Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:AZ9301

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
20-02-2007
Datum publicatie
26-02-2007
Zaaknummer
14.810266-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vordering tenuitvoerlegging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer : 14.810266-05

Datum uitspraak: 20 februari 2007

VERSCHENEN

BESLISSING NA VOORWAARDELIJKE VEROORDELING van de Rechtbank Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord-Holland Noord, Schutterswei te Alkmaar,

hierna te noemen veroordeelde.

Deze beslissing is gegeven naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 februari 2007.

1. VORDERING

De officier van justitie vordert dat de rechtbank zal gelasten dat de bij vonnis van deze rechtbank van 30 augustus 2005 in de zaak met parketnummer 14/810266-05 aan veroordeelde opgelegde straf voor zover voorwaardelijk opgelegd, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd, op grond van het feit dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de bijzondere voorwaarde dat hij zich zal gedragen naar de aanwijzingen die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt ook indien dit inhoudt het volgens van een behandeltraject van de forensisch psychiatrische afdeling (FPA) te Heiloo of een andere GGZ-instelling.

2. VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is om over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

3. GRONDEN VAN DE BESLISSING

Bij vonnis van deze rechtbank van 30 augustus 2005 is veroordeelde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 9 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht veroordeeld, waarvan een gedeelte, groot 4 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde vóór het einde van een op twee jaren vastgestelde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel gedurende de proeftijd niet heeft nageleefd de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich, kort gezegd, zal gedragen naar de aanwijzingen van Reclassering Nederland.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 28 september 2005 aan de veroordeelde toegezonden.

De proeftijd is ingegaan op 7 oktober 2005 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

Bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 10 april 2006 is in de zaak met onderhavig parketnummer een eerdere vordering van de officier van justitie strekkende tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf afgewezen en is de proeftijd verlengd met één jaar.

Veroordeelde heeft de bij genoemd vonnis gestelde bijzondere voorwaarde niet nageleefd, hetgeen de rechtbank is gebleken uit een afloopbericht gedateerd 25 oktober 2006 van M.D. Contze, als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland, Regio Alkmaar Haarlem en uit het verhandelde ter terechtzitting.

Uit dit afloopbericht blijkt dat veroordeelde, ook nadat hij een officiële waarschuwing had gekregen een aantal afspraken niet is nagekomen. Het niet nakomen van de laatste afspraak was mede gelegen in de omstandigheid dat veroordeelde na een aanhouding was gevlucht en de reclassering niet op de hoogte had gesteld van zijn nieuwe verblijfplaats.

Voorts blijkt uit genoemd afloopbericht dat veroordeelde meer risicogedrag ging vertonen en niet in staat/bereid om dit te veranderen.

Dat veroordeelde risicogedrag ging vertonen is de rechtbank inmiddels ambtshalve gebleken uit de nieuwe strafzaak tegen veroordeelde waarin hem aan aantal woninginbraken zijn tenlastegelegd.

De getuige-deskundige D.M. Contze voornoemd heeft ter terechtzitting verklaard dat veroordeelde, anders dan vermeld in het afloopbericht, twee keer naar de FPA is geweest en voorts dat de begeleiding door de reclassering, wegens omstandigheden die niet aan veroordeelde te wijten zijn, gedurende de zomermaanden van 2006 niet heeft plaatsgevonden.

Ter terechtzitting heeft de raadsman mr. G. Lieffijn aangevoerd dat de begeleiding van veroordeelde niet zo is gegaan als wenselijk was. De begeleiding door de adoptieagent hield slechts een kennismakingsgesprek in en een aantal telefoongesprekken en van de reclassering heeft hij vijf maanden geen begeleiding gehad. Volgens de raadsman heeft de moeder wel regelmatig gebeld met de reclassering en de FPA maar leidde dit tot niets.

De raadsman bepleit afwijzing van de vordering.

Veroordeelde heeft ter terechtzitting verklaard dat hij twee keer naar de FPA is gegaan maar vervolgens verzocht heeft op een ander moment de behandeling te kunnen voortzetten. Dit omdat hij werk had gevonden, wat voor hem erg belangrijk was. De medewerker van de FPA zou contact met hem opnemen maar dit is niet gebeurd. Voorts verklaart veroordeelde dat hem een nieuwe begeleider bij de reclassering zou worden toegewezen maar dat deze nooit contact met hem heeft opgenomen.

Weliswaar blijkt uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting dat de moeder van veroordeelde contact heeft gezocht met de begeleidende instanties maar niet blijkt dat veroordeelde zelf daartoe enig initiatief heeft ondernomen.

Desgevraagd verklaart veroordeelde op de zitting dat de medewerker van de FPA hem niet heeft gebeld maar dat hij, veroordeelde, ook geen contact heeft opgenomen met de FPA. Voorts verklaart hij dat de vervanger van de zieke reclasseringswerkster nooit contact met hem heeft opgenomen maar dat hij, veroordeelde, ook niet met de reclassering heeft gebeld en wel om de reden dat wanneer de reclassering geen vervanger stuurt, hij, veroordeelde, daar niets aan kan doen.

Tenslotte heeft veroordeelde verklaard dat hij nieuwe strafbare feiten is gaan plegen omdat hij zonder werk zat. Uit het afloopbericht blijkt dat veroordeelde wel werk had maar dat hij daar voor de zomervakantie mee is gestopt omdat hij er geen zin meer in had.

Gelet op al de bovengenoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er weliswaar van de zijde van de hulpverlenende instanties het een en ander is misgegaan inzake de begeleiding maar dat niet gesteld kan worden dat het afglijden van veroordeelde alleen daaraan te wijten is. Dit heeft ook te maken met de instelling en houding van veroordeelde.

Afgezien van de omstandigheid dat veroordeelde afspraken niet is nagekomen en de reclassering niet op de hoogte heeft gehouden van adreswijzigingen, heeft veroordeelde zelf geen enkel initiatief genomen om contact te zoeken met de hulpverlenende instanties.

Hij heeft zelf de beslissing genomen om te stoppen met werken terwijl hij op de zitting heeft verklaard dat dit de reden was om weer strafbare feiten te gaan plegen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vordering gegrond is en dat daarom de gevorderde tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde straf dient te

worden gelast.

4. TOEPASSELIJK WETTELIJK VOORSCHRIFT

De te geven beslissing is gegrond op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht.

5. BESLISSING

De rechtbank:

Gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, opgelegd bij voormeld vonnis van 30 augustus 2005 in de zaak met parketnummer 14/810266-05 aldus, dat die straf geheel wordt ten uitvoer gelegd.

Deze beslissing is gegeven door

mr. F.J. Lourens, voorzitter,

mr. B.H. Franke en mr. G.D.M. Hoedemaker, rechters, in tegenwoordigheid van M. Woudman, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 februari 2007