Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BA2306

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
03-04-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
14/810495-06, 14.810451-06 (ttzgev)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft na buitensporig drank- en drugsgebruik, de confrontatie opgezocht met mensen die in zijn ogen hem iets misdaan hadden. Hij had een mes bijzich en liep in de richting van de buurt waar hij vroeger gewoond had en uit huis was gezet. De eerste voormalige buurvrouw waarbij verdachte aanbelt was niet thuis. Bij het slachtoffer vond hij gehoor. Verdachte heeft het slachtoffer met messteken om het leven gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer : 14/810495-06, 14.810451-06 (ttzgev)

Datum uitspraak: 3 april 2007

TEGENSPRAAK, NA AANHOUDING VERSCHENEN

VERKORT VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

thans gedetineerd in P.I. Noord-Holland Noord – HvB Zwaag te Zwaag.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 maart 2007.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de verdachte en de raadsman, mr. J.H.S. Vogel, advocaat te Alkmaar, bij pleitnota naar voren is gebracht.

1. De tenlasteleggingen

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 14.810495-06 ten laste gelegd dat

primair

hij op of omstreeks 05 november 2006 in de gemeente Alkmaar opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair

hij op of omstreeks 05 november 2006 in de gemeente Alkmaar opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 14.810451-06 ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 11 oktober 2006 in de gemeente Alkmaar met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in of uit een winkel gelegen aan [adres 1] heeft weggenomen een fles port, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [winkel], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan

2.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft in haar requisitoir het in de zaak met parketnummer 14.810495-06 onder primair ten laste gelegde, te weten moord, bewezen geacht. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte zelf heeft verklaard dat hij van plan was iemand wat aan te doen, hij een mes bij zich gestoken had, hij zeer veel verschillende middelen had gebruikt die een ontremmend effect hebben, hij de kat in veiligheid heeft gebracht en hij zich vervolgens heeft begeven naar [adres 2], waar meerdere potentiële kandidaten die zijn voornemen betroffen woonden. In haar visie heeft de verdachte na kalm beraad en rustig overleg besloten dat één van de personen van zijn lijstje het leven zou laten.

De officier van justitie acht het in de zaak met parketnummer 14.810451-06 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de eigen verklaring van verdachte en de getuigenverklaring.

2.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte van moord dient te worden vrijgesproken. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging het volgende naar voren gebracht. Verdachte heeft aangegeven dat er een verschil is tussen denken en doen (dit met betrekking tot zijn zogenaamde moorddadige uitingen), hij droeg het mes bij zich om andere redenen en hij heeft het slachtoffer gestoken naar aanleiding van haar reactie op zijn situatie, met name met betrekking tot het overlijden van zijn hondje Stips. Deze omstandigheden geven aan dat verdachte in een opwelling heeft gestoken.

Met betrekking tot de zaak met parketnummer 14.810451-06 refereert hij zich aan het oordeel van de rechtbank.

2.3 De overwegingen van de rechtbank

Ten aanzien van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 14.810495-06:

Allereerst merkt de rechtbank op het zeer te betreuren dat het eerste verhoor van verdachte op 5 november 2006 bij de politie niet op audiovisueel materiaal is opgenomen. Nu is niet te beoordelen onder welke omstandigheden en in welke bewoordingen verdachte precies heeft verklaard. Verdachte heeft die dag naar eigen zeggen een grote hoeveelheid verdovende middelen en alcoholische drank gebruikt. Tussen half zes en zes uur ’s avonds heeft verdachte het slachtoffer neergestoken en zelfs nog daarna heeft verdachte verdovende middelen gebruikt. Vervolgens is verdachte die zelfde avond volgens het proces-verbaal van politie om 20.53 uur gehoord. De volgende dag was verdachte te ziek om te worden gehoord.

Bij de beoordeling van de bewijsmiddelen zal de rechtbank uitgaan van hetgeen op 5 november 2006 is gebeurd volgens verdachte en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Gelet op het voorgaande baseert de rechtbank voor de versie van verdachte zich op hetgeen verdachte hieromtrent heeft verklaard op 7 november 2006 en ter terechtzitting. Verdachte is tussen vijf en zes uur lopend naar [adres 2] gegaan. Verdachte heeft eerst bij een andere buurvrouw aangebeld, maar zij was niet thuis. Het slachtoffer was wel thuis en heeft de voordeur geopend. Wat er daarop is gevolgd, is niet meer exact vast te stellen, maar volgens de eigen verklaring van verdachte heeft hij het slachtoffer toen en daar met een mes tweemaal gestoken. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben vervolgens gezien dat het slachtoffer en de verdachte in de computerkamer aan de achterkant van de woning waren. Deze getuigen verklaren verdachte op het slachtoffer te hebben zien insteken. Uit het obductieverslag gedateerd 4 december 2006, opgesteld door de arts en patholoog G. van Ingen, verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut, blijkt dat het slachtoffer vele steekverwondingen heeft opgelopen, als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden.

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van moord. Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, overweegt de rechtbank dat uit de eigen verklaring van verdachte en de vele getuigenverklaringen niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat verdachte het opzet op moord heeft gehad. De rechtbank houdt het ervoor dat verdachte in een situatie waarin hij onder invloed van drank en drugs verkeerde in een opwelling meermalen op het slachtoffer heeft ingestoken. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag.

Ten aanzien van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 14.810451-06:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal.

2.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 14.810495-06 onder subsidiair heeft begaan, met dien verstande, dat hij op 5 november 2006 in de gemeente Alkmaar opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een mes in het lichaam gestoken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 14.810451-06 heeft begaan, met dien verstande, dat hij op 11 oktober 2006 in de gemeente Alkmaar met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkel gelegen aan [adres 1] heeft weggenomen een fles port, toebehorende aan [winkel].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

3 De strafbaarheid van het bewezene en de strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid opheft.

4 De strafoplegging

4.2 De vordering van de officier van justitie

De officier heeft gevorderd dat de rechtbank het in de zaak met parketnummer 14.810495-06 onder primair en in de zaak met parketnummer 14.810451-06 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is verbleven, en daarnaast de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

4.3 Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte is door de verdediging gepleit voor vrijspraak van hetgeen verdachte wordt ten laste gelegd in de zaak met parketnummer 14.810495-06 onder primair. Ten aanzien van de op te leggen straf en maatregel heeft de verdediging, gezien de verwachting van de rapporterende psycholoog en psychiater dat een langdurige behandeling van verdachte noodzakelijk is, ervoor gepleit bij de veroordeling te bepalen dat de behandeling zo spoedig mogelijk zal worden aangevangen.

4.4 De overwegingen en het oordeel van de rechtbank

Op 5 november 2006, na buitensporig drank- en drugsgebruik, zocht verdachte de confrontatie met mensen die in zijn ogen hem iets misdaan hadden. Hij droeg een mes bij zich en liep in de richting van [adres 2], de buurt waar hij had gewoond en uit huis was gezet. De eerste voormalige buurvrouw waarbij verdachte aanbelt was niet thuis. Bij [slachtoffer] heeft hij wel gehoor gevonden. Verdachte heeft [slachtoffer] met messteken om het leven gebracht. Verdachte heeft [slachtoffer] haar kostbaarste bezit, het leven, ontnomen. Hij heeft de nabestaanden van het slachtoffer, in het bijzonder haar ouders zoals blijkt uit de op de terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring, onvoorstelbaar leed toegebracht. Ook in buurt en in de wijde omgeving van Alkmaar is met ontzetting en afschuw gereageerd op deze daad.

Eerder had verdachte zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal.

Ten aanzien van verdachte is bewezen dat hij doodslag heeft gepleegd en een diefstal heeft begaan. Uit het op naam van de verdachte staand uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 6 november 2006, blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor gewelds- een vermogensdelicten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende over de verdachte uitgebrachte rapportages:

- een psychiatrisch rapport gedateerd 9 maart 2007 van C.J. van Gestel;

- een psychologisch rapport gedateerd 15 maart 2007 van J.M. Oudejans;

- een voorlichtingsrapport gedateerd 14 maart 2007 van K. Mulder, reclasseringswerker verbonden aan Brijder Verslavingsreclassering.

Uit de rapportages blijkt dat verdachte lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline en narcistische kenmerken. Daarnaast lijdt verdachte aan een ziekelijke stoornis, te weten een afhankelijkheid van drugs en alcohol. Verdachte wordt verminderd toerekeningsvatbaar geacht. De deskundigen zijn unaniem van oordeel dat de kans op herhaling groot is. Behandeling van verdachte is noodzakelijk voordat hij in de maatschappij kan terugkeren. Gelet op de aard en de ernst van zijn stoornis en de ernst van zijn middelenafhankelijkheid is een intensieve, klinische en naar verwachting langdurige behandeling noodzakelijk. Verdachte heeft weinig zelfinzicht en is niet gemotiveerd voor behandeling. Gelet hierop zien de deskundigen een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege als enige mogelijkheid om verdachte te behandelen, de kans op herhaling te verkleinen en de maatschappij voldoende te beschermen.

De rechtbank kan zich vinden in de adviezen in deze rapportages en maakt deze tot de hare.

De rechtbank is, gelet op bovenstaande, van oordeel dat oplegging van een langdurige gevangenisstraf van na te noemen duur op haar plaats is. De rechtbank komt tot oplegging van een lagere straf dan door de officier van justitie gevorderd, nu de rechtbank wettig en overtuigend het subsidiair ten laste gelegde, te weten doodslag, bewezen acht.

Anders dan door de verdediging bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding de behandeling van verdachte in een eerder stadium te doen aanvangen. Dit enerzijds gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, en anderzijds op het feit dat eerdere behandelingen geen resultaat hebben opgeleverd alsmede op het feit dat verdachte zichzelf in een situatie heeft gebracht waarin het bewezenverklaarde kon plaatsvinden. Tenslotte hebbende deskundigen aangegeven, dat verdachte nauwelijks gemotiveerd is voor behandeling.

Tevens zal de rechtbank, gelet op genoemde rapportages omtrent de persoon van de verdachte, de terbeschikkingstelling van de verdachte gelasten. Het in de zaak met parketnummer 14.810451-06 begane feit is een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en de algemene veiligheid van personen eist het opleggen van die maatregel.

Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking de ernst van het bewezen verklaarde en het feit dat verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten zoals blijkt uit het op naam van de verdachte staand uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 6 november 2006

De rechtbank zal voorts bevelen, dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd, nu de algemene veiligheid van personen die verpleging eist, één ander overeenkomstig de in genoemde rapportages uitgebracht advies.

5 De overwegingen omtrent de vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [nabestaande slachtoffer], [adres nabestaande slachtoffer], vordert vergoeding van schade ter zake van het bewezen verklaarde feit in de zaak met parketnummer 14.810495-06, bestaande uit uitvaartkosten minus de uitgekeerde verzekeringskosten, kosten bloemen tijdens de uitvaart, annuleringskosten vakantie slachtoffer, kosten as verstrooien slachtoffer, totaal € 3.241,20.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht de verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht zij voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de hiervoor toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 37b, 57, 287 en 310 van het Wetboek van Strafrecht

7 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 14.810495-06 onder primair niet bewezen en spreekt verdachte hiervan vrij;

- verklaart het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 14.810495-06 onder subsidiair en het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 14.810451-06 bewezen, zoals hierboven onder is aangegeven;

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

parketnummer 14.810495-06 subsidiair: doodslag

parketnummer 14.810451-06: diefstal;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 8 jaar;

- gelast voorts de terbeschikkingstelling van de verdachte;

- beveelt dat de ter beschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht , in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de gevangenisstraf;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [nabestaande slachtoffer], [adres nabestaande slachtoffer], van de som van € 3.241,20, te vermeerderen met de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van voornoemde benadeelde [nabestaande slachtoffer], een bedrag van € 3.241,20 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 64 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- verstaat dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M. Vos, voorzitter,

mr. F.J. Lourens en mr. G.D.M. Hoedemaker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Randeraat en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 april 2007.