Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BA0681

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
07-03-2007
Datum publicatie
14-03-2007
Zaaknummer
14/810193-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving, drugshandel en wapenbezit. De rechtbank volgt de vordering van de officier van justitie tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer : 14/810193-06

Datum uitspraak: 07 maart 2007

OP TEGENSPRAAK

VONNIS van de Rechtbank Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

wonende te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 februari 2007.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank

- het onder 1. primair, 2, 3, 4. en 5. tenlastegelegde zal bewezen verklaren,

- verdachte ter zake daarvan zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden, waarvan 10 (tien) maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, met een proeftijd van 2 (twee) jaren, met als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die hem zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Arrondissement Alkmaar, Brijder verslavingszorg, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar, noodzakelijk oordeelt, ook als dit inhoudt een behandeling bij de GGZ Noord-Holland Noord.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. I.E. Leenhouwers, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING.

Aan verdachte is ten laste gelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 18 april 2006 in de gemeente Wageningen en/of Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door opzettelijk tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, die [slachtoffer] (met een vuurwapen) te bedreigen en/of (vervolgens) vast te pakken en/of vast te houden en/of die [slachtoffer] te dwingen plaatst te nemen in een auto en/of (vervolgens) die [slachtoffer] te dwingen te vertellen waar de woning van [betrokkene] is en/of (tegen zijn wil) te vervoeren naar de woning van die [betrokkene] en/of die [slachtoffer] (vervolgens) (tegen zijn wil) te vervoeren naar een woning in Alkmaar en/of die [slachtoffer] in die woning vast te houden

met het oogmerk (een) ander(en), te weten [betrokkene], te dwingen aan hem, verdachte, een geldbedrag te betalen (ter effening van een schuld van die [slachtoffer] op verdachte);

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 april 2006 in de gemeente Wageningen en/of Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer] (met een vuurwapen) bedreigt en/of (vervolgens) vastgepakt en/of vastgehouden en/of die [slachtoffer] gedwongen plaatst te nemen in een auto en/of die [slachtoffer] (vervolgens) (tegen zijn wil) naar een woning in Alkmaar vervoert en/of die [slachtoffer] in die woning vastgehouden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 april 2004 tot en met 18 april 2006 op een of meer verschillende tijdstippen in de gemeente Alkmaar en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine en/of een hoeveelheid van een

materiaal bevattende amfetamine en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaine en/of amfetamine en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 20 april 2006, althans in de maand april 2006, in de gemeente Heerhugowaard, in elk geval in het arrondissement Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 132,94 gram en/of 30 wikkels met het opschrift Space Pack (bevattende ongeveer 28,5 gram), althans een of meer hoeveelheden, van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 5,62 gram en/of 9 wikkels met het opschrift Pony Pack (bevattende ongveer 4,14 gram) en/of 4 wikkels met het opschrift Snow Seals (bevattende ongeveer 3,76 gram), althans een of meer hoeveelheden, van een materiaal bevattende cocaine en/of ongeveer 49 pillen, althans een of meer hoeveelheden, van een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en/of cocaine en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2006 tot en met 20 april 2006 in de gemeente Wageningen en/of Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool, merk BBM, kaliber 8 mm, en/of munitie van categorie III, te weten twee scherpe patronen, voorhanden heeft gehad;

5.

hij in of omstreeks 1 oktober 2005 tot en met 20 april 2006 in de gemeente Alkmaar, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (een) wapen(s) van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. Verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VRIJSPRAAK.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1. primair impliciet primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hierbij dat uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan volgen dat [slachtoffer] van zijn vrijheid is beroofd met het oogmerk [betrokkene] te dwingen tot het betalen van een geldbedrag.

De rechtbank komt wel tot een bewezenverklaring van de wederrechtelijke vrijheidsberoving zoals onder 1. primair impliciet subsidiair is tenlastegelegd, maar de rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dan wel een van zijn mededaders het slachtoffer met een pistool heeft bedreigd.

3. BEWEZENVERKLARING.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij,

ten aanzien van het onder 1. primair impliciet subsidiair tenlastegelegde,

omstreeks 18 april 2006 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door opzettelijk, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, die [slachtoffer] vast te pakken en vast te houden en die [slachtoffer] te dwingen plaats te nemen in een auto en die [slachtoffer] tegen zijn wil te vervoeren naar een woning in Alkmaar,

ten aanzien van het onder 2. tenlastegelegde,

op tijdstippen in de periode van 01 april 2005 tot en met 18 april 2006 in de gemeente Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,

ten aanzien van het onder 3. tenlastegelegde,

op 20 april 2006 in het arrondissement Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 132,94 gram en 30 wikkels met het opschrift Space Pack, van een materiaal bevattende amfetamine en 5,62 gram en 9 wikkels met het opschrift Pony Pack en 4 wikkels met het opschrift Snow Seals, van een materiaal bevattende cocaïne en 49 pillen van een materiaal bevattende MDMA,

ten aanzien van het onder 4. tenlastegelegde,

in de periode van 01 april 2006 tot en met 20 april 2006 in de gemeente Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, te weten een pistool, en munitie van categorie III, te weten twee scherpe patronen, voorhanden heeft gehad,

ten aanzien van het onder 5. tenlastegelegde,

in de periode van 01 oktober 2005 tot en met 20 april 2006 in de gemeente Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie II onder 5?, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. BEWIJS.

De rechtbank grondt de beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

5. BEWIJSMIDDELEN.

Ten aanzien van de feiten 1. primair impliciet subsidiair, 2, 3, 4. en 5.

5.1. De verklaring van verdachte op de terechtzitting van 21 februari 2007 afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb [slachtoffer] omstreeks 18 april 2006 in Wageningen vastgepakt en vastgehouden. Ik was samen met [mededader 1]. [Slachtoffer] ging mee naar de auto. Hij ging op de achterbank naast [mededader 2] zitten. Wij zijn vervolgens naar een woning in Alkmaar gereden.

Ik heb in de periode van 01 april 2005 tot en met 18 april 2006 in de gemeente Alkmaar samen met [mededader 3] opzettelijk cocaïne, amfetamine en XTC verkocht, afgeleverd en vervoerd.

Ik heb op 20 april 2006 in het arrondissement Alkmaar ongeveer 132,94 gram en 30 wikkels bevattende amfetamine opzettelijk aanwezig gehad. Ook heb ik 5,62 gram, 9 wikkels en 4 wikkels cocaïne en 49 XTC-pillen opzettelijk aanwezig gehad. Ik had deze drugs bij [mededader 4] gebracht.

Ik heb in de periode van 01 april 2006 tot en met 20 april 2006 in Alkmaar samen met [mededader 3] een pistool en twee scherpe patronen voorhanden gehad.

Ik heb in de periode van 01 oktober 2005 tot en met 20 april 2006 in Alkmaar samen met [mededader 3] een stroomstootwapen voorhanden gehad.

5.2. Het proces-verbaal met nummer PL1010/06-155914 van 20 april 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren M.P. Gast en R.E. Minneboo, doorgenummerde pag. 33 tot en met 40.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Wij zijn naar Wageningen gegaan. [Mededader 1] en ik zijn naar [slachtoffer] gegaan. [Mededader 2] bleef in de auto zitten. Toen [slachtoffer] [mededader 1] zag, begon hij te rennen. Toen hij mij zag, stopte hij en ging tegen een muur zitten en begon te huilen. Ik heb tegen [slachtoffer] gezegd dat hij mee naar Alkmaar moest. Ik heb [slachtoffer] vastgepakt. Ik heb hem vastgehouden tot wij bij de auto waren. Hij weet dat hij mee moet komen. [Mededader 1] staat erbij. Daarna zijn wij met mijn auto in de richting van Alkmaar gereden.

Ik heb een vuurwapen gekocht. Dat pistool heb ik samen met [mededader 3] gekocht. Er zaten 2 patronen bij. Ik heb een stroomstootwapen aangeschaft.

Ik had een handeltje in verdovende middelen. Ik verkocht aan mijn vrienden. Dat zijn dan vrienden of bekenden die bij mij of [mededader 3] bestellen. Ik verkocht plastic zakjes met amfetamine, coke en XTC.

Speed kocht ik in voor 3 euro per gram en verkocht ik voor 4 euro per gram. Wij kochten meestal 100 gram voor 300 euro. Ik kocht 20 gram cocaïne voor 625 euro. Ik verkoop het voor 45 euro per gram. Ik heb voor de 380 XTC-pillen 300 euro betaald. Ik verkocht ze voor 2 euro per stuk. Mijn klantengroep is ongeveer 20 man. Dat is in Alkmaar en omgeving. Ik bracht het bij de klanten thuis.

Ten aanzien van feit 1. primair impliciet subsidiair.

5.3. Het proces-verbaal met nummer PL1010/06-155914 van 19 april 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar R.E. Minneboo, doorgenummerde pag. 66 tot en met 72.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, als de verklaring van [mededader 2], zakelijk weergegeven:

Ik had met [slachtoffer] afgesproken dat ik hem zou bellen als ik in Wageningen zou zijn. Ik heb [verdachte] gebeld over deze afspraak en hij heeft mij opgehaald. We hebben [mededader 1] opgehaald. Ik denk dat hij meeging omdat hij een helpende hand zou kunnen bieden als [slachtoffer] moeilijk zou gaan doen. In Wageningen aangekomen heb ik [slachtoffer] gebeld. Ik zag dat [verdachte] samen met [mededader 1] en [slachtoffer] naar de auto kwamen lopen. Ik zag dat [verdachte] de arm vast had van [slachtoffer]. [Slachtoffer] ging in de auto zitten. We zijn naar Alkmaar gereden.

5.4. Het proces-verbaal met nummer PL1000/06-155914 van 22 juni 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar M.F. Kikkert, doorgenummerde pag. 76 tot en met 80.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, als de op 22 juni 2006 afgelegde verklaring van [mededader 1], zakelijk weergegeven:

U vraagt mij naar [verdachte]. U vraagt mij hoe het een en ander is gegaan. Ik begrijp van u dat het gaat om de avond van 17 april van dit jaar. Ik weet dat ik rond die tijd met [verdachte] naar Wageningen ben geweest. Hij vertelde dat [mededader 2] ook mee was. Ik hoorde van [verdachte] dat hij en [mededader 2] [slachtoffer] op gingen halen. Wij zagen [slachtoffer] staan. Ik zei tegen [verdachte]: ‘Kom op daar is hij, we lopen erheen, halen hem op en nemen hem mee!’ Daar kwamen wij tenslotte voor. [Verdachte] en ik zijn in de richting van [slachtoffer] gelopen. Ik liep recht op [slachtoffer] af. Ik zei toen tegen [slachtoffer]: ‘Kom mee, hij staat om de hoek.’ Ik zag dat [slachtoffer] opeens een spurt nam. Hij rende ervandoor. Ik liep de hoek om van dat gebouw en zag toen [verdachte] staan. Kennelijk was [verdachte] om dat gebouw heen gelopen in de tussentijd. Ik hoorde dat [verdachte] zei: ‘Ga je mee, jij gaat die troep opruimen die je gemaakt hebt.’ Ik zag dat [slachtoffer] met [verdachte] meeliep naar de auto. Ik zag dat [verdachte] hem daarbij vasthield. Ik hoorde [verdachte] tegen [slachtoffer] zeggen: ‘En je loopt niet weg he?’ Wij zijn toen naar de auto gelopen.

5.5. Het proces-verbaal met nummer 06-012728 van 13 september 2006, in de

wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar M.P. Gast, doorgenummerde pag. 99 tot en met 101.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, als de verklaring van [slachtoffer], zakelijk weergegeven:

Verbalisant Gast:

Op 17 april 2006 kwam bij de politie de melding binnen dat jij van jouw vrijheid was beroofd door twee mannen en een vrouw. Wij willen graag van jou horen wat er precies is gebeurd.

Hierna verklaarde de aangever als volgt:

Ik kreeg op 17 april 2006 via de MSN contact met een meisje uit Den Helder. Achteraf bleek dat dus [mededader 2] uit Alkmaar. Wij spraken af in Wageningen bij het busstation diezelfde avond omstreeks 23:00 uur. Ik ben toen naar het busstation gelopen. Ik zag daar plotseling een jongen die ik kende. Dat was [mededader 1] uit Haarlem. Hij vroeg mij mee te komen. Ik heb nog geprobeerd weg te rennen, maar ik zag toen [verdachte] om de hoek staan. Ik ben toen blijven staan. Ik hoorde hem tegen mij zeggen: ‘Blijf staan’. Hij kwam naar mij toe lopen en hij pakte mij vast. Ik moest meelopen naar de auto. Daar zag ik [mededader 2] in de auto zitten. Ik moest in de auto achterin zitten naast [mededader 2]. Vervolgens zijn [mededader 2], [verdachte] en ik naar de woning van [mededader 2] te Alkmaar gereden. Ik was die avond in Wageningen nooit vrijwillig in de auto van [verdachte] gestapt. Ik was bang voor [verdachte]. Ook wel voor [mededader 1]. In de tijd dat ik in de auto zat kon ik niet doen wat ik wilde. Ik had niet de vrijheid te doen wat ik wilde.

Ten aanzien van de feiten 2, 3, 4. en 5.

5.6. Het proces-verbaal met nummer PL1010/06-155914 van 19 april 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R.E. Minneboo en R.A.W. Overtoom, doorgenummerde pag. 56 tot en met 58.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, als de verklaring van [mededader 3], zakelijk weergegeven:

[Verdachte] vroeg aan mij of ik met hem mee wilde doen met de handel in verdovende middelen. We zijn in 2005 begonnen. Jullie vragen mij naar het pistool. Het pistool hebben [verdachte] en ik gekocht. Er zaten 2 scherpe patronen bij. [Verdachte] en ik hadden voordat we het pistool hebben gekocht ook nog een stroomstootwapen gekocht. Dit is ongeveer in oktober 2005 geweest. Ik erken dat ik samen met [verdachte] handel in verdovende middelen, te weten in speed, cocaïne en XTC-pillen. We kochten altijd zo’n 100 à 200 XTC-pillen. Ook erken ik dat wij een pistool en een stroomstootwapen onder ons hebben gehad. U zegt mij nog dat niet alles waarover we hebben gesproken is aangetroffen in mijn woning. Ja, mogelijk dat [verdachte] wat heeft weggehaald en het ergens anders heeft neergelegd, mogelijk bij [mededader 4].

Ten aanzien van de feiten 3, 4. en 5.

5.7. Het proces-verbaal met nummer PL1000/06-155914 van 06 mei 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar P.J.C. van Rijn, doorgenummerde pag. 122 tot en met 126.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, als verklaring van verbalisant voornoemd, zakelijk weergegeven:

Op 24 april 2006 ontving ik een zwarte rugtas, in plastic zakken verpakte goederen en twee voorwerpen, één in de vorm van een pistool en één in de vorm van een stroomstootwapen. Verzocht werd de goederen te onderzoeken.

B204: 4 wikkels, bij weging 3,8 gram, NFI code 367.028

B304: kleverige pasta, gewicht 47,38 gram, NFI code 370.801

B305: wit poeder, gewicht 2,44 gram, NFI code 369.033 (de rechtbank leest: 367.033)

B306: kleverige pasta, gewicht 57,5 gram, NFI code 370.802

A102: 5 gleuftabletten, gewicht 1,46 gram, NFI code 370.803

A106: pasta en poeder, gewicht 14,7 gram, gelijk aan B304 en B305

(De rechtbank verstaat dat deze hoeveelheden bij elkaar opgeteld een totaalgewicht van ongeveer 132,94 gram opleveren.)

B303: 30 wikkels met het opschrift Space Pack, NFI code 367.032

B201: 5 wikkels, bij weging 4,7 gram, NFI code 367.027

B202: 2 wikkels, bij weging 0,92 gram, NFI code 367.027 (de rechtbank leest: 367.030)

(De rechtbank verstaat dat deze hoeveelheden bij elkaar opgeteld een totaalgewicht van 5,62 gram opleveren.)

B301: 7 wikkels met het opschrift Pony Pack, gelijk aan de wikkels onder B202

A105: 2 wikkels met het opschrift Pony Pack, gelijk aan de wikkels onder B202

(De rechtbank verstaat dat deze aantallen bij elkaar opgeteld een totale hoeveelheid van 9 wikkels opleveren.)

B203: 1 wikkel met het opschrift Snow Seal, gelijk aan de wikkels onder B201

B302: 3 wikkels met het opschrift Snow Seal, gelijk aan de wikkels onder B201

(De rechtbank verstaat dat deze aantallen bij elkaar opgeteld een totale hoeveelheid van 4 wikkels opleveren.)

B206: 11 gleuftabletten, NFI code 367.029

B207: 28 gleuftabletten, gelijk aan de tabletten onder B206

B210: 10 gleuftabletten, gelijk aan de tabletten onder B206

(De rechtbank verstaat dat deze aantallen bij elkaar opgeteld een totale hoeveelheid van 49 tabletten opleveren.)

Pistool, Categorie III.

Bij het pistool was een houder aanwezig. In de houder waren 2 patronen. De patronen konden verschoten worden met het omschreven pistool. Scherpe patronen, categorie III van de WWM.

Het stroomstootwapen is een wapen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht.

Categorie II sub 5 van de WWM.

Ten aanzien van feit 3.

5.8. Het proces-verbaal met nummer PL1000/06-155914 van 08 september 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren M.F. Kikkert en R.E. Minneboo, doorgenummerde pag. 117 tot en met 118.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, als verklaring van verbalisanten voornoemd, zakelijk weergegeven:

Op 18 april 2006 is door ons, verbalisanten, een onderzoek ingesteld in de woning [adres 1]. Door ons, verbalisanten, zijn de hierna genoemde goederen aangetroffen en inbeslaggenomen:

A101: 5 pillen in gripzakje

A102: 5 pillen in gripzakje

A105: 2 wikkels pony pack

A106: houten kistje met diverse poeders

5.9. Het proces-verbaal met nummer PL1010/06-155914 van 21 april 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar J.H. Aukes, doorgenummerde pag. 119 tot en met 120.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, als verklaring van verbalisant voornoemd, zakelijk weergegeven:

In de woning aan het adres [adres 2] zijn door mij, verbalisant, 2 kistjes, 1 grijs van kleur en 1 groen van kleur, inbeslaggenomen.

In het grijze kistje bevonden zich de volgende goederen:

- 5 seals met cocaïne in brokvorm

- 2 seals met cocaïne in brokvorm

- 1 seal met cocaïne in brokvorm

- 4 seals met (vermoedelijk) amfetamine

- 2 seals met (vermoedelijk) amfetamine

- 1 zakje met 11 witte pillen

- 1 zakje met 28 witte pillen

- 1 zakje met 10 witte pillen

In het groene kistje bevonden zich:

- 7 seals met cocaïne in brokvorm

- 3 seals met cocaïne in brokvorm

- 30 seals met (vermoedelijk) amfetamine

- 1 bal, samengesteld uit op cocaïne gelijkend wit poeder

- 1 balletje, samengesteld uit op cocaïne gelijkend wit poeder

- 1 zak met op cocaïne gelijkend wit poeder

5.10. Het proces-verbaal met nummer PL1010/06-155914 van 20 april 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren M.P. Gast en J.H. Aukes, doorgenummerde pag. 87 tot en met 88.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, als de verklaring van [mededader 4], zakelijk weergegeven:

Opmerking verbalisanten: De verdachte werd een grijs kistje / kluis getoond welke in de woning [adres 2] inbeslaggenomen is.

V = Hoe komt deze kluis in de woning van de schoonouders van jouw broertje?

A = Ik had de kluis aan mijn broertje meegegeven.

Opmerking verbalisanten: de verdachte werd de inhoud van de grijze kist getoond.

V = De inhoud van de kist, zijn dat de verdovende middelen die jij hebt gekregen?

A = Ja, dat klopt. De verdovende middelen die ik heb gekregen, heb ik in de kluis gestopt.

Opmerking verbalisanten: De verdachte werd een groen kistje / kluis getoond welke in de woning [adres 2] inbeslaggenomen is.

V = Van wie is deze groene kluis en wat kun jij over de inhoud vertellen?

A = De inhoud heb ik van [verdachte] gekregen. De inhoud zat in een apart plastic doosje dat [verdachte] mij heeft gegeven. Ik heb alle spullen in een tas gestopt en aan mijn broertje gegeven.

5.11. Het verslag van een deskundige, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie te Den Haag d.d. 29 mei 2006, nummer 2006.05.11.005, opgemaakt door ing. A.G.A. Sprong op de door deze als vast gerechtelijk deskundige afgelegde belofte, doorgenummerde pag. 129 tot en met 131.

Dit verslag houdt in, voor zover van belang, als verklaring van deskundige voornoemd, zakelijk weergegeven:

Kenmerk Conclusie

NFI 367.027 bevat cocaïne

NFI 367.028 bevat amfetamine

NFI 367.029 bevat MDMA

NFI 367.030 bevat cocaïne

NFI 367.032 bevat amfetamine

NFI 367.033 bevat amfetamine

NFI 370.801 bevat amfetamine

NFI 370.802 bevat amfetamine

NFI 370.803 bevat amfetamine

Ten aanzien van de feiten 4. en 5.

5.12. Het proces-verbaal met nummer PL1010/06-155914 van 21 april 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar M.P. Gast, doorgenummerde pag. 115.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, als verklaring van verbalisant voornoemd, zakelijk weergegeven:

Op 20 april 2006 werden in de woning op het adres [adres 3] de navolgende goederen inbeslaggenomen:

- een zwarte paraliser,

- een patroonhouder met 2 patronen,

- een pistool.

5.13. Het proces-verbaal met nummer PL1010/06-155914 van 20 april 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar M.F. Kikkert, doorgenummerde pag. 89.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, als verklaring van verbalisant voornoemd, zakelijk weergegeven:

Op 20 april 2006 toonde ik, verbalisant, aan [mededader 4] een op 20 april 2006 in de woning [adres 3] aangetroffen vuurwapen, 2 patronen en een paraliser (stroomstootwapen). Ik hoorde dat verdachte [mededader 4] verklaarde:

‘Dit zijn de spullen die ik van [verdachte] heb gekregen.’

6. NADERE OVERWEGINGEN.

6.1. Ten aanzien van feit 1. primair impliciet subsidiair.

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat haar cliënt weliswaar een dringend appèl op het slachtoffer heeft gedaan met hem en zijn medeverdachte mee te lopen, in de auto te stappen en daarin te blijven zitten, maar dat hierbij geen ontoelaatbare druk is uitgeoefend, zodat niet bewezen kan worden dat het slachtoffer hiertoe is gedwongen. Subsidiair heeft zij gesteld dat zo er al van dwang sprake is geweest, deze is geëindigd op het moment dat het slachtoffer in de auto plaats nam.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Het slachtoffer heeft verklaard dat hij slechts is meegegaan omdat hij bang was en geenszins vrijwillig met verdachte en zijn medeverdachten mee is gegaan. Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts het volgende. Verdachte is met zijn medeverdachten naar Wageningen gereden om het slachtoffer op te halen. Zijn medeverdachte [mededader 1] is naar het slachtoffer toegelopen en heeft hem aangesproken. Het slachtoffer is daarop weggerend en is om de hoek verdachte tegengekomen. Verdachte heeft tegen hem gezegd dat hij mee moest komen naar Alkmaar. Het slachtoffer is daarop tegen een muur gaan zitten huilen, terwijl verdachte en zijn medeverdachte [mededader 1] op korte afstand van hem bleven staan. Verdachte heeft tegen het slachtoffer gezegd dat hij moest opstaan. Uiteindelijk is het slachtoffer met verdachte en medeverdachte [mededader 1] meegelopen naar de auto, waarbij verdachte hem aan zijn arm of elleboog vasthield en waarbij verdachte tegen het slachtoffer heeft gezegd dat hij niet moest weglopen. Vervolgens heeft het slachtoffer in de auto plaatsgenomen en is hij met verdachte en zijn medeverdachten meegereden via Haarlem naar Alkmaar.

De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden sprake is geweest van een wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Wat het subsidiaire verweer betreft, is de rechtbank van oordeel dat de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten bevatten voor het oordeel dat het slachtoffer - nadat hij gedwongen in de auto had plaatsgenomen - daarin vervolgens vrijwillig is blijven zitten en eveneens vrijwillig via Haarlem naar Alkmaar is meegereden. Nu het slachtoffer tegen zijn wil en onder dwang in een bepaalde situatie is gebracht, kan uit de enkele omstandigheid dat hij zich daarin vervolgens heeft geschikt en lijdzaam heeft opgesteld niet worden afgeleid dat die situatie vervolgens met zijn wil in overeenstemming was. Dit zou slechts anders zijn indien aannemelijk zou zijn dat het slachtoffer er niet langer voor hoefde te vrezen dat er opnieuw feitelijke dwang zou zijn toegepast indien hij zich aan die situatie zou proberen te onttrekken. Naar het oordeel van de rechtbank is dit pas aannemelijk vanaf het moment waarop het slachtoffer slechts in gezelschap van medeverdachte [mededader 2] in de woning te Alkmaar was achtergelaten.

De rechtbank verwerpt zowel het primaire als het subsidiaire verweer.

6.2. Ten aanzien van feit 2.

De rechtbank overweegt dat het dossier aanwijzingen bevat voor - kort gezegd - drugshandel in een eerdere dan de in feit 2. bewezenverklaarde periode. Gelet echter op de inhoud van het dossier en het requisitoir van de officier van justitie verstaat de rechtbank de tenlastelegging aldus dat deze alleen betrekking heeft op de drugshandel met medeverdachte [mededader 3]. De aanvang van deze handel dient naar het oordeel van de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen gesteld te worden op 01 april 2005.

7. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1. primair impliciet subsidiair:

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 3:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 4:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Ten aanzien van feit 5:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

8. STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Verdachte is dus strafbaar.

9. MOTIVERING VAN DE STRAFFEN.

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van een man. Verdachte is met zijn mededaders in de avonduren van Alkmaar naar Wageningen gereden, alwaar hij met zijn mededaders het slachtoffer in een dwangpositie heeft gebracht, bij zijn arm heeft vastgepakt en heeft gedwongen in de auto plaats te nemen. Vervolgens is het slachtoffer tegen zijn wil meegenomen naar Alkmaar. Hiermee heeft verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van het slachtoffer en hem zijn bewegingsvrijheid tijdelijk ontnomen. Onduidelijk is gebleven wat de precieze beweegredenen van verdachte en zijn mededaders zijn geweest en evenmin wat zij van het slachtoffer verlangden. De rechtbank houdt er rekening mee dat de op het slachtoffer uitgeoefende dwang, hoewel voldoende voor wederrechtelijke vrijheidsberoving, niet bijzonder zwaar is geweest.

Hiernaast heeft verdachte samen met zijn mededader gedurende ongeveer een jaar, in beperkte (vrienden en kennissen) kring, gehandeld in cocaïne, amfetamine en XTC, en deze drugs voorhanden gehad. Dit zijn gevaarlijke harddrugs, die een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid vormen.

Tot slot heeft verdachte samen met zijn mededader een pistool, 2 scherpe patronen en een stroomstootwapen voorhanden gehad. Deze voorwerpen brengen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 29 januari 2007, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met het over verdachte uitgebrachte Adviesrapport van de Reclassering Arrondissement Alkmaar, Brijder verslavingszorg, gedateerd 07 februari 2007, opgemaakt door A. van Schagen. De rapportrice adviseert de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten een vrijheidsstraf op haar plaats is. De rechtbank vindt echter, mede gelet op hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, aanleiding deze geheel in voorwaardelijke vorm op te leggen als ernstige waarschuwing aan verdachte zich in de toekomst van nieuwe strafbare feiten te onthouden. Daarnaast zal de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf opleggen.

10. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN.

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a (oud), 14a, 14b (oud), 14b, 14c,

22c (oud), 22c, 22d, 47, 57 en 282 van het Wetboek van Strafrecht, op de artikelen 2 (oud) en 10 (oud) van de Opiumwet, en op de artikelen 26, 55 (oud) en 55 van de Wet wapens en munitie.

11. BESLISSING.

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1. primair impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1. primair impliciet subsidiair, 2, 3, 4. en 5. ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders onder 1. primair impliciet subsidiair, 2, 3, 4. en 5. ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

Veroordeelt verdachte voor het bewezenverklaarde tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren.

Beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht dat in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende hechtenis wordt vastgesteld op 120 (honderdtwintig) dagen.

Bepaalt, dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht, volgens de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Veroordeelt verdachte voor het bewezenverklaarde voorts tot een gevangenisstraf voor de tijd van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt,

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft, te weten

dat hij zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die hem zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Arrondissement Alkmaar, Brijder verslavingszorg, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar, noodzakelijk oordeelt.

Verstrekt aan de genoemde instelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J. Dondorp, voorzitter,

mrs. M.E.J. van Lieshout-Segers en Y.M.I. Greuter-Vreeburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Hirzalla, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 07 maart 2007.