Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BA0162

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
05-03-2007
Datum publicatie
07-03-2007
Zaaknummer
AWB 07/361
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening met betrekking tot besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning voor het uitbreiden van een basisschool.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 07/361 WW44

Uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [plaatsnaam],

verzoeker,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enkhuizen,

verweerder.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen de Stichting voor protestants-christelijk primair onderwijs in Noordelijk Noord-Holland (hierna: Stichting Kopwerk), gevestigd te [plaatsnaam], gemachtigde F. van de Berg.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 31 oktober 2006, verzonden op 21 november 2006, heeft verweerder aan de Vereniging van Protestants Christelijk Onderwijs vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning verleend voor het aanbouwen van twee schoollokalen en een berging aan het hoofdgebouw van basisschool “De Voorhof” op het perceel gelegen aan [adres] te [plaatsnaam].

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van1 januari 2007 bezwaar gemaakt.

Daarnaast heeft hij bij brief van 6 februari 2007 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening behandeld ter zitting van 27 februari 2007, waar verzoeker in persoon is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde J.A. Burema. De Stichting Kopwerk is verschenen bij gemachtigde F. van de Berg, directeur van de basisschool “De Voorhof”.

Motivering

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft het oordeel daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2. Het bouwplan, waarvoor vrijstelling en bouwvergunning is verleend, bestaat uit het aanbouwen van twee schoollokalen aan de noordzijde van het hoofdgebouw. De twee bestaande noodlokalen, die elders op het perceel zijn gerealiseerd en waarvoor op 8 mei 2001 een tijdelijke bouwvergunning voor de duur van vijf jaar is verleend, zullen worden verwijderd. Verder omvat het bouwplan het aanbouwen van een berging ter vervanging van twee ten gevolge van brand verwoeste fietshokken.

3. Verzoeker, woonachtig aan de [adres], betoogt dat verweerder ten onrechte ten behoeve van het bouwplan vrijstelling heeft verleend. Volgens hem is na realisatie van de aanbouwen ongeveer 75% van de gronden bebouwd met gebouwen en is in die situatie niet verweerder maar de raad van de gemeente Enkhuizen bevoegd om vrijstelling te verlenen.

4. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet (Ww) mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Gommerwijk-Oost, uitwerking 2e fase’ rust op het perceel de bestemming “Bijzondere doeleinden”.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor bijzondere doeleinden aangewezen gronden bestemd voor voorzieningen ten behoeve van onderwijsdoeleinden, en de aanleg van siertuinen, zulks met inachtneming van het in de navolgende leden van dit artikel bepaalde.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de planvoorschriften mogen op of in de lid 1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de in dat lid genoemde bestemmingen, met dien verstande dat (a) de goothoogte van de gebouwen niet meer dan zes meter mag zijn, (b) niet meer dan 50% van deze gronden met gebouwen mag worden bebouwd en (c) de dakhelling van de gebouwen niet minder dan 25 en niet meer dan 55 graden mag zijn.

Ingevolge artikel 9, derde lid, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in (a) lid 2 sub a van een goothoogte tot negen meter en (b) lid 2 sub c van een dakhelling van minder dan 25 graden en van het voor ten hoogste 50% plat afdekken van een gebouw.

5. Blijkens de stukken wordt door de aanbouw van de twee klaslokalen en de berging meer dan 50% van de gronden met gebouwen bebouwd. De beide lokalen en de berging worden voorzien van een plat dak. Gelet hierop stelt de voorzieningenrechter vast dat het bouwplan in strijd is met artikel 9, tweede lid, van de bestemmingsplanvoorschriften. De binnenplanse vrijstellingsmogelijkheden voorzien niet in een mogelijkheid deze strijdigheid op te heffen. Teneinde verwezenlijking van het bouwplan niettemin mogelijk te maken heeft verweerder met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

6. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid van dit artikel, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

7. Gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: gedeputeerde staten) hebben bij besluit van 27 juni 2000, bekendgemaakt op 21 augustus 2000, een notitie vastgesteld over de wijze waarop zij invulling geven aan artikel 19 van de WRO. Bij besluit van 19 juli 2005, bekendgemaakt op 2 augustus 2006, hebben gedeputeerde staten deze notitie laatstelijk gewijzigd. Ingevolge deze notitie, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders zonder verklaring van geen bezwaar vrijstelling verlenen krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO voor projecten die niet afwijken van vastgesteld provinciaal ruimtelijk beleid of van vastgesteld ruimtelijk rijksbeleid en die geen speerpunten van beleid, zoals aangegeven in de notitie, betreffen, alsmede voor projecten die geringe uitbreidingen betreffen van bestaande bouwwerken.

8. Ten aanzien van de stelling van verzoeker dat verweerder in dit geval niet bevoegd was de vrijstelling te verlenen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het bouwplan niet is aan te merken als een door gedeputeerde staten aangegeven geval waarvoor, zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar, vrijstelling kan worden verleend zoals bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO. Het project betreft geen speerpunt van beleid.

Uit de tekst van artikel 19, eerste lid, van de WRO valt af te leiden dat als op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend, vrijstelling uit hoofde van artikel 19, eerste lid, van die wet niet aan de orde is. Door de wetgever is beoogd in dat geval de bevoegdheid om vrijstelling te verlenen uitsluitend aan het college van burgemeester en wethouders toe te kennen. In het geval als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO kan derhalve geen vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO worden verleend. De stelling van verzoeker dat de gemeenteraad in dit geval de vrijstelling had moeten verlenen, treft derhalve geen doel.

9. Verzoeker stelt dat in de ruimtelijke onderbouwing die ten grondslag ligt aan de vrijstelling onvoldoende aandacht is besteed aan de economische uitvoerbaarheid van het bouwplan. Verder is hij van mening dat de noodzaak voor uitbreiding van de school onvoldoende is aangetoond, gelet op de leerlingenprognoses en de omstandigheid dat een schoolklas 30 leerlingen kan herbergen. Verzoeker voert voorts aan dat verweerder de mogelijke alternatieve locaties voor de uitbreiding van de school onvoldoende heeft beoordeeld. In dit verband voert hij aan dat de uitbreiding van de school gesitueerd had moeten worden op het terrein van de noodlokalen. Volgens verzoeker bestaat ook vanuit de buurt een voorkeur voor deze in het rapport van HzA Stedebouw en Landschap van juni 2005, dat de resultaten van het onderzoek naar mogelijkheden voor uitbreiding van schoollocaties in Gommerwijk bevat, opgenomen variant 2. Hij bestrijdt dat in die variant de exploitatiekosten van de schoolgebouwen te hoog zijn.

Verder stelt verzoeker dat het bouwplan van invloed is op zijn woon- en leefomgeving. In dit verband betoogt hij onder meer dat de verkeersdrukte voor zijn huis zal toenemen, dat het uitzicht vanuit zijn huis wordt belemmerd en dat de aanwezige groenvoorziening door de nieuwbouw moet verdwijnen. Verder vreest hij voor overlast van hangjongeren op het schoolterrein.

10. De ruimtelijke onderbouwing die aan de vrijstelling ten grondslag ligt, wordt gevormd door een notitie van verweerder van 23 maart 2006. In deze notitie wordt een omschrijving van het project gegeven, worden de planologische kaders vermeld en wordt ingegaan op de invloed van het bouwplan op de omgeving. In de notitie is onder meer aangegeven dat de aanbouw van de lokalen en de berging de bouwwijze volgt van het bestaande hoofdgebouw door handhaving van één bouwlaag en de honinggraatachtige structuur. Verder is hierin vermeld dat een verschuiving van het effect op de omgeving plaatsvindt door het verwijderen van de twee noodlokalen en het aanbouwen van twee permanente lokalen aan de noordzijde. De nieuwbouw van de lokalen kan nadelige gevolgen hebben voor de tegenover het gebouw wonende bewoners, waaronder verzoeker, terwijl de bewoners in de directe omgeving van de tijdelijke noodgebouwen na de sloop een verruiming van hun uitzicht en privacy tegemoet kunnen zien.

In de ruimtelijke onderbouwing wordt voorts verwezen naar het door HzA Stedebouw en Landschap te Hoorn verrichte onderzoek naar de uitbreidingsmogelijkheden op de schoollocatie, waaruit drie varianten naar voren zijn gekomen, waaronder de variant die thans voorligt. In de notitie van 23 maart 2006 heeft verweerder verder aandacht besteed aan de invloed op het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het bouwplan en aan het kostenaspect.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de onderbouwing die verweerder heeft gegeven van de ruimtelijke inpasbaarheid van het project betrekkelijk summier is. Verweerder heeft ter zitting ook aangegeven dat de onderbouwing op dit punt in de beslissing op bezwaar zal worden aangevuld. Daarnaast heeft verweerder medegedeeld dat door hem nog nader aandacht zal worden besteed aan de verkeersproductie en –attractie op de Toereppel. Op voorhand is evenwel niet aannemelijk geworden dat als gevolg van het bouwplan het aantal verkeersbewegingen van en naar de school bij de woning van verzoeker substantieel zal toenemen. Verder ziet de voorzieningenrechter geen reden om aan te nemen dat het standpunt van verweerder in zijn notitie van 23 maart 2006 dat het project economisch uitvoerbaar is onjuist is. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het voor het bouwplan beschikbaar gestelde krediet toereikend is om in de stichtingskosten te voorzien.

Gelet op de inhoud van de notitie van verweerder van 23 maart 2006, zijn toelichting daarop ter zitting en het rapport van HzA, waaruit blijkt dat de aanbouw van twee lokalen en een berging aan de noordzijde van het hoofdgebouw in stedebouwkundig opzicht acceptabel wordt geacht, bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing, in aanmerking genomen de inbreuk van het project op de bestaande planologische situatie, niet voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval moeten worden gesteld.

11. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd is evenmin grond gelegen voor het oordeel dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de gevraagde vrijstelling te verlenen. De voorzieningenrechter betrekt hierbij dat het belang van de aanvrager bij uitbreiding van het aantal klaslokalen genoegzaam is aangetoond aan de hand van de resultaten van de leerlingenprognose voor de basisschool “De Voorhof” tot en met 2020 en door de omstandigheid dat de tijdelijke vergunning voor de twee noodlokalen is komen te vervallen. Niet is gebleken dat met het project de belangen van verzoeker onevenredig worden geschaad. De keuze van de aanvrager om de lokalen en de berging uit kostenbesparing en onderwijskundige - en veiligheidsoverwegingen bij het hoofdgebouw te situeren acht de voorzieningenrechter niet kennelijk onredelijk. Het staat buiten kijf dat de omwonenden in enige mate hinder zullen ondervinden als gevolg van het realiseren van de nieuwe bebouwing - het betreft hier met name beperking van uitzicht, minder groenvoorziening bij het schoolplein en verlies van privacy - maar voor het oordeel dat die hinder onaanvaardbaar is ziet de voorzieningenrechter in de stukken en het verhandelde ter zitting geen grond. Evenmin ziet de voorzieningenrechter reden om aan te nemen dat de aanwezigheid van de nieuwbouw eventuele overlast van hangjongeren tot gevolg zal hebben.

12. Naar aanleiding van verzoekers stelling dat verweerder een mogelijke alternatieve locatie voor de uitbreiding onvoldoende heeft onderzocht, overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder dient te beslissen op het bouwplan zoals dat bij hem is ingediend. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat een zodanige situatie zich hier voordoet. Zij betrekt daarbij dat het bouwplan dat thans voorligt volgens de aanvrager in onderwijskundig – en veiligheidsopzicht de voorkeur verdient boven het door verzoeker voorgestane alternatief en neemt voorts in aanmerking dat realisering van dit alternatief effecten zal hebben voor de bewoners in de directe omgeving van de locatie waar thans de noodlokalen zijn gevestigd.

13. Voor zover verzoeker heeft aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het aanleggen van een brug naar het schoolplein en een brug aan de achterzijde van het gebouw, overweegt de voorzieningenrechter dat hiervoor geen vergunning is aangevraagd. In het stelsel van de Woningwet is geen plaats voor een beslissing omtrent de bouwvergunning anders dan op grond van een daartoe strekkende aanvraag. Het staat verweerder dan ook niet vrij de bouwaanvraag te wijzigen met betrekking tot het realiseren van een brug.

14. Verzoeker stelt verder dat verweerder in de bouwvergunning had moeten voorschrijven dat in verband met de brandveiligheid een extra nooduitgang aan de achterzijde moet worden gerealiseerd.

Bij brief van 28 september 2006 heeft de commandant brandweer een brandveiligheidsadvies uitgebracht. Volgens het advies, dat deel uitmaakt van de bouwvergunning, voldoet de bouwaanvraag aan de gestelde eisen. Gesteld noch gebleken is dat het advies onjuist is, zodat verweerder terecht heeft gesteld dat geen aanleiding bestaat nadere brandpreventieve maatregelen te treffen.

15. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan kunnen verlenen. Verweerder heeft de bouwvergunning terecht verleend. Er bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt afgewezen.

16. Bij deze beslissing is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 5 maart 2007 door mr. M.A.J. Berkers, voor-zieningen-rechter, in tegen-woordig-heid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, griffier.

griffier voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschriften verzonden: