Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:AZ9152

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
22-02-2007
Zaaknummer
89986/FA RK 06-723
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet limitering alimentatie. Oud geval. Ingangsdatum van de 15-jaarstermijn. Over de periode 6 september 2006 tot 6 april 2007 wordt de uitkering tot levensonderhoud op nihil gesteld, omdat de vrouw eigen inkomsten heeft. Met ingang van 6 april 2007 tot 1 augustus 2008 wordt de uitkering op een lager bedrag bepaald. De uitkering wordt definitief beëindigd met ingang van 1 augustus 2008 zonder de mogelijkheid van verlenging van de termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

zaak- en rekestnummer: 89986 / FA RK 06-723

datum: 21 februari 2007

Beschikking van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

[verzoeker - de man],

wonende te Beverwijk,

verzoekende partij,

procureur: mr. R.D. de Boer,

tegen:

[gerekwestreerde - de vrouw],

wonende te Zwaag, gemeente Hoorn,

gerekwestreerde,

procureur: mr. P.J.M. Fens.

Partijen zullen verder ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter griffie van deze rechtbank is op 23 augustus 2006 een verzoekschrift van de man ingekomen waarin wordt verzocht het vonnis van deze rechtbank van 26 november 1992 te wijzigen door:

Primair: de vastgestelde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te beëindigen op grond van de omstandigheid dat deze verplichting meer dan vijftien jaar heeft geduurd, één en ander met ingang van 18 juni 2006, dan wel met ingang van 1 augustus 2006, dan wel met ingang van datum indiening verzoekschrift dan wel met ingang van 11 januari 2008, dan wel met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum;

Subsidiair: de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op nihil te stellen dan wel op Euro 214,-- bruto per maand, één en ander met ingang van 1 augustus 2006 dan wel met ingang van datum indiening verzoekschrift althans te stellen op een door de rechtbank te bepalen bedrag en ingangsdatum.

De vrouw heeft daarop een verweerschrift ingediend, strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van het primaire verzoek en strekkende tot afwijzing van het subsidiaire verzoek voor zover de uitkering lager zou uitvallen dan Euro 389,-- per maand.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 januari 2007, waarbij zijn verschenen de man, bijgestaan door mr. De Boer en de vrouw, bijgestaan door mr. Fens.

Bij die gelegenheid heeft de man zijn verzoek aangevuld in die zin dat de rechtbank zal bepalen dat de alimentatieverplichting per 1 augustus 2008 definitief zal eindigen en dat geen verdere verlenging kan plaatsvinden.

De vrouw heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verzocht, voor het geval de rechtbank de onderhavige uitkering met terugwerkende kracht mocht verlagen, te bepalen dat zij niet gehouden zal zijn hetgeen door de man mogelijk na datum van wijziging is betaald terug te betalen.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

De rechtbank zal eerst de vraag moeten beantwoorden of zij bevoegd is om van de onderhavige zaak kennis te nemen, nu de verzoekende partij niet woonachtig is binnen het arrondissement Alkmaar.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend, nu de vrouw in de procedure is verschenen en zij de bevoegdheid van deze rechtbank niet heeft betwist.

Tussen partijen staat het volgende vast.

Deze rechtbank heeft bij beschikking voorlopige voorzieningen van 18 juni 1991 de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw vastgesteld op Euro 589,91 per maand met ingang van 18 juni 1991, alsmede de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de destijds minderjarige zoon van partijen [naam zoon partijen], geboren in de gemeente [geboorteplaats en -datum] op Euro 158,82 per maand. Bij vonnis van 26 november 1992 heeft deze rechtbank tussen partijen, op [huwelijksdatum en -plaats] gehuwd, echtscheiding uitgesproken. Dat vonnis is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 11 januari 1993. Voorts is de man in dat vonnis veroordeeld om aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud te betalen van Euro 612,60 per maand met ingang van de dag van inschrijving van dat vonnis en Euro 771,43 per maand met ingang van de datum waarop de zoon van partijen in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Deze uitkering bedraagt geïndexeerd per 1 januari 2006 Euro 1.047,17 per maand en per 1 januari 2007 Euro 1.066,01 per maand.

De man voert als grond voor het primaire verzoek aan dat de termijn van 15 jaar is verstreken nu hij sinds 18 juni 1991 partneralimentatie betaalt en dat aan die verplichting een einde is gekomen. De vrouw heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de man zich ten aanzien van de vraag wanneer de vijftienjaarstermijn is gaan lopen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De vrouw heeft het primaire standpunt van de man bestreden met het argument dat de termijn van 15 jaar eerst zal zijn verstreken per 11 januari 2008, nu gemelde termijn aanvangt op de datum waarop ingevolge de rechterlijke uitspraak de betaling tot levensonderhoud een aanvang heeft genomen, in casu 11 januari 1993. Daarnaast heeft de vrouw aangegeven dat zij, op grond van redelijkheid en billijkheid in verband met het feit dat zij op 3 augustus 2008 de pensioengerechtigde leeftijd zal bereiken, akkoord kan gaan met beëindiging van de onderhoudsverplichting van de man jegens haar per 1 augustus 2008.

De rechtbank zal, nu dit het meest verstrekkend is, allereerst het (primaire) verzoek tot beëindiging van de uitkering tot levensonderhoud bespreken.

Gelijk partijen hebben gesteld is de rechtbank van oordeel dat deze zaak een oud geval betreft waarop de Wet limitering alimentatie niet van toepassing is. Wel van toepassing is de overgangsbepaling van artikel II van genoemde wet, waarin wordt bepaald dat een verplichting tot het verstrekken van een uitkering tot levensonderhoud door de rechter kan worden beëindigd, indien sedert de datum waarop ingevolge de rechterlijke uitspraak de verplichting tot betaling van levensonderhoud een aanvang heeft genomen, vijftien of meer jaren zijn verstreken, tenzij hij van oordeel is dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot de uitkering gerechtigd is kan worden gevergd. In dat geval stelt de rechter op verzoek van de tot uitkering gerechtigde alsnog een termijn vast.

De onderhavige uitkering heeft ingevolge het vonnis van 26 november 1992 een aanvang genomen op 11 januari 1993. Een beëindiging van deze uitkering zou derhalve eerst per 11 januari 2008 aan de orde kunnen zijn.

Bij de beoordeling van het verzoek tot beëindiging is, naast het vorenstaande, het volgende van belang.

Uit het huwelijk van partijen, dat bijna 26 jaar heeft geduurd, is naast voornoemde zoon ook een dochter geboren. De man was kostwinner tijdens het huwelijk, waardoor de vrouw zich geen positie op de arbeidsmarkt heeft kunnen verwerven. Ten tijde van de echtscheiding was de vrouw 50 jaar. Op grond van haar leeftijd en de rolverdeling tijdens het huwelijk is de verdiencapaciteit van de vrouw negatief beïnvloed door het huwelijk. De man heeft sedert medio 2006 niet meer volledig aan zijn alimentatieverplichting voldaan, als gevolg waarvan de vrouw aanvullende bijstand heeft moeten vragen. Zij is op grond van de Wet werk en bijstand tijdelijk geplaatst in een gesubsidieerde baan van 19 september 2006 tot 6 april 2007. Haar contract zal niet worden verlengd, omdat zij niet tot de doelgroep behoort. Per 1 oktober 2006 ontvangt de vrouw van het ABP ? 282,65 bruto per maand in het kader van verrekening van het pensioen van de man.

Beëindiging van de van de man te ontvangen uitkering tot levensonderhoud zou voor de vrouw betekenen dat zij slechts als inkomen zou ontvangen het haar toekomende bedrag in het kader van de pensioenverrekening van de man. Rekening houdende met de omstandigheid dat het inkomen van de vrouw uit de gesubsidieerde baan per 6 april 2007 zal komen te vervallen in samenhang met de door de man verzochte beëindiging is de rechtbank van oordeel dat een dergelijke inkomensverlaging van zo ingrijpende aard is dat toewijzing van het primaire verzoek van de man tot beëindiging van de onderhoudsverplichting met ingang van 11 januari 2008 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden.

De rechtbank zal ten aanzien van het primaire verzoek van de man, gelet op de omstandigheid dat de vrouw op 3 augustus 2008 de pensioengerechtigde leeftijd zal bereiken en alsdan een AOW-uitkering zal ontvangen, alsmede gelet op het feit dat beide partijen hebben verklaard dat de uitkering ten behoeve van de vrouw met ingang van 1 augustus 2008 definitief kan worden beëindigd, na te melden termijn vaststellen. De rechtbank zal daarbij tevens bepalen dat die termijn niet voor verlenging vatbaar zal zijn.

Met betrekking tot de door de man in het kader van het primaire verzoek gestelde wijziging van zijn draagkracht en zijn daarmee verband houdende verzoek een afbouwregeling vast te stellen gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De man woont samen met mevrouw [naam partner man], met wie hij op 14 juli 2003 een samenlevingscontract heeft gesloten. Hij is op 18 juli 2006 65 jaar geworden. Zijn inkomen bestaat sindsdien uit een AOW-uitkering van Euro 813,-- bruto per maand, exclusief vakantiegeld en een pensioenuitkering van Euro 1.912,-- bruto per maand, inclusief vakantiegeld (Euro 2.194,56 waarvan Euro 282,65 rechtstreeks aan de vrouw wordt uitbetaald). Zijn partner heeft als inkomen een ANW-nabestaandenuitkering van Euro 243,53 netto per maand, exclusief vakantiegeld en een nabestaandenpensioen van Euro 245,17 netto per maand. De kale huur bedraagt Euro 420,-- per maand. De ziektekostenpremie bedraagt Euro 309,-- per maand (Euro 106,-- premie, Euro 110,-- + Euro 51,-- inkomensafhankelijke bijdrage man + Euro 42,-- inkomensafhankelijk bijdrage partner). De premie begrafenisverzekering bedraagt Euro 38,-- per maand. Aan aflossing schulden wordt Euro 340,-- per maand betaald (Euro 102,-- aan Fortis en Euro 238,-- aan General Motors). Voorts worden nog aflossingen op een schuld aan Visa van Euro 118,-- per maand en een schuld aan Comfort Card van Euro 30,-- per maand opgevoerd.

De partner van de man heeft naast voormelde nabestaandenuitkeringen inkomen uit arbeid genoten. Vanaf augustus 2006 geldt ten aanzien van zijn partner dat zij nog inkomen in verband met arbeid geniet, welke inkomsten volledig in mindering worden gebracht op de te ontvangen toeslag AOW-pensioen. De rechtbank houdt geen rekening met de premie lijfrente van Euro 273,40 per maand, nu dit vermogensvorming betreft. De rechtbank houdt rekening met de aflossing van de schuld aan Fortis, nu dit een huwelijkse schuld betreft. Geen rekening wordt gehouden met de schuld bij General Motors, omdat die schuld thans niet meer kan worden aangemerkt als noodzakelijk ter verwerving van inkomen. Voorts wordt geen rekening gehouden met de aflossing van de Visa-schuld, nu de noodzaak tot het aangaan daarvan, mede gelet op de gemotiveerde betwisting, onvoldoende is aangetoond. Tenslotte wordt wel rekening gehouden met de schuld van Comfortcard, aangezien dit een huwelijkse schuld betreft, welke geheel voor rekening van de man is gekomen.

Op grond van het vorenstaande heeft de man een draagkrachtruimte van Euro 866,-- per maand, waarvan 45% beschikbaar is, zijnde Euro 390,-- per maand. Rekening houdende met het fiscaal voordeel is de man in staat tot betaling van Euro 573,-- per maand.

Met betrekking tot de vrouw is de rechtbank het volgende gebleken:

Zij is alleenstaand. Op grond van een detacheringsovereenkomst is zij met ingang van 6 september 2006 tot 6 april 2007 werkzaam is bij de gemeente Hoorn. Haar netto salaris uit arbeid bedraagt Euro 1.031,80 per maand. De huur bedraagt Euro 539,-- per maand. Zij ontvangt Euro 271,-- per maand aan huurtoeslag. De ziektekostenpremie bedraagt Euro 147,-- per maand (Euro 111,-- premie, Euro 74,-- inkomensafhankelijke bijdrage en Euro 37,-- zorgtoeslag).

In verband met de omstandigheid dat de vrouw vanaf 6 september 2006 tot 6 april 2007 inkomen uit arbeid ontvangt en mede gelet op het feit dat de vrouw per 1 oktober 2006 een bedrag van Euro 282,65 per maand ontvangt in het kader van verrekening van het pensioen van de man, is de rechtbank van oordeel dat zij over die periode geen behoefte heeft aan een aanvullende uitkering tot levensonderhoud ten laste van de man. Het verzoek van de man zal in zoverre derhalve worden toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat na te melden uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 6 april 2007 tot 1 augustus 2008 in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om, indien zou worden beslist de uitkering met terugwerkende kracht te verlagen, te bepalen dat zij niet gehouden zal zijn om het eventueel na de datum van wijziging door de man teveel betaalde terug te betalen toewijzen, aangezien de man zich dienaangaande heeft gerefereerd.

Het subsidiaire verzoek van de man behoeft, gelet op de beslissing ten aanzien van het primaire verzoek, geen verdere bespreking.

DE BESLISSING

De rechtbank :

Wijzigt het vonnis van deze rechtbank van 26 november 1992 aldus dat de daarbij vastgestelde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 6 september 2006 tot 6 april 2007 nader wordt vastgesteld op nihil, in die zin dat voor zover sedert 6 september 2006 tot nu toe méér is betaald en/of op de man is verhaald de rechtbank de bijdrage voor die periode vaststelt op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald.

Wijzigt voormeld vonnis voorts aldus dat de daarbij vastgestelde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 6 april 2007 tot 1 augustus 2008 nader wordt vastgesteld op Euro 573,-- per maand telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Bepaalt dat de verplichting van de man tot betaling van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw zal eindigen met ingang van 1 augustus 2008.

Bepaalt dat de termijn na ommekomst daarvan niet voor verlenging vatbaar is.

Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.C. Oosterbroek, lid van gemelde kamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 februari 2007 in tegenwoordigheid van A.M. Bergen, griffier.