Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:AZ9283

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
26-02-2007
Zaaknummer
14.810472-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een reeks van explosies en brandstichtingen, waarvan hij het grootste deel samen met zijn mededader heeft gepleegd en waarvan een aantal bij een poging zijn gebleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer : 14.810472-05

Datum uitspraak: 21 februari 2007

OP TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de Rechtbank Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

gedetineerd in PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag te Zwaag.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 07 februari 2007.

De rechtbank heeft kennisgenomen van

- de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank

- het tenlastegelegde zal bewezen verklaren

- de verdachte ten aanzien van feit 1,2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Ten aanzien van de benadeelde partijen heeft de officier van justitie als volgt gerekwireerd.

Ten aanzien van Europcar Autovermietung: € 76, 69 voor taxatierapport en

€ 60.344,83 voor de VW Transporter.

Ten aanzien van Europcar Autoverhuur: € 2.500,00 voor eigen risico bij schade aan auto’s in de showroom (Mercedes Benz, 2 x Peugot 407).

Ten aanzien van [slachtoffer 1]: € 15.867,45 voor inboedel, € 33,60 voor reiskosten in verband met vervangend werd, € 2576,49 voor extra woonlasten,

€ 70,00 voor ziektekosten, € 13,50 voor kosten rechtsbijstand en € 5.000,00 immateriële schade.

Ten aanzien van [slachtoffer 2]: € 2601,48 voor schade aan Opel Zafira.

De officier van justitie heeft tenslotte gerekwireerd tot oplegging van de schademaatregel met betrekking tot de hierboven genoemde vorderingen, met hieraan verbonden de met de opgelegde schademaatregelen corresponderende vervangende hechtenis;

-hetgeen door de verdachte en mr. R.J. Wortelboer, raadsman van de verdachte, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is, nadat een vordering aanpassing tenlastelegging ex artikel 314 a Wetboek van Strafvordering en een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging zijn toegelaten, ten laste gelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 28 augustus 2005 in de gemeente Alkmaar (op of aan de Jan Willem Frisostraat), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een

explosief (bom) tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een nabij dat/die explosief/bom staande bestelauto (Volkswagen Multivan, kenteken [KENTEKEN]) en/of andere in de nabijheid staande auto('s) en/of in de

nabijheid van dat/die explosief/bom staande bedrijfspand(en) en/of woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in de nabijheid van dat/die explosief/bom aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

2.

hij in of omstreeks de nacht van 01 op 02 februari 2005 in de gemeente Alkmaar (op of aan de Gedempte Baansloot), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht

door een explosief (bom) tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer in de nabijheid van dat/die explosief/bom staande auto('s) en/of bedrijfspand(en) en/of woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

3.

hij in of omstreeks de periode van 28 juni 2005 tot en met 30 juni 2005 in de gemeente Alkmaar (op of aan de Lekstraat) tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader

voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de in de nabijheid staande caravan en/of de in de nabijheid

staande woning(en) en/of de zich in die caravan en/of die woning(en) bevindende goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, te weten voor de bewoner(s) van de nabij gelegen woning(en), te duchten was, met dat opzet een doos met daarin een explosief (bom) en/of een ontstekingsmechanisme en/of (een) brandba(a)r(e) stof(fen) onder een caravan, welke caravan stond nabij een woning, heeft geplaatst, en/of vervolgens (de lont van) dat explosief (bom) heeft aangestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op of omstreeks 03 en/of 04 januari 2005 in de gemeente Alkmaar (op of aan de Tochtwaard) tezamen en in verenging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de in de nabijheid staande school en/of de zich daarin bevindende goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, te weten voor de in de nabijheid aanwezige perso(o)n(en), te duchten was, met dat opzet een explosief/bom heeft aangestoken en/of een strijker bevestigd aan een fles met bransbare vloeistof heeft aangestoken en/of (dat niet ontplofte explosief (bom)) in de nabijheid van een fles met een brandbare vloeistof heeft gezet, nabij de/een toegangsdeur van een school [(school)], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.

hij op of omstreeks 18 februari 2005 in de gemeente Alkmaar (op of aan de Lekstraat), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een op een raam van een woning aangebracht explosief tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of de inboedel van die woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of

anderen, te duchten was;

6.

hij op of omstreeks 25 december 2004 in de gemeente Alkmaar (op of aan de Molenkade) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door een brandba(a)r(e) mengsel/samenstelling van producten aan te brengen op (een gedeelte van een wand/muur van) een molen (molen C) en (vervolgens) vuurwerk (een grondbloem/tol) te voorzien van en/of te steken/plaatsen in dat mengsel/die samenstelling en/of (vervolgens) dat vuurwerk aan te steken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die molen en/of voor de inboedel van die molen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoner(s) van die molen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

7.

hij op of omstreeks 26 juni 2005 in de gemeente Alkmaar (op of aan de Chopinstraat), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een brandbom, welke brandbom lag op het dak van een auto, tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die auto en/of de in de nabijheid van die auto staande andere auto('s) en/of de in die auto('s) aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

8.

hij op of omstreeks 27 maart 2005 in de gemeente Alkmaar (op of aan de Valkenierstraat), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht door een

explosief (brandbom) tot ontploffing te brengen en/of een brandbare stof aan te steken en/of tot ontbranding te brengen op of nabij een in een carport van een woning staande auto, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die auto en/of die carport en/of die woning en/of de aangrenzende woning(en) en/of carport(s), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoner(s) van die woning en/of de bewoner(s) van de aangrenzende woning(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

1.

hij op 28 augustus 2005 in de gemeente Alkmaar (op of aan de Jan Willem Frisostraat), tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief (bom) tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een nabij dat explosief/bom staande bestelauto (Volkswagen Multivan,

kenteken [KENTEKEN]) en andere in de nabijheid staande auto’s en een in de

nabijheid van dat explosief /bom staand bedrijfspand en in de nabijheid van dat explosief/bom staande woningen, en levensgevaar voor in de nabijheid van dat explosief /bom aanwezige personen, te duchten was;

2.

hij in de nacht van 01 op 02 februari 2005 in de gemeente Alkmaar (op of aan de Gedempte Baansloot), tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief (bom) tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor in de nabijheid van dat explosief/bom staande

auto's en een bedrijfspand en woningen, te duchten was;

3.

hij op 28 juni 2005 in de gemeente Alkmaar (op of aan de Lekstraat) tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met elkaar, opzettelijk

een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

goederen, te weten de in de nabijheid staande caravan en de in de nabijheid

staande woningen en de zich in die caravan en de zich in die woningen

bevindende goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, te weten voor de bewoner(s) van de nabij gelegen woningen, te duchten was,

met dat opzet een doos met daarin een explosief (bom) en een ontstekingsmechanisme en brandbare stoffen onder een caravan, welke caravan stond nabij een woning, heeft geplaatst, en vervolgens de lont van dat explosief (bom) heeft aangestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op 03 of 04 januari 2005 in de gemeente Alkmaar (op of aan de Tochtwaard) tezamen en in verenging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met elkaar, opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de in de nabijheid staande school en de zich daarin bevindende goederen, te duchten was,

met dat opzet een explosief/bom heeft aangestoken, nabij de toegangsdeur van een school [(school)], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.

hij op 18 februari 2005 in de gemeente Alkmaar (op of aan de Lekstraat), tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een op een raam van een woning aangebracht explosief tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en de inboedel van die woning, en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning aanwezige personen, te duchten was;

6.

hij op 25 december 2004 in de gemeente Alkmaar (op of aan de Molenkade) tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht door een brandbaar mengsel

van producten aan te brengen op een molen (molen C) en vervolgens vuurwerk (een grondbloem) te steken in dat mengsel en vervolgens dat vuurwerk aan te steken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die molen en voor de inboedel van die molen, en levensgevaar voor de bewoners van die molen, te duchten was;

7.

hij op 26 juni 2005 in de gemeente Alkmaar (op of aan de Chopinstraat), tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een brandbom, welke brandbom lag op het dak van een auto, tot ontploffing te brengen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die auto en de in de nabijheid van die

auto staande andere auto's en de in die auto’s aanwezige goederen, te duchten was;

8.

hij op 27 maart 2005 in de gemeente Alkmaar (op of aan de Valkenierstraat), tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht door een brandbare stof tot ontbranding te brengen op een in een carport van een woning staande auto, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die auto en die carport en die woning en de aangrenzende woning en de aangrenzende carport, en levensgevaar voor de bewoners van die woning en de bewoners van de aangrenzende woning, te duchten was.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

4. VERWEREN

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van de feiten 1,2,3,7 en 8 aangevoerd dat de rol van verdachte niet die van medepleger is geweest, maar slechts die van medeplichtige. Aangezien dit niet aan verdachte ten laste is gelegd, dient verdachte van deze feiten te worden vrijgesproken.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Van medeplegen kan worden gesproken als er tussen verdachten sprake is geweest van een nauwe en volledige samenwerking bij het voorbereiden en plegen van de strafbare feiten Naar het oordeel van de rechtbank is bij alle ten laste gelegde feiten van een dergelijke samenwerking sprake geweest immers:

- verdachte en zijn medeverdachte hebben samen gesproken over het vervaardigen van bommen. Verdachte heeft daartoe het zogenaamde anarchistisch kookboek van internet gedownload, waarin onder andere “recepten” staan voor het maken van explosieven en brandbare mengsels, waarvan ook daadwerkelijk gebruik is gemaakt;

- in de woning van verdachte zijn vuurwerk, vuurwerkkruit en vuurwerklontjes aangetroffen. Van verdachte afkomstig kruit is ook gebruikt voor het vullen van pijpbommen;

- verdachte heeft meegeholpen met het vullen van een pijpbom;

- verdachte heeft een leeg blik Similac aan zijn medeverdachte ter hand gesteld, welk blik ook daadwerkelijk is gebruikt voor het vervaardigen van een explosief ;

- verdachte en zijn mededader gingen vanuit het huis van verdachte op pad en pleegden overleg over de objecten, die ze wilden treffen;

- verdachte was bij de (chronologisch) eerste twee gepleegde strafbare feiten, de brand in Molen C (feit 6) en de school ( feit 4), actief betrokken. Ten aanzien van de molen heeft verdachte het recept voor het brandbaar mengsel geleverd en dit mengsel, nadat zijn mededverdachte dit op de molen had aangebracht, met een zogenaamdegrondbloem tot ontbranding gebracht. Ten aanzien van de school heeft verdachte de door zijn medeverdachte geconstrueerde pijpbom met kruit gevuld.

Elke volgende keer dat verdachte en zijn mededader met een bom of explosief op stap gingen, wist verdachte dus ook wat de bedoeling was; hij heeft zich op geen enkele wijze gedistantieerd.

Gezien bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte voor alle ten laste gelegde feiten als medepleger is aan te merken.

Namens de verdachte is ten aanzien van feit 3 aangevoerd dat verdachte ontslagen dient te worden van rechtsvervolging, nu verdachte en zijn mededader bij het plegen van dit feit gebruik hebben gemaakt van een ondeugdelijk middel. Het explosief is niet afgegaan en kon ook niet afgaan, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI), dat de resten van het door het door het Explosieven Opruimings Commando Koninklijke Landmacht (hierna EOCKL) tot ontploffing gebrachte explosief heeft onderzocht, heeft met betrekking tot de deugdelijkheid –voor zover van belang- het volgende gesteld: Wat betreft de werking van de lont zijn er twee mogelijkheden. De eerste is, dat via de lont alleen het vuurwerk wordt ontstoken. De geïmproviseerde lont is verbonden met de lontjes van het vuurwerk. Na aansteken van de geïmproviseerde lont zullen na enkele tientallen seconden de lontjes van het vuurwerk ontbranden. Enkele seconden later zal ook het vuurwerk tot ontbranding komen. Het ontbranden van het vuurwerk zal leiden tot het doorsmelten van het plastic deksel en het ontsteken van het mengsel van benzine en polystyreen daaronder. De hitte van dit brandende materiaal ontsteekt na enige tijd het kruit in de metalen pijp, die explodeert. Door de explosie wordt het brandende mengsel van benzine en polystyreen verspreid, met kans op ontsteking van brandbare materialen in de omgeving. Bovendien zal er schade optreden door scherfwerking.

Een andere mogelijkheid is, dat de geïmproviseerde lont verbonden was met het kruit in de PVC-pijp, dit kruit ontsteekt en daarmee –eventueel via de lont in de PVC-pijp- het kruit in de metalen pijp. De metalen pijp explodeert en ontsteekt en verspreidt het mengsel van benzine en polystyreen, met kans op ontsteking van brandbare materialen in de omgeving van het explosief. Bovendien zal er schade optreden door scherfwerking.

De ontsteking met de lont zou in beide varianten moeten werken. De zwarte verkleuring van de geïmproviseerde lont ter plaatse van het ijzerdraadje vormt een aanwijzing dat de lont heeft gebrand, maar is uitgegaan.

Conclusie. De exacte werking van de ontsteking met behulp van de geïmproviseerde lont kon niet meer worden vastgesteld. Ontsteking van het explosief met een lont is echter goed mogelijk.

Het NFI onderzoek heeft zich moeten beperken tot de resten van het explosief na ontmanteling door het EOCKL. Het NFI heeft zich bij haar onderzoek dan ook niet anders dan op afzonderlijke onderdelen van het explosief kunnen baseren. Het NFI constateert dat de lont het explosief had kunnen ontsteken en dat dit mogelijk niet is gebeurd door de verbinding van de twee lonten met klodders lijmachtige substantie, of door het ijzerdraad dat om de lonten was gewikkeld. Het NFI merkt hierover op: Op de plaatsen waar de lijm of het ijzerdraad zat, is wellicht de continuïteit van de lading van de lont verbroken, bijvoorbeeld door afknellen, waardoor de lont voortijdig is gedoofd.

De medeverdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij het explosief met een lont heeft aangestoken.

De rechtbank acht het, gezien het voorgaande, zeer wel mogelijk dat het explosief, na door de medeverdachte met een lont aangestoken te zijn, tot explosie zou kunnen komen.

De rechtbank acht het middel dan ook niet ondeugdelijk en verwerpt het verweer.

5. NADERE MOTIVERING

Van de zijde van de verdachte is aangevoerd dat de bijkomende omstandigheid levensgevaar voor een ander (feit 1, feit 6, en feit 8), dan wel de bijkomende omstandigheid gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander (feit 3, feit 5) niet aanwezig was.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Brandstichting is een delict, dat voor de pleger van het misdrijf een moeilijk in te schatten gevaarsrisico voor levensgevaar voor een ander dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander met zich brengt.

Het gevaar bestaat wanneer naar de gewone loop der dingen zonder buitengewone omstandigheden de ernstige mogelijkheid van noodlottige afloop aanwezig is (zie ook Noyon-Langemeier, Het Wetboek van Strafrecht, zevende druk, aantekening 2 bij artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht), waarbij de noodlottige afloop als gevolg niet vereist is. Het gaat erom dat het gevaar heeft bestaan. Dit is af te leiden uit de feiten en omstandigheden van het geval. De rechtbank dient dit gevaarsrisico per feit te beoordelen en zal dat doen zoals hieronder weergegeven.

Ten aanzien van feit 1.

Verdachte heeft samen met zijn mededader een explosief (bom) tot ontploffing gebracht. Dit explosief bestond, volgens onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI), waarschijnlijk uit een metalen cilinder, welke was gevuld met kruit. De hoeveelheid kruit wordt door het NFI geschat op maximaal 1 kilogram. Het NFI constateert dat het schadebeeld dat zichtbaar is op de foto’s van de plaats delict, past bij een grotendeels of geheel gevulde cilinder.

Volgens het proces-verbaal van de technische recherche, bevond het centrum van de explosie zich juist boven het rechterachterwiel van een personenbus. Delen van deze auto, waaronder ook vele metalen delen, waren door de explosie weg geklapt of weggeschoten over de openbare weg, tot op een afstand van 36 meter.

Stukken zwaar metaal (in totaal 9 scherven van de ontplofte bom) werden rond het voertuig aangetroffen. Een van deze scherven lag binnen in een Peugeot personenauto, welke zich in de showroom van een autoverhuurbedrijf bevond. Er was een gat in de linkerportier van dit voertuig en in de garagedeur van de showroom. Deze gaten en de plaats boven het rechterachterwiel van de bus lagen in elkaars verlengde. Achter in de showroom bevond zich nog een stuk metaal. De technische recherche heeft geconcludeerd dat, gezien de schade in de omgeving en ook het aantreffen van andere metalen delen tot een afstand van 36 meter, alsmede de kennelijk door bomscherven veroorzaakte penetraties van metaal, kan worden gesteld dat de explosie ook levensgevaar heeft doen ontstaan voor personen die zich eventueel in de nabijheid van de explosie zouden hebben bevonden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op het moment dat verdachte en zijn mededader het explosief tot ontploffing brachten was het weliswaar nacht, maar niet uit te sluiten valt dat zich mensen in de nabijheid van de explosie bevonden. De explosie vond plaats op de openbare weg, voor de showroom van een autoverhuurbedrijf, in een wijk waarin zich ook woonhuizen bevonden,

In dit geval heeft deze mogelijkheid zich ook gerealiseerd.

Uit de stukken blijkt dat de getuige [getuige 1] vlak voor het afgaan van de bom, op de (kruising met de) Jan Willem Frisostaat fietste en dat, vlak na het afgaan van de bom, een onbekend gebleven jongen bij de steeg uitkomend op de Jan Willem Frisostraat stond.

De rechtbank acht, gezien het voorgaande, de bijkomende omstandigheid levensgevaar voor anderen aanwezig.

Ten aanzien van feit 3.

Verdachte heeft samen met zijn mededader getracht een explosief, dat door verdachte onder een caravan, staande aan de Lekstraat, was geplaatst tot ontploffing te brengen. Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij het explosief met een lont heeft aangestoken.

Uit het rapport van het NFI blijkt dat, indien de pijpbom tot explosie zou zijn gekomen, hoogstwaarschijnlijk schade zou zijn ontstaan, enerzijds door scherfwerking en anderzijds door de verspreiding van brandende vloeistof, waardoor brandbare materialen in de omgeving in brand zouden kunnen raken. Personen in de nabije omgeving van de explosie (tot ca. 10 meter) zouden brandwonden kunnen oplopen of ernstig lichamelijk letsel door de scherfwerking.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte heeft het explosief geplaatst onder een caravan, welke stond in een woonwijk, onder een carport, naast een woning en naast een rij garageboxen. In de stukken bevindt zich de verklaring van de getuige [getuige 2] wonende [adres 1], waaruit blijkt dat genoemde getuige op 30 juni 2005 omstreeks 01.00 uur 2 jongens in de richting van de garageboxen op de Lekstraat zag fietsen. Hij is daarop buiten gaan kijken en zag beide jongens bij de garageboxen staan. Op het moment dat de jongens de getuige zagen, zijn ze weggefietst.

Gezien het voorgaande is het waarschijnlijk dat de getuige [getuige 2] in de onmiddellijke omgeving van het explosief was, op het moment dat verdachte en zijn mededader dit plaatsten en verdachte de lont van het explosief aanstak.

De rechtbank acht, onder deze omstandigheden, de bijkomende gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de nabij gelegen woningen aanwezig.

Ten aanzien van feit 5:

Verdachte heeft, samen met zijn mededader, een explosief tot ontploffing gebracht dat door hen op het raam van een woning was geplaatst. Uit het rapport van de technische recherche blijkt, dat het gebruikte explosief heeft bestaan uit een koperen pijp met een lengte van ongeveer 12 centimeter, welke pijp kruit heeft bevat. Voorts constateert de technische recherche dat de woonkamer van de woning was doorzeefd met splinters, waarbij een aantal splinters in het hout van meubels gestoken zat. De technische recherche concludeert dat, gezien de beschadigingen, met in het bijzonder de glassplinters in het hout, het zeker is, dat ten gevolge van de explosie van de pijp met kruit bij personen (zwaar) lichamelijk letsel kon worden veroorzaakt, afhankelijk van de plaats van treffen.

In de woning was op het moment van de ontploffing een persoon aanwezig.

De rechtbank acht onder deze omstandigheden, de bijkomende omstandigheid gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in die woning aanwezige personen aanwezig.

Ten aanzien van feit 6:

Verdachte had zich, naar het oordeel van de rechtbank, moeten realiseren dat de molen, waar hij samen met zijn mededader brand stichtte, bewoond was. Het betrof hier immers een recentelijk gerestaureerde molen. Van oudsher hebben molens tevens een woonfunctie. Verdachte kon er niet van uitgaan dat deze specifieke molen geen woonfunctie had en thans een museum zou zijn.

Dit klemt des te meer, nu verdachte ter terechtzitting van 7 februari 2007 heeft verklaard dat hij en zijn mededader, vlak voordat zij de brand stichtten (volgens de aangifte van de bewoonster [slachtoffer 1] tussen 05.45 en 06.30 uur, dus tijdens de voor de nachtrust bestemde uren), in de woning een geluid hoorden, dat zij interpreteerden als het aanslaan van een verwarmingsketel. Dit duidt, naar het oordeel van de rechtbank, op de mogelijkheid van bewoning en daarmee, gezien het nachtelijk uur, op de aanwezigheid van menselijk leven. In de molen was ook daadwerkelijk een bewoonster aanwezig, die zich dankzij de juiste werking van een brandmeldinstallatie in veiligheid heeft kunnen brengen.

De rechtbank acht, onder deze omstandigheden, de bijkomende omstandigheid levensgevaar voor de bewoners van de molen aanwezig.

Ten aanzien van feit 8:

Verdachte heeft ’s nachts brand gesticht door een brandbare stof tot ontbranding te brengen op een auto, welke in een carport onder een woning stond. Boven de carport bevond zich de slaapkamer van de woning, waar op het moment van de brandstichting de bewoners van het huis lagen te slapen. De aangever verklaart in zijn aangifte dat het leek alsof een auto met zijn koplampen aan het flitsen was, en dat hij, toen hij uit het raam keek, zag dat de auto in brand stond. Voorts heeft hij verklaard dat er door de brand brandschade is ontstaan aan de buitenmuur van de woning, aan de dakgoot en aan het plafond van de carport.

De technische recherche beschrijft dat de woning waaronder de brand heeft gewoed, deel uitmaakt van een rijtje woningen.

Op de foto’s van de plaats delict (T-9-3 foto 1 en foto 2) is te zien dat de carport, welke zich onder een deel van het huis bevindt (terwijl zich rechts naast deze carport een andere woning bevindt), brandschade heeft opgelopen en dat de voorkant van de auto ernstig beschadigd is.

De rechtbank acht, onder deze omstandigheden, de bijkomende omstandigheid levensgevaar voor de bewoners van die woning en de bewoners van de aangrenzende woningen aanwezig.

6. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

ten aanzien van feit 3:

poging tot medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

poging tot medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is

ten aanzien van feit 4:

poging tot medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

ten aanzien van feit 5:

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is

ten aanzien van feit 6:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is

ten aanzien van feit 7:

opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

ten aanzien van feit 8:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is

7. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8. MOTIVERING VAN DE STRAF.

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een reeks van explosies en brandstichtingen, waarvan hij het grootste deel samen met zijn mededader heeft gepleegd en waarvan een aantal bij een poging zijn gebleven. Bij een van de brandstichtingen is een molen, die bewoond werd, volledig afgebrand. Verder zijn diverse auto's geheel uitgebrand en zijn diverse panden en auto's beschadigd geraakt. Door deze feiten zijn vele personen ernstig gedupeerd geraakt. De materiële schade is enorm. Bij een aantal van deze feiten waren de omstandigheden dusdanig dat naast gevaar voor goederen ook levensgevaar voor personen of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. In een geval is in verband met een niet ontploft explosief een aantal bewoners gedurende een aantal uren uit hun huizen geëvacueerd. Dat geen slachtoffers te betreuren zijn is een gelukkige omstandigheid, die niet op het conto van verdachte of zijn mededader kan worden bijgeschreven.

Verdachte en zijn mededader hebben verklaard dat steeds eerst een middel (veelal een pijpbom, maar ook - bij de molen - een op napalm gelijkende brandbare pasta) werd gefabriceerd en dat zij vervolgens min of meer willekeurig naar een object op zoek gingen. Als motief hebben zij opgegeven dat zij spanning zochten en ook dat zij zich op deze wijze wilden afzetten tegen de maatschappij. Dat zij hierbij bewust slachtoffers uitkozen is de rechtbank niet gebleken.

De feiten hebben (mede door het willekeurig karakter daarvan) grote onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeggebracht. Voor de bewoonster van de molen (en wellicht ook voor andere gedupeerden) geldt dat zij het gebeurde wellicht haar leven lang met zich zal moeten dragen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister, gedateerd 6 september 2005, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder wegens een misdrijf is veroordeeld.

- De rapportage van Pro Justitia van 17 februari 2006 opgemaakt en ondertekend door drs. I. Matthaei, psychiater en drs. E. Stam, psycholoog.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 7 maart 2006 van mevrouw N.J.C. Schilder, als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland, Regio Alkmaar Haarlem.

Dit voorlichtingsrapport houdt – kort samengevat – onder meer het volgende in:

Betrokkene vertelt dat hij de delicten heeft gepleegd vanwege de kick die dat bij hem veroorzaakte. Kans op herhaling lijkt aanwezig. Het feit dat betrokkene “ten koste van alles” zijn “kick” wil ervaren, acht de rapporteur zorgelijk. Betrokkene geeft aan geen vertrouwen te hebben in het “systeem” en is verbitterd over de wijze waarop hij is behandeld door de verschillende hulpverleningsinstanties. Uit het pro justitia rapport komt naar voren dat er bij betrokkene geen sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens. Een verplicht reclasseringscontact, indien de strafmaat dit zou toelaten, is niet geïndiceerd.

Voorts heeft de rechtbank met betrekking tot de persoon van de verdachte kennis genomen van de rapportage van het omtrent de persoon van de verdachte opgestelde rapport van het Pieter Baan Centrum Utrecht van 29 september 2006 van J.M.J.F. Offermans, psychiater en F.A.M.M. Koenraadt, psycholoog.

De rapporteurs concluderen dat er bij betrokkene sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een stoornis in de agressieregulatie. Tevens is er sprake van cannabis en van misbruik van andere middelen (amfetaminen). Ofschoon er in de persoonlijkheidsstructuur zowel narcistische als in mindere mate afhankelijke kenmerken naar voren komen, zijn die niet van dien aard, dat van een persoonlijkheidsstoornis gesproken kan worden. Hoewel er wel sprake is van een stoornis in de impulsregulatie en de agressiehuishouding, is het verband met de tenlastgelegde feiten betrekkelijk gering. Betrokkene mag redelijk in staat worden geacht om controle, zij het niet een optimale controle, over zijn gevoelens en impulsen te hebben. Het onderzoeksteam acht hem derhalve in enigszins verminderde mate toerekeningsvatbaar voor de hem tenlastegelegde feiten. Gelet op dit marginale verband valt er geen uitspraak te doen over een recidivegevaar op basis van de stoornis. Een specifiek gedragskundig advies ten aanzien van behandeling en begeleiding wordt dan ook niet geïndiceerd geacht.

Met de genoemde conclusies van de rapportages kan de rechtbank zich verenigen.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat gezien de ernst en de hoeveelheid van de feiten, de willekeurige wijze waarop verdachte te werk is gegaan en de mate waarin de rechtsorde is geschokt, oplegging van een lange gevangenisstraf van hierna te melden duur noodzakelijk is.

9. BENADEELDE PARTIJEN

1. De benadeelde partij Europcar Autovermietung GmbH, heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 60.422,52 wegens schade die de verdachte met zijn mededader aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering niet van zo eenvoudige aard dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding (gevorderde bedrag betreft reparatiekosten, terwijl de auto volgens de benadeelde partij total loss is). Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

2. De benadeelde partij Europcar Autoverhuur B.V., heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 2.500,00 wegens schade die de verdachte met zijn mededader aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte -ook al is een andere dader daarbij betrokken- rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag kan de vordering worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de mededader aan de benadeelde partij is voldaan.

3. De benadeelde partij [slachtoffer 1], heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 23.561,04 wegens schade die de verdachte met zijn mededader aan de benadeelde partij heeft toegebracht. De benadeelde partij heeft deze vordering ter terechtzitting van 7 februari 2007 toegelicht en daarbij een slachtofferverklaring voorgelezen. De benadeelde partij heeft daarbij verklaard dat de vordering ziet op een bedrag van € 18.547,54 materiële schade, € 5.000,00 immateriële schade en een bedrag van € 13,50 betreffende rechtsbijstand. De benadeelde partij heeft bij deze gelegenheid uitdrukkelijk verklaard dat de vordering de schade tot op heden betreft en zij zich het recht voorbehoudt mogelijke verdere schade op een later tijdstip te vorderen.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 6 bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte - ook al is een andere dader daarbij betrokken - rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 23.547,54 (tot op heden begroot), kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de mededader aan de benadeelde partij is voldaan.

4. De benadeelde partij [slachtoffer 2], heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 2.601,48 wegens schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht, welke vordering op de terechtzitting door [betrokkene] is toegelicht.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Onduidelijk is welke persoon of personen schade hebben geleden. Bovendien is de bijgevoegde schadetaxatie gedateerd 17 maart 2006, dus geruime tijd na het feit, dat heeft plaatsgevonden op 26 juni 2005. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan deze vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10. SCHADEVERGOEDING ALS MAATREGEL

1. De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer Europcar Autoverhuur naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelde.

De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.

2. De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 6 bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelde.

De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.

TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

11. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart bewezen, dat de verdachte het als feit 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 10 (tien) jaren.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij Europcar Autovermietung GmbH niet ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk in de vordering.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij Europcar Autoverhuur B.V..

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 2.500,00, (tweeduizendvijfhonderd euro) als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededader zijn voldaan.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 23.547,54, (drieentwintigduizendvijfhonderdzevenenveertig euro vierenvijftig eurocent) als schadevergoeding(tot op heden begroot)

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op € 13,50.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededader zijn voldaan.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Europcar Autoverhuur B.V. te betalen een som geld ten bedrage van

€ 2.500,00, (tweeduizendvijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] te betalen een som geld ten bedrage van € 23.547,54, (drieentwintigduizendvijfhonderdzevenenveertig euro vierenvijftig eurocent), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 73 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J. Dondorp, voorzitter,

mr. M.E.J. van Lieshout-Segers en mr. E.J.M. Tuijp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Lingen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 februari 2007.