Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:AZ8081

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
07-02-2007
Datum publicatie
08-02-2007
Zaaknummer
14.620098-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opgeven van valse informatie aan de gemeente met betrekking tot heronderzoek Algemene bijstandswet en/of Wet werk en bijstand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer : 14.620098-06

Datum uitspraak: 7 februari 2007

OP TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de Rechtbank Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,

wonende te [adres en woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 januari 2007.

De rechtbank heeft kennisgenomen van

- de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank

- het tenlastegelegde zal bewezen verklaren

- de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede tot een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis;

-hetgeen door de verdachte en mr. H.K. ter Brake, raadsman van de verdachte, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, ten laste gelegd, dat

1.

zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 augustus 1999 tot en met 02 oktober 2001 in de gemeente Hoorn, in elk geval in Nederland, (telkens) een of meer geschriften, te weten zogenaamde persoonlijke verklaringen en/of zogenaamde inlichtingenformulieren voor heronderzoek Abw - zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk

-op 30 augustus 1999 op haar persoonlijke verklaring ingevuld dat er geen wijzigingen waren in gezinssamenstelling en/of inwoners en/of

-op 27 april 2000 op haar persoonlijke verklaring ingevuld dat er geen wijzigingen waren in gezinssamenstelling en/of inwoners en/of

-op 26 januari 2001 op haar persoonlijke verklaring ingevuld dat er geen wijzigingen waren in gezinssamenstelling en/of inwoners en/of

-op 10 juli 2001 op het inlichtingenformulier heronderzoek abw ingevuld dat zij niet een gezamenlijke huishouding voert of samenwoont, en/of dat in haar woning niet iemand zijn hoofdverblijf heeft die bijdraagt in de kosten van de huishouding en/of dat in haar woning niet iemand zijn hoofdverblijf heeft, waarbij sprake is van voor elkaar zorgen,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of

door anderen te doen gebruiken;

2.

zij in of omstreeks de periode van 03 oktober 2001 tot en met 24 november 2004 in de gemeente Hoorn, in elk geval in Nederland, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 65 Algemene bijstandswet en/of artikel 17 Wet werk en bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering als alleenstaande ouder op grond van de Algemene bijstandswet en/of de Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte niet gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding met een ander voerde.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

1.

zij op tijdstippen in de periode van 1 augustus 1999 tot en met 2 oktober 2001 in de gemeente Hoorn telkens een geschrift, te weten zogenaamde persoonlijke verklaringen en/of een zogenaamde inlichtingenformulier voor heronderzoek Abw - zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - telkens valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk

-op 30 augustus 1999 op haar persoonlijke verklaring ingevuld dat er geen wijzigingen waren in gezinssamenstelling en inwoners en

-op 27 april 2000 op haar persoonlijke verklaring ingevuld dat er geen wijzigingen waren in gezinssamenstelling en inwoners en

-op 26 januari 2001 op haar persoonlijke verklaring ingevuld dat er geen wijzigingen waren in gezinssamenstelling en inwoners en

-op 10 juli 2001 op het inlichtingenformulier heronderzoek abw ingevuld dat zij niet een gezamenlijke huishouding voert of samenwoont, en dat in haar woning niet iemand zijn hoofdverblijf heeft die bijdraagt in de kosten van de huishouding en dat in haar woning niet iemand zijn hoofdverblijf heeft, waarbij sprake is van voor elkaar zorgen,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of

door anderen te doen gebruiken;

2.

zij in de periode van 3 oktober 2001 tot en met 24 november 2004 in de gemeente Hoorn, in strijd met een haar bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 65 Algemene bijstandswet en/of artikel 17 Wet werk en bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering als alleenstaande ouder op grond van de Algemene bijstandswet en/of de Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte niet gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding met een ander voerde.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

4. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

1valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

2 in strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming

5. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

6. MOTIVERING VAN DE STRAFFEN

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft een uitkering genoten op grond van de Algemene bijstandswet en de Wet werk en inkomen. Op verdachte rustte de plicht om periodiek een zogenoemde persoonlijke verklaring dan wel een inlichtingenformulier heronderzoek abw naar waarheid in te vullen.

Verdachte heeft op deze formulieren in strijd met de waarheid niet aangegeven dat er wijzigingen waren opgetreden in de gezinssamenstelling en inwoners.

Voorts heeft verdachte niet opgegeven dat zij een gezamenlijke huishouding voert of samenwoont. Door aldus te handelen heeft verdachte ten onrechte een uitkering als alleenstaande ouder ontvangen. Het gaat hierbij om een aanzienlijk bedrag dat aan verdachte ten onrechte en in strijd met de geldende regelgeving is uitbetaald. Dit is een ernstig en ergerlijk feit, waardoor de samenleving schade is berokkend.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiƫle Documentatie, gedateerd 13 december 2006, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van enig misdrijf tot straf is veroordeeld.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat oplegging van een geheel voorwaardelijke vrijheidsstraf op haar plaats is.

De rechtbank is van oordeel dat tevens een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, behoort te worden opgelegd, een en ander op de wijze zoals hierna in de rubriek BESLISSING zal worden aangegeven.

7. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a(oud), 14a, 14b(oud), 14b , 14c, 22c, 22d, 57, 225 en 227b van het Wetboek van Strafrecht.

8. BESLISSING

De rechtbank:

? Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

? Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

? Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

? Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

? Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde voorts tot een taakstraf voor de duur van 200 (twee honderd) uren.

Beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht dat in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende hechtenis wordt vastgesteld op 100 (honderd) dagen.

Bepaalt, dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E.J. van Lieshout-Segers, voorzitter,

mr. H. de Klerk en mr. E.C.M. Bouman, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van der Vecht, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 februari 2007.

Mr. E.C.M. Bouman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.