Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:AZ9304

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
20-02-2007
Datum publicatie
26-02-2007
Zaaknummer
14.810475-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een medewerkster van de Brijder bedreigd die de verdachte was toegewezen in het kader het zogenaamde GAVO-project en die volgens verdachte niet de door hem gewenste voorzieningen regelde. Daags daarna heeft verdachte een politieagent bedreigd die was opgeroepen omdat verdachte overlast veroorzaakte bij Stichting Onderdak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer : 14.810475-06

Datum uitspraak: 20 februari 2007

OP TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de Rechtbank Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord-Holland Noord, Schutterswei te Alkmaar.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 februari 2006.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank het onder 1, 2 (vrijspraak van het tonen van het mes) en 3 tenlastegelegde zal bewezen verklaren en aan de verdachte zal opleggen de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maat-regel) voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van voorarrest.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en mr. T. de Bont, raadsman van de verdachte, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is onder 1 ten laste gelegd, dat hij in of omstreeks de periode van 20 oktober 2006 tot en met 24 oktober 2006 op een of meer verschillende tijdstippen in de gemeente Alkmaar [slachtoffer 1] (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] (telkens) dreigend de woorden toegevoegd :"jullie gaaneraan",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Aan de verdachte is onder 2 ten laste gelegd, dat hij op of omstreeks 23 oktober 2006 in de gemeente Alkmaar [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [slachtoffer 2] een (aardappelschil)mes getoond en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd : "Ik heb een mes bij me" en/of "Ik sloop jullie allemaal", althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Aan de verdachte is onder 3 ten laste gelegd, dat hij op of omstreeks 24 oktober 2006 in de gemeente Alkmaar de hoofdagent van de politie Noord-Holland Noord, district Noord-Kennemerland, [slachtoffer 3], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde

[slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik pak jouw pistool en schiet je dood",

Althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze

worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VRIJSPRAAK

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd.

De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het wettig bewijs slechts kan worden gevormd door de aangifte en de verklaring van verdachte dat hij toen en daar aanwezig was. Verdachte erkent dat hij boos was, dat hij daarom hard praatte en tegen de deur heeft geschopt maar ontkent met klem [slachtoffer 1] te hebben bedreigd.

Nu er geen getuigen zijn van deze incidenten en verdachte bovendien niet goed de Nederlandse taal beheerst, mist de rechtbank de overtuiging dat verdachte de onder 1 tenlastegelegde bewoordingen heeft gebezigd danwel woorden van gelijke dreigende aard of strekking, zodat hij van dit feit moet worden vrijgesproken.

3. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste

gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij

ten aanzien van feit 2:

op 23 oktober 2006 in de gemeente Alkmaar [slachtoffer 2] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik sloop jullie allemaal", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

ten aanzien van feit 3:

op 24 oktober 2006 in de gemeente Alkmaar de hoofdagent van de politie Noord-Holland Noord, district

Noord-Kennemerland, [slachtoffer 3], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik pak jouw pistool en schiet je dood".

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

5. NADERE MOTIVERING

De rechtbank heeft ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde het volgende overwogen.

Ten aanzien van feit 2:

Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] hebben in hun aangiftes verklaard dat verdachte op 23 oktober 2006 meermalen heeft geschreeuwd: “Jullie gaan eraan” en “Ik sloop jullie allemaal” althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking. Gelet op het feit dat verdachte (blijkens de verklaring van [slachtoffer 2], pag. 10) in het gesprek met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] steeds harder praatte en zijn houding dreigender werd is de rechtbank van oordeel dat door voornoemde uitlatingen van verdachte bij de aangeefster de vrees voor zware mishandeling kon ontstaan.

Ten aanzien van feit 3:

De rechtbank is van oordeel dat hoewel voor een politieambtenaar geldt dat zijn/haar werk met zich meebrengt, geconfronteerd te worden met agressieve personen, het niet zo kan zijn dat een ieder daarom ongestraft een politieambtenaar met de dood kan bedreigen omdat hij/zij tegen dergelijke bedreigingen beter bestand zouden zijn dan gewone burgers.

Met betrekking tot de bedreiging van de politieambtenaar overweegt de rechtbank voorts dat bij een bedreiging met name maatgevend is het dreigende karakter dat van de gedraging op zichzelf is uitgegaan en dat een bedreigde zich daardoor redelijkerwijs bedreigd heeft kunnen voelen. In het onderhavige geval heeft de politieambtenaar aangegeven dat zij zich bedreigd voelde, hetgeen de rechtbank gelet op de bewoordingen van verdachte: “Ik pak jouw pistool en schiet je dood”, zonder meer aannemelijk acht.

Op grond van het proces-verbaal van bevindingen (pag. 6) en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting acht de rechtbank dit feit bewezen.

6. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 2:

Bedreiging met zware mishandeling

Ten aanzien van feit 3:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

7. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

8. MOTIVERING VAN DE STRAF

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft een medewerkster van de Brijder bedreigd die de verdachte was toegewezen in het kader het zogenaamde GAVO-project en die volgens verdachte niet de door hem gewenste voorzieningen regelde. Daags daarna heeft verdachte een politieagent bedreigd die was opgeroepen omdat verdachte overlast veroorzaakte bij Stichting Onderdak. Verdachte verkeerde weliswaar in een voor hem wanhopige situatie omdat hij geen onderdak had maar dit neemt niet weg dat het afdwingen van hulp door middel van dreigende taal en dreigend gedrag binnen de maatschappij niet getolereerd kan worden. Ook het bedreigen van een agent die bezig is met het uitoefenen van zijn werkzaamheden acht de rechtbank een ernstig feit.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

-het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, gedateerd 25 oktober 2006.

- een maatregelrapport betreffende verdachte gedateerd 16 maart 2006 uitgebracht in het kader van een eerdere strafzaak tegen verdachte door A.D. Sombroek van de Brijder Verslavingszorg.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 31 januari 2007 van R. Mandjes als reclasseringswerker verbonden aan de Brijder Verslavingszorg.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank verder nog het volgende overwogen:

Uit de stukken blijkt dat verdachte onder invloed van alcohol de maatschappij veel overlast bezorgt. Hij is al vele malen veroordeeld met name terzake het plegen van winkeldiefstallen maar ook in verband met geweldsdelicten. In 2005 is verdachte op de zogenaamde GAVO lijst geplaatst.

Ondanks dat er veel contact was tussen verdachte en de GAVO-werkers is hij in december 2005 wederom aangehouden op verdenking van het plegen van strafbare feiten. Op 21 maart 2006 is aan verdachte door de rechtbank de ISD-maatregel opgelegd. In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam dit vonnis vernietigd en verdachte veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf.

In verband met zijn detentie heeft verdachte zijn huurwoning moeten opzeggen waardoor hij na zijn detentie op straat kwam te staan. Vervolgens heeft hij de onderhavige feiten gepleegd en is hij wederom aangehouden. Thans wordt door de Brijder Verslavingszorg wederom voorgesteld de ISD-maatregel op te leggen, hetgeen de officier van justitie ook heeft gevorderd.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zijn verleden, waaronder zijn drankprobleem hem blijft achtervolgen. De oorzaak van zijn alcoholmisbruik was met name gelegen in het verzachten van de pijn die hij leed tengevolge van een ernstige heupafwijking.

Inmiddels is hij aan deze heupafwijking geopereerd en drinkt hij nagenoeg geen alcohol meer. Alleen door de stress van de afgelopen periode waarin hij zonder woning en inkomsten zat is hij weer gaan drinken. Zijn behoefte aan onderdak en het gevoel van het kastje naar de muur te worden gestuurd hebben geleid tot de onderhavige feiten.

Vast staat dat verdachte een veelpleger is. Uit het uittreksel uit het documentatieregister blijkt dat verdachte de afgelopen jaren veelvuldig (onherroepelijk) is veroordeeld, met name terzake vermogensdelicten. De thans bewezenverklaarde feiten zijn naar het oordeel van de rechtbank evenwel van een andere orde. Zij vloeien, blijkens de stukken en het verhandelde ter terechtzitting, voort uit een gevoel van boosheid jegens de hulpverlenende instanties en daarmee gepaard gaand alcoholmisbruik.

Gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de omstandigheid dat verdachte ter terechzitting heeft verklaard te willen deelnemen aan het woonbegeleidingstraject van Stichting Exodus, hetgeen niet nader is onderzocht, is de rechtbank van oordeel, nog daargelaten het feit dat de gevorderde ISD-maatregel niet naar de door de wet daaraan gestelde eisen is gemotiveerd, dat oplegging van een ISD-maatregel, die als ultimum remedium dient te worden beschouwd, thans niet aan de orde is.

De rechtbank is dan ook anders dan de officier van justitie van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur dient te worden opgelegd. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank met name gelet op de documentatie van verdachte.

9. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

10. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 120 (HONDERD TWINTIG) DAGEN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.J. Lourens, voorzitter,

mr. B.H. Franke en mr. G.D.M. Hoedemaker, rechters,

in tegenwoordigheid van M. Woudman, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 februari 2007.