele wijze is gebleken van advocaatkosten en evenmin van het vergoeden daarvan door [betrokkene 7].

De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van een soortgelijk feit als in het eerdergenoemde strafvonnis bewezen onder feit 7 subsidiair, namelijk het valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie van Goede Veld Sport B.V.. Met deze kasopnamen heeft [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel verkregen tot een bedrag van € 10.633,50.

g. Gebruik Visa creditcards op naam Flandria BV

In het eerder genoemde proces-verbaal van het Strafrechtelijk Financieel Onderzoek(Bijlage A pagina 035) wordt gerelateerd dat [veroordeelde] vanaf 1999 tot de datum van het faillissement in februari 2003 de beschikking had over een Visacard op naam van Flandria BV. Over genoemde periode had ook [betrokkene 5] de beschikking over een Visacard op naam van Flandria BV.

Geconstateerd is dat op grote schaal beide passen werden gebruikt voor privé betalingen. De rekeningen werden als zakelijke kosten geboekt in de administratie van Flandria BV en dus niet in de rekening-courant van [veroordeelde] of die van zijn echtgenote.

Door de verdediging is het verweer gevoerd dat door deze uitgaven te betrekken in de ontnemingsvordering, terwijl ook de toename van de debetstand van de rekening courant met [veroordeelde] daarin is betrokken, een en ander dubbelop zou zijn.

Bovendien - zo stelt de verdediging - is de administratie van Flandria BV zo lacuneus dat de codering op de bonnetjes niet meer te raadplegen is waardoor het voor [veroordeelde] onmogelijk is het zakelijk karakter van de uitgaven aan te tonen.

Tijdens een schorsing van de terechtzitting heeft de officier van justitie telefonisch contact opgenomen met verbalisant Fokkinga. Na hervatting heeft de officier van justitie verklaard dat de verbalisant haar heeft verzekerd dat de bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel meegenomen privé-uitgaven nooit zijn geboekt op de grootboekrekening op naam van [veroordeelde] of diens echtgenote.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Tijdens het onderzoek is gebleken dat vele malen privé betalingen niet in de rekening courant werden geboekt maar als zakelijke kosten in de administratie van Flandria BV werden opgenomen.

Tijdens het het strafrechtelijk vooronderzoek heeft bovendien [betrokkene 5] verklaard dat zij met instemming van haar man met de Visacard privé uitgaven heeft gedaan.

Het verweer ten aanzien van de beschikbaarheid en de volledigheid van de administratie treft geen doel om de redenen zoals hiervoor onder punt 3. reeds uiteengezet.

De rechtbank gaat bij de berekening van het door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van het gebruik van de Visa-creditcards uit van de bevindingen van de verbalisanten, zoals weergegeven in de bij genoemd proces-verbaal gevoegde overzichten Z3-6-1 t/m Z3-6-4 en Bijlage B5 bij het Proces-verbaal van het Aanvullend Strafrechtelijk Financieel Onderzoek d.d. 1 november 2006.

De rechtbank merkt over de jaren 1999 tot en met 2002 alle uitgaven waarvan maar enigszins aannemelijk is dat deze schoonheidsproducten en kleding voor personeel betreffen en die waarvan enigszins aannemelijk is dat het zakelijke uitgaven betreffen niet aan als onderdeel van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank ziet de door [betrokkene 5] gedane privé uitgaven door middel van de Viasacard op naam van Flandria BV als een besparing voor [veroordeelde] en als zodanig als wederrechtelijk door [veroordeelde] verkregen voordeel.

De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van een soortgelijk feit als in het eerdergenoemde strafvonnis bewezen onder feit 7 subsidiair, namelijk het valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie van Goede Veld Sport B.V..

De rechtbank komt aldus tot de volgende bedragen :

Creditcardgebruik in 1999

Zie bijlage Z3-6.1 € 34.468,85

Minus: Kasopnamekosten € 20,45

€ 34.448,40

Creditcardgebruik in 2000

Zie bijlage Z3-6.2 € 20.362,36

Minus: Esso Wiesbaden € 91,75

Shell Nellingen - 94,98

€ 186,73

€ 20.175,63

Creditcardgebruik in 2001

Zie bijlage Z3-6.3 € 17.943,76

Minus: aankoop 18 jul 2001 Bam Bam € 58,13

aankoop 14 dec 2001 Wertenbroek € 320,38

aankoop 14 dec 2001 Douglas € 669,51

benzine verbruik buitenland € 280,35

aankoop 20 jul 2001 Wertenbroek € 44,45

aankoop 24 okt 2001 Wertenbroek € 175,23

aankoop 5 dec 2001 Wertenbroek € 170,64

aankoop 14 dec 2001 Wertenbroek € 117,96

aankoop 18 dec 2001 Wertenbroek € 47,--

€ 1.883,65

€ 16.060,11

Creditcardgebruik in 2002

Zie bijlage Z3-6.4 € 25.439,50

Minus: aankoop 7 jan 2002 The Shop € 108,89

21 mrt 2002 The Shop - 755,05

28 apr 2002 Sissy Boy - 374,30

24 mei 2002 Velvet - 332,--

25 mei 2002 Camelot - 129,50

€ 1.699,74

€ 23.739,76

Resumerend bepaalt de rechtbank het geschatte wederrechtelijk voordeel met betrekking tot de posten in het 2e strafrechtelijk onderzoek als volgt:

Zakendossier Z1

a. Niet genoten salaris € 0,00

b. Gebruik bedrijfsvoertuig - 1.495,48

c. Verkoop Range Rover - 23.500,--

d. Niet verantwoorde baten - 7.150,--

Zakendossier Z2

e. Uitkering Interpolis € 20.512,80

Zakendossier Z3

f. Ondernemingsrekening Goede Veld Sport B.V. € 35.666,61

g. Gebruik Visa-creditcards € 34.448,40

- 20.175,63

- 16.060,11

- 23.739,76

€ 94.423,90

€182.748,79

De rechtbank schat het totale bedrag aan wederredelijk verkregen voordeel op

1e strafrechtelijk onderzoek € 181.561,50

2e strafrechtelijk onderzoek € 182.748,79

Totaal € 364.310,29

6. GRONDEN VOOR DE VASTSTELLING VAN HET TE BETALEN BEDRAG

De rechtbank zijn geen omstandigheden bekend geworden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het [veroordeelde] aan draagkracht ontbreekt of op langere termijn zal ontbreken voor de betaling van onderstaand geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 5. is overwogen met betrekking tot de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal de rechtbank het te betalen bedrag vaststellen op € 364.310,--.

7. TOEPASSELIJKE WETTELIJK BEPALINGEN

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

8. BESLISSING

De rechtbank:

Stelt het wederrechtelijk door [veroordeelde] verkregen voordeel vast op € 364.310,--.

Verplicht [veroordeelde] tot het betalen aan de Staat van een geldbe-drag van € 364.310,-- ( driehonderdvierenzestig duizend driehonderdtien euro) ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. van der Perk, voorzitter,

mr. A. J. Dondorp en mr. G. D. M. Hoedemaker, rechters,

in tegenwoordigheid van W. Veenstra, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 maart 2007.