Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BA1781

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
14/732688-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval. Een fietser komt ten val en glijdt onder de auto van verdachte. De fietser overlijdt later die dag aan een hartstilstand. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde, nu niet bewezen is dat verdachte zich roekeloos of onvoorzichtig of onoplettend heeft gedragen. Verdachte wordt veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde, omdat hij geen voorrang heeft verleend aan die fietser. De dood van die fietser komt echter niet voor rekening van verdachte, omdat het oorzakelijk verband tussen de aanrijding en de hartstilstand van die fietser later die dag niet uit de bewijsmiddelen volgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer : 14/732688-06

Datum uitspraak: 21 maart 2007

OP TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de Rechtbank Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

wonende te [adres en woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 07 maart 2007.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank

- verdachte zal vrijspreken van het primair tenlastegelegde,

- het subsidiair tenlastegelegde zal bewezen verklaren,

- verdachte ter zake daarvan zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 1.000,- (duizend euro) en voorts tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. A.R. van Dolder, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING.

Aan verdachte is ten laste gelegd, dat

hij op of omstreeks 08 mei 2006 in de gemeente Heerhugowaard als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, (te weten een bedrijfsauto) daarmede rijdende over de openbare weg, de Pannekeetweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

toen en daar dat voertuig te besturen en ter plaatse waar voor een kruisend brom-/fietspad, gelegen naast en behorende tot de voor het verkeer openstaande weg, de Hasselaarsweg, een bord B 6 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst - aanduidende: verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg - geen gevolg heeft geven aan een verkeersteken dat een gebod of een verbod inhield,

immers heeft verdachte de bestuurder van de op dat kruisend brom-/fietspad rijdende fiets niet in staat gesteld ongehinderd zijn weg te vervolgen en/of onvoldoende gelet op en/of rekening gehouden met die zich ter plaatste bevindende bestuurder van de fiets,

ten gevolge waarvan, althans mede ten gevolge waarvan een aanrijding of botsing met de bestuurder van die fiets is ontstaan en waardoor de bestuurder van die fiets (genaamd [slachtoffer]) werd gedood;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 mei 2006 in de gemeente Heerhugowaard als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Pannekeetweg, ter plaatse waar voor een kruisend brom-/fietspad gelegen naast en behorende tot de voor het verkeer openstaande weg, de Hasselaarsweg, een bord B 6 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst - aanduidende: verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg - geen gevolg heeft gegeven aan dat verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers de bestuurder van een op dat kruisend brom-/fietspad rijdende fiets niet in staat heeft gesteld ongehinderd zijn weg te vervolgen, ten gevolge waarvan, althans mede ten gevolge waarvan een aanrijding of botsing is ontstaan en die bestuurder van de fiets is overleden en/of door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. Verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VRIJSPRAAK.

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte, van oordeel dat het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen. Uit de bewijsmiddelen kan niet volgen dat verdachte zich roekeloos, althans aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend heeft gedragen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3. BEWEZENVERKLARING.

3.1. Bewezenverklaring.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij

op 08 mei 2006 in de gemeente Heerhugowaard als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een bedrijfsauto, op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Pannekeetweg, ter plaatse waar voor een kruisend brom-/fietspad gelegen naast en behorende tot de voor het verkeer openstaande weg, de Hasselaarsweg, een bord B 6 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst - aanduidende: verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg - geen gevolg heeft gegeven aan dat verkeersteken dat een gebod inhoudt, immers de bestuurder van een op dat kruisend brom-/fietspad rijdende fiets niet in staat heeft gesteld ongehinderd zijn weg te vervolgen, ten gevolge waarvan een botsing is ontstaan, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

3.2. Vrijspraak meer of anders.

Hetgeen meer of anders subsidiair is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de vrijspraak van het overlijden van de fietser ten gevolge van de gedraging van verdachte het volgende. Uit de bewijsmiddelen kan het rechtstreeks verband tussen de botsing van de fietser met de auto van verdachte en het overlijden van die fietser later die dag niet volgen. Slechts in het proces-verbaal van relaas vermeldt een verbalisant dat de fietser met gebroken ribben en twee ingeklapte longen is behandeld in het Medisch Centrum Alkmaar en dat hij later op de dag is overleden aan een hartstilstand. De rechtbank beschikt niet over een verslag van een deskundige schouwing, verricht op het stoffelijk overschot van de fietser, waarin het oorzakelijk verband tussen het bij de botsing opgelopen letsel van die fietser en het overlijden aan een hartstilstand door een arts wordt vastgesteld. Ook uit het door de officier van justitie ter terechtzitting overgelegde formulier van lijkschouw vloeit dit verband niet voort.

4. BEWIJS.

De rechtbank grondt de beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van subsidiair:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

6. STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Verdachte is dus strafbaar.

7. MOTIVERING VAN DE STRAFFEN.

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft geen voorrang gegeven aan een op een voorrangsweg rijdende, van rechts komende fietser. Hierdoor is gevaar op de weg veroorzaakt en is er een botsing tussen de fiets en de auto van verdachte ontstaan.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 24 januari 2007, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder ter zake van het veroorzaken van gevaar op de weg met justitie in aanraking is gekomen.

De rechtbank is van oordeel dat een geldboete behoort te worden opgelegd. Bij de bepaling van de hoogte daarvan heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

8. MOTIVERING VAN DE BIJKOMENDE STRAF.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde is de rechtbank is van oordeel dat als bijkomende straf een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen dient te worden opgelegd. De rechtbank heeft hierbij gelet op het feit dat verdachte reeds eerder ter zake van het veroorzaken van gevaar op de weg met justitie in aanraking is gekomen.

9. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN.

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 (oud) en 24c van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 5, 177 (oud) en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10. BESLISSING.

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders subsidiair ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

Veroordeelt verdachte voor het bewezenverklaarde tot een geldboete van € 1.000,-

(duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 20 (twintig) dagen.

Ontzegt verdachte wegens het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezenverklaarde strafbare feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Westdorp, voorzitter,

mrs. Y.M.I. Greuter-Vreeburg en E.C.M. Bouman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Hirzalla, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 maart 2007.

De jongste rechter is buiten staat dit verkorte vonnis mede te ondertekenen.