Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:AZ7668

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
29-01-2007
Datum publicatie
02-02-2007
Zaaknummer
14.036126-00-O
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

De RECHTBANK in het arrondissement ALKMAAR

Parketnummer : 14.036126-00-O

Datum uitspraak: 29 januari 2007.

TEGENSPRAAK

V O N N I S EX ARTIKEL 36E VAN HET WETBOEK VAN STRAFRECHT van de rechtbank Alk-maar, Meer-voudige Kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

te-gen:

de B.V.,

Adres: [adres],

veroordeeld in eerste aanleg bij vonnis van deze rechtbank van 21 december 2001,

hierna te noemen de B.V.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terecht-zittingen van 3 oktober 2005, 23 januari 2006, 6 maart 2006 en 27 november 2006.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, van de op de vordering betrekking hebben-de stukken (waaronder het strafdossier) en van hetgeen namens de B.V. door haar bestuurder [R.L] en haar raadsman mr. M.J.N. Vermeij naar voren is ge-bracht.

1. DE VORDERING

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 17 september 2003 gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht zal vaststellen op € 463.960,43 en aan de B.V. de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De vordering baseert de officier van justitie op de feiten welke bij vonnis van de rechtbank van 21 december 2001 bewezen zijn verklaard en waarvoor de B.V. bij genoemd vonnis is veroordeeld. Bij conclusie van repliek d.d. 30 januari 2006 heeft de officier van justitie het gevorderde bedrag verhoogd tot € 1.138.074,38.

2. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 20 november 2003. Ter terechtzitting van 20 november 2003 is het onderzoek ter terechtzitting geschorst voor onbepaalde tijd.

De officier van justitie heeft vervolgens de B.V. opgeroepen om te verschijnen ter terechtzitting van 3 oktober 2005.

Bij schrijven van 15 augustus 2005 is door de rechtbank Alkmaar aan de officier van justitie en aan de raadsman bericht dat de rechtbank op de terechtzitting van 3 oktober 2005 een schriftelijke voorbereiding zal gelasten als bedoeld in artikel 511d onder 1 Sv waardoor de terechtzitting van 3 oktober 2005 het karakter zal hebben van een regiezitting alsmede dat de rechtbank voornemens is op deze regiezitting behandeling van de zaak aan te houden tot 23 januari 2006 te 09.00 uur.

Ter terechtzitting van 3 oktober 2005 wordt door de rechtbank de schriftelijke voorbereiding gelast als hiervoor bedoeld. De raadsman verzoekt de rechtbank de heren [A.K.] en [B.d.V.] als getuige te horen. De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van de gevraagde getuigen toe en beslist tevens met instemming van de officier van justitie en de B.V. dat het horen van de genoemde personen op de voet van artikel 316, tweede lid, zal plaats vinden door één van de rechters die over de zaak oordeelt.

Ter terechtzitting van 23 januari 2006 wordt vastgesteld dat op 24 november 2005 het verhoor van de hiervoor genoemde getuigen heeft plaats gevonden en wordt als datum waarop de inhoudelijke behandeling zal plaats vinden bepaald 6 maart 2006.

De volgende conclusies worden gewisseld:

- Reactie op ontnemingsproces-verbaal van de zijde van de raadsman op 30 december 2005;

- Conclusie van repliek van de zijde van het Openbaar ministerie d.d. 29 januari 2006;

- Conclusie van dupliek van de raadsman d.d. 20 februari 2006.

Op de terechtzitting van 6 maart 2006 wordt, naar aanleiding van de in het kader van de schriftelijke voorbereiding tussen openbaar ministerie en raadsman uitgewisselde stukken, door de raadsman verzocht [E.G.], medewerker van de Huisvuilcentrale Alkmaar, als getuige te horen met betrekking tot het acceptatiebeleid. De officier van justitie stelt voor tevens [W.S.], werkzaam bij de AVI Amsterdam, als getuige te horen. De rechtbank schorst de behandeling ter terechtzitting voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de heren [E] en [S] en een door de officier van justitie aan te wijzen persoon die als leidinggever was belast met de bestuurlijke handhaving van de afvalstoffenregelgeving zullen worden gehoord door dezelfde uit de combinatie aangewezen Rechter-Commissaris. De officier van justitie geeft op 11 mei 2006 en 20 maart 2006 de namen op van [W.D.] en [G.W.].

Nadat de gevraagde getuigen op de voet van 316, tweede lid, Sv op 14 juni 2006 zijn gehoord wordt de zaak opnieuw aangebracht ter terechtzitting van 27 november 2006. Op deze zitting is de zaak behandeld.

Het openbaar ministerie heeft op 15 september 2006 schriftelijk ingebracht een reactie op de Conclusie van dupliek. Hierop heeft de verdediging schriftelijk gereageerd op 30 oktober 2006.

De raadsman heeft verweer gevoerd overeenkomstig de door hem ter terechtzitting van 27 november 2006 overgelegde pleitnotities. De officier van justitie heeft gepersisteerd in haar vordering. Vervolgens is de uitspraak bepaald op 29 januari 2007.

3. ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE

De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie in zijn vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet ontvankelijk is op grond van het volgende.

Gelet op de hoogte van de in de hoofdzaak opgelegde geldboete, is er sprake van een boete met een afroomcomponent, zodat voor een ontnemingsvordering in feite geen plaats is.

Ondanks dat het openbaar ministerie al op de zitting van 7 december 2001 haar ontnemingsvordering aankondigde, zag de B.V. in de hoge boete ( € 90.756,04,-- waarvan € 45.378,02,-- voorwaardelijk) die werd opgelegd een vingerwijzing. Namelijk: dat een ontnemingsvordering in feite geen kans zou maken en ook wat de rechtbank betreft achterwege zou moeten blijven.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting met betrekking tot dit verweer het volgende aangevoerd:

Tijdens de behandeling van de hoofdzaak was er nog geen rapport opgemaakt waaruit de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel kon blijken. De rechtbank kon dus bij haar strafoplegging daarmee geen rekening houden. Het beroep op niet-ontvankelijkheid dient dan ook te worden verworpen.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De rechtbank heeft op 21 december 2001 vonnis gewezen. De rechtbank heeft de B.V. veroordeeld tot een geldboete van ƒ 200.000,--(€ 90.756,04) waarvan ƒ 100.000,-- ( € 45.378,02) voorwaardelijk.

Nu uit de in het onderhavige vonnis opgenomen strafmotivering op geen enkele wijze blijkt dat door de rechtbank bij het vaststellen van de opgelegde geldboete op enigerlei wijze rekening is gehouden met ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, moet dit verweer reeds om die reden worden verworpen.

De rechtbank verwerpt het beroep op niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De rechtbank stelt voorts vast dat de B.V. voor de terechtzit-ting van 27 november 2006 geldig is opgeroepen, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de vordering, dat het openbaar ministe-rie ook overigens ontvan-kelijk is in zijn vordering en dat er geen redenen zijn tot schorsing van de vervolging.

4. DE GRONDEN VOOR HET GESCHATTE BEDRAG VAN HET WEDERRECHTELIJK VOORDEEL

Voor de schatting van dit voordeel baseert de officier van justitie zich

- op het eerdergenoemde vonnis van deze rechtbank d.d. 21 december 2001 waarin onder meer is bewezenverklaard dat de B.V.

1. in de periode van 1 oktober 1998 tot en met 21 juni 2000 in de gemeente Alkmaar

A. meermalen in strijd met een aan haar verleende vergunning afvalhout niet heeft gescheiden in een hoogwaardige fractie en een laagwaardige fractie en

B. meermalen in strijd met genoemde vergunning laagwaardige houtfractie niet heeft afgezet naar een afvalverbrandingsinrichting of een stortplaats in Nederland.

2. Primair:

in de periode van 1 januari 1999 tot en met 17 juni 1999 in de gemeente Alkmaar meermalen een PMV-formulier en een aanleverbon en een afleverbon valselijk heeft opgemaakt.

3. Subsidiair:

op tijdstippen in de periode van 1 oktober 1998 tot en met 21 juni 2000 in de gemeente Beverwijk opzettelijk zich door afgifte aan [D.S.B.]. heeft ontdaan van laagwaardige houtfractie, zijnde bedrijfsafvalstof.

4. Primair:

in de periode van 1 januari 1999 tot en met 17 juni 1999 in het rechtsgebied van de Europese Gemeenschap meermalen afval van behandeld hout heeft overgebracht naar Zweden terwijl die overbrengingen van afval van behandeld hout geschiedden zonder kennisgevingen aan de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen en geschiedden zonder toestemming van de bevoegde autoriteiten overeenkomstig voornoemde verordening.

5. in de periode van 1 oktober 1998 tot en met 21 juni 2000 in het rechtsgebied van de Europese Gemeenschap meermalen opzettelijk grote hoeveelheden afval van behandeld hout heeft overgebracht van Nederland naar Zweden terwijl die overbrengingen van afval van behandeld hout

B. geschiedden zonder kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de EEG-verordening overbrenging afvalstoffen

C. geschiedden zonder toestemming van de bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening,

terwijl de chemische samenstelling van die overgebrachte hoeveelheden niet overeenkwam met de chemische samenstelling zoals verdachte en haar mededader die op de kennisgevingen NL90872 en NL 90880 hadden vermeld.

6. in de periode van 1 januari 1999 tot en met 10 mei 1999 in het rechtsgebied van de Europese Gemeenschap afval van behandeld hout heeft overgebracht van Nederland naar Zweden terwijl zij in strijd met de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen als kennisgever meermalen niet uiterlijk drie dagen voordat die overbrengingen plaatsvonden een afschrift van het volledig ingevulde begeleidende document heeft gezonden aan de bevoegde autoriteiten.

7. in de periode van 1 januari 1999 tot 1 januari 2000 in het rechtsgebied van de Europese Gemeenschap

A. in strijd met de Regeling EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen in Nederland Kennisgevingsformulier NL95273 rechtstreeks gezonden aan de bevoegde autoriteit van het land van bestemming van de grensoverschrijdende overbrenging van die afvalstoffen in plaats van aan de Minister van VROM.

B. in strijd met de Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad en de Regeling EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen meermalen afval van behandeld hout heeft overgebracht van Nederland naar Zweden terwijl die overbrengingen niet in zijn geheel vergezeld gingen van een exemplaar van het bijbehorende begeleidend document.

8. in de periode van 1 januari 1999 tot en met 17 juni 1999 in het rechtsgebied van de Europese Gemeenschap meermalen opzettelijk in strijd met de Regeling EEG-verordening overbrenging afvalstoffen afval van behandeld hout heeft overgebracht van Nederland naar Zweden terwijl door de verdachte als kennisgever een lagere financiële zekerheid was gesteld dan de door de Minister van VROM vastgestelde financiële zekerheid.

9. Subsidiair:

In de periode van 23 mei 2000 tot en met 26 mei 2000 in de gemeente Alkmaar in strijd met de milieuvergunning inrichting op het perceel [adres] in de gemeente Alkmaar laagwaardige houtfractie heeft aangevoerd naar en geaccepteerd op voornoemde inrichting.

Onder parketnummer 14.036015/01

Op 12 oktober 2000 zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met een voorschrift van de aan haar verleende vergunning op grond van de Wetverontreiniging oppervlaktewateren.

Onder parketnummer 14.036105/01

In de periode van 27 december 1999 tot en met 11 februari 2000 in het rechtsgebied van de Europese Gemeenschap in strijd met de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen meermalen afval van behandeld hout heeft overgebracht van Nederland naar Zweden, terwijl die overbrengingen van dat afval van behandeld hout

B. geschiedden zonder kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de EEG-verordening overbrenging afvalstoffen

C. geschiedden zonder toestemming van de bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening,

terwijl de chemische samenstelling van die overgebrachte hoeveelheden niet overeenkwam met de chemische samenstelling zoals verdachte en haar mededader die op de kennisgeving NL95271 hadden vermeld.

- op een proces-verbaal met bijlagen, BFR nummer 466/1999 proces-verbaal nr. IMH 99/060, gedateerd 14 januari 2003 en opgesteld door K. Roos, financieel deskundige/buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam bij het Bureau Financiële Recherche van de regiopolitie Noord-Holland Noord, waarin wordt aangege-ven onder meer dat het vermoe-delijk wederrechtelijk verkregen voordeel voor de B.V. als volgt is samengesteld:

4. BEVINDINGEN

4.1 Bewezen verklaarde feiten

Zoals hiervoor reeds is vermeld heeft de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar op 21 december 2001 uitspraak gedaan in de strafzaak tegen [de B.V.]. Hieronder worden in het kort de punten gerelateerd die bewezen zijn verklaard en van belang zijn voor de voordeelsberekening.

Hierbij is de nummering gehanteerd overeenkomstig die van de strafzaak.

1. Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

[de B.V.] heeft zich opzettelijk niet gehouden aan de in de Wm-vergunning (Wet milieubeheer) opgenomen verplichting om laag- en hoogwaardige houtfractie te scheiden. Het belang van dit vergunningsvoorschrift is dat hoogwaardige houtfractie niet wordt vernietigd, maar wordt hergebruikt. Veroordeelde heeft in de tenlastegelegde periode het hoogwaardige hout niet meer gescheiden, omdat de opbrengst niet opwoog tegen de kosten. Voorts heeft [de B.V.] opzettelijk in strijd met een ander vergunningsvoorschrift de laagwaardige houtfractie, die vervuild bleek te zijn met geïmpregneerd hout, niet afgevoerd naar een vuilverbrandings-oven of de vuilstort.

2. primair Medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

[de B.V.] heeft PMV formulieren valselijk opgemaakt, terwijl andere bedrijven deze vals opgemaakte formulieren opzettelijk gebruikten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de dubbele sets PMV formulieren opgemaakt om te maskeren dat [de B.V.] niet de enige producent was van de houtsnippers, maar ook [F] en [V] die houtsnippers exportgereed op het terrein van [D] in Beverwijk afleverden.

Een PMV formulier is een begeleidingsforrnulier welke betrekking heeft op een afvaltransport.

3. subsidiair Overtreding van een voorschrift gesteld, bij artikel 10.19, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

[de B.V.] heeft zich in strijd met voornoemd artikel opzettelijk ontdaan van bedrijfsafvalstoffen (houtsnippers) door deze af te geven aan [D.S.B] gevestigd op het adres [adres 2] (hierna te noemen [D]), een bedrijf dat geen vergunning had om dit afval te accepteren.

4. primair en 5. Medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.44e, eerste lid van de Wet Milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

[de B.V.] heeft zich opzettelijk schuldig gemaakt aan sluikhandel in twee vormen. Ten eerste heeft zij in strijd met art. 26 EVOA afval van behandeld hout (B-hout) overgebracht naar Zweden, terwijl die overbrengingen geschiedden zonder kennisgevingen aan en (schriftelijke) toestemming van de bevoegde autoriteiten. Ten tweede heeft [de B.V.] houtsnippers naar Zweden overgebracht, terwijl de chemische samenstelling van de overgebrachte partijen afweek van de chemische samenstelling, zoals die in de kennisgeving werd vermeld.

B-hout is behandeld hout, niet zijnde gecreosoteerd of geïmpregneerd.

4.2 Goederenstroom

Uit het onderzoek is gebleken dat [de B.V.] ondermeer de volgende, in het strafdossier opgenomen ladingen afvalstoffen (houtsnippers) naar Zweden heeft vervoerd. Dit vervoer, per schip, werd in opdracht van [de B.V.] verzorgd door het bedrijf [D.S.B], gevestigd op het adres [adres 2] (hierna te noemen

DSB).

PY nummer Datum laden Schip Bestemming Gewicht lading

60-AH-32 01-10-1998 MS Noren Modo 1.582,380

60-AH-33 28-01-1999 MS Frieda Norrkoping 1.468,700

60-AH-35 18-02-1999 MS BremerForrest Norrkoping 1.511,880

60-AH-40 25-02-1999 MS Olland Modo 817,300

60-AH-36 12-03-1999 MS Atria (1) Norrkoping 1.580,000

60-AH-31 25-03-1999 MS StadtPapenburg Norrkoping 1.527,150

60-AH-37 15-04-1999 MS Atria (2) Norrkoping 1.281,270

60-AH-38 12-05-1999 MS BremerTimber Norrkoping 1.758,380

60-AH-34 14-05-1999 MS Dygve Norrkoping 1.240,230

60-AH-39 14-05-1999 MS Auriga Norrkoping 1.038,160

Totaal 13.805,450

In bovenstaande tabel wordt in de kolom PV nummer verwezen naar de nummers van de processen-verbaal van bevinding, zoals die in het strafdossier opgenomen zijn. De datum laden is opgenomen aan de hand van de facturen van DSB aan [de B.V.]. Het gewicht van de lading is uitgedrukt in tonnen en eveneens bepaald aan de hand van de facturen van DSB aan [de B.V.]. Kopieën van de desbetreffende facturen zijn als bijlage 1 bij dit proces-verbaal gevoegd.

Zoals hiervoor onder punt 4.1 bij het onder 2. primair tenlastegelegde is gesteld, brachten [F] en [V] houtsnippers rechtstreeks naar DSB in Beverwijk. Middels documenten deed men doen voorkomen alsof deze houtsnippers van [G.G] afkomstig waren.

Aan de hand van de facturen van [de B.V.] gericht aan [F] respectievelijk [V] is vastgesteld welke hoeveelheden er naar DSB gebracht zijn en welke bedragen hiervoor ontvangen zijn.

Van de facturen van [de B.V.] gericht aan [F] is een overzicht gemaakt en dit wordt evenals een kopie van de facturen van [de B.V.] aan [F] als bijlage 2 bijgevoegd. Uit dit overzicht blijkt dat door [F] in totaal 216,180 ton houtsnippers naar DSB is gebracht. Hiervoor heeft [de B.V.] in totaal een bedrag van fl. 4.864,05 ex. btw gefactureerd.

Van de facturen van [de B.V.] gericht aan [V] is een overzicht gemaakt en dit wordt evenals een kopie van de facturen van [de B.V.] aan [V] als bijlage 3 bijgevoegd. Uit dit overzicht blijkt dat door [V] in totaal 4.512,200 ton houtsnippers naar SB is gebracht. Hiervoor heeft [de B.V.] in totaal een bedrag van fl. 107.090,11 ex. btw gefactureerd.

Uit het vorenstaande volgt dat van de houtsnippers die met genoemde schepen zijn afgevoerd naar Zweden te weten in totaal 13.805,450 ton, een hoeveelheid van 9.077,070 ton afkomstig is van [de B.V.]. Namelijk 13.805,450 ton minus 216,180 afkomstig van [F] en minus 4.512,200 ton afkomstig van [V].

4.3 Verdeling A-hout en B-hout

Uit de in dit onderzoek afgelegde verklaringen valt af te leiden dat er tussen het B-hout (behandeld hout) in de meeste gevallen ook een deel A-hout (onbehandeld hout) zit. Een werknemer van het bedrijf [K]. te Wieringerwerf verklaarde dat er zich in het door hem verwerkte hout bij [de B.V.] en bij andere bedrijven over het algemeen een hoeveelheid van 30% A-hout bevindt. Deze bevindingen zijn gerelateerd in een proces-verbaal, waarvan een kopie als bijlage 4 wordt bijgevoegd.

Gelet op deze verklaring zal, voorzichtigheidshalve en in het voordeel van de veroordeelde, voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aangenomen worden dat er in de goederenstroom van 13.805,450 ton (zie punt 4.2) 30 % A-hout zit.

4.4 Kosten verwerken op “legale” wijze

Uit de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar valt af te leiden (zie punt 4.1 het onder 1. tenlastegelegde) dat de houtsnippers (B-hout) zoals deze door [de B.V.] zijn afgevoerd naar Zweden (zie punt 4.2) daar niet heen gebracht had mogen worden. Legale verwerking had moeten geschieden middels afvoer naar een verbrandingsoven of een stortplaats in Nederland.

Uit een prijsopgaaf van de N.V. Huisvuilcentrale N-H gevestigd op het adres [adres 3] dd 4 november 1999 blijkt dat de vernietiging, middels verbranding, van geshredderd houtafval hier fl. 420,00 ex btw per ton kost. Deze prijsopgaaf is in het strafdossier opgenomen onder nummer 60-AS-02 bijlage 15a. Een kopie van dit stuk wordt als bijlage 5 bijgevoegd. Het storten van dergelijk afval is goedkoper. In principe geldt voor het hiervoor genoemde houtafval een stortverbod en dient dit in een verbrandingsoven verbrand worden. Echter in bepaalde gevallen kan met ontheffing van de provincie gestort worden. Volgens een prijsopgaaf van Afvalzorg N.V., gevestigd op het adres [adres 4] kostte het storten van houtafval in 1999 fl. 120,00 ex. btw per ton- De prijsopgaaf wordt als bijlage 6 bij dit proces-verbaal gevoegd.

Uit de telefonische toelichting bij deze prijsopgaaf blijkt dat bij dit afval een belasting op milieugrondslag van fl. 64,20 per ton verschuldigd is, omdat dit afval in principe onder een stortverbod valt. Voorts is nog een bedrag van fl. 2,00 per ton aan Navos heffing verschuldigd. In totaal is dus een bedrag van f1. 186,20 per ton aan stortkosten verschuldigd.

Voor de berekening van de als wederrechtelijk verkregen voordeel aan te merken kostenbesparing wordt voorzichtigheidshalve en in het voordeel van de verdachte uitgegaan van de stortkosten zijnde een bedrag van fl. 186,20 per ton.

4.5 Kosten afvoer afvalhout Zweden

In de hierna volgende punten worden de kosten weergegeven, zoals die door [de B.V.] gemaakt zijn om de houtsnippers naar Zweden te vervoeren.

4.5.1 Transportkosten

[de B.V.] heeft transportkosten moeten maken om de houtsnippers van de locatie in Alkmaar over te brengen naar DSB in Beverwijk. Het bedrag is bepaald aan de hand van de aangetroffen facturen. Hiervan is door mij een overzicht gemaakt. Dit overzicht en een kopie van deze facturen wordt als bijlage 7 bij dit proces-verbaal gevoegd. Uit het overzicht blijkt dat door DSB in totaal 6.519,020 ton van Alkmaar naar Beverwijk vervoerd is. Voorts blijkt dat deze vervoerskosten met uitzondering van het eerste transport fl. 10,00 per ton bedroegen. De kosten van dit eerste transport bedroegen fl. 9,00 per ton.

In punt 4.2 is gerelateerd dat in totaal 9.077, 070 ton van de locatief van [de B.V.] te Alkmaar naar DSB in Beverwijk afgevoerd is. De overige 4.728,3 80 ton is afkomstig van [F] en [V] en van hen rechtstreeks naar DSB in Beverwijk vervoerd.

Kennelijk is dus een hoeveelheid van 2.558,680 ton vervoerd door derden (9.077,070 minus 6.519,020 ton). Aangezien de vervoersprijs hiervan niet bekend is, is deze eveneens op f1. 10,00 per ton gesteld. Dit naar aanleiding van de verklaring van de bedrijfsleider van [de B.V.] die het volgende verklaarde:

“In principe hebben wij alle vervoer ondergebracht bij [D]. Als die het niet meer redden huren wij andere bedrijven in die voor fl. 10,- per ton. [D] heeft onder andere [H] ingehuurd. Naderhand hebben ze zelf auto ‘s aangeschaft.”

Transportkosten Alkmaar Beverwijk

DSB 6.519,020 ton is (zie bijlage 7) fl. 63.607,82

Overig 2.558,050 ton â f1. 10,00 is fl. 25.580,05

Totaal 9.077,070 ton fl. 89.187,87

Uitgaande van het bovenstaande bedragen de transportkosten gemiddeld f1. 9,83 per ton.

4.5.2 Beladingskosten

De kosten van belading van de in punt 4.2 genoemde schepen kwam blijkens de facturen van

DSB (zie bijlage 1) voor rekening van [de B.V.]. Het blijkt dat de kosten van belading in totaal fl. 151.859,95 hebben bedragen.

Zoals in punt 4.2 is gerelateerd, is een hoeveelheid van 9.077,070 ton afkomstig van [de B.V.] en een hoeveelheid van 216,180 en 4.512,200 ton afkomstig van respectievelijk [F] en [V]

4.5.3 Kosten Van Leer

Uit het onderzoek blijkt dat [de B.V.] aan het bedrijf [K.E.L]. terzake de naar Zweden afgevoerde houtsnippers een provisie betaald van fl. 6,00 per ton.

Aan de hand van de verscheepte hoeveelheden (zie ook punt 4.2) is een berekening gemaakt van de betaalde dan wel verschuldigde provisie. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven. Hieruit blijkt dat in totaal een bedrag van fl. 82.832,70 betaald dan wel verschuldigd is.

4.5.4 Kosten afnemers Zweden

Uit het onderzoek is gebleken dat de in het strafdossier onder nummer 60-AH-3 1 tot en met

60-AH-40 gerelateerde transporten met uitzondering van 60-AH-32 en 60-AH-40 vervoerd zijn naar [N.E.] & [M], gevestigd op het adres [adres 5]. De transporten 60-AH32 en 60-AH-40 werden vervoerd naar [M.H.] gevestigd op het adres [adres 6]

[V] verklaart hierover " dat de kosten van het vervoer Beverwijk-Zweden door de Zweden werden betaald. Alle partijen betalen de kosten van het vervoer. Aan [M] betaalden wij fl. 5,- per ton. Ons streven is om op 0 uit te komen of een bedrag te vangen. "

Uit de verklaring van [V] kan worden afgeleid dat voor de transporten richting [M] een bedrag van f1. 5,00 per ton betaald werd. In de inbeslaggenomen stukken werd een factuur aangetroffen van [F&T], adres [adres 7]. Op deze factuur is onder meer het transport genoemd in 60-AH-40 (817 ton met het schip Oland) vermeld. Op grond van het in dit punt gerelateerde wordt in onderstaande tabel de kosten inzake de afnemers in Zweden berekend.

PV Datum

nummer laden Schip — Gewicht per schip Bedrag per

ton Bedrag per

schip

60-AH-32 01-10-1998 MS Noren — 1.582,380 Fl 5,00 Fl 7.911,90

60-AH-40 25-02-1999 MS Olland 8 17,300 Fl 5,00 Fl 4.086,50

Totalen 2.399,680 Fl 11.998,40

Deze kosten worden naar rato verdeeld over de hoeveelheid, die afkomstig is van [de B.V.], namelijk 9.077,070 ton en de hoeveelheid die afkomstig is van [F] en [V], namelijk 4.728,380 ton. Dit leidt tot de volgende berekening:

[de B.V.] 2.399,680 ton x 9.077,070/13.805,450 is 1.577,787 ton

[F] & [V] 2.399,680 ton x 4.728,380/13.805,450 is 821,893 ton

5. WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL

5.1 Uitgangspunten en berekening

[de B.V.] heeft zich, zoals in punt 4.1 is gerelateerd, schuldig gemaakt aan overtreding van

artikel 10.19 le lid en artikel 10.44e le lid van de Wet Milieubeheer, namelijk

• het zich opzettelijk ontdoen van bedrijfsafvalstoffen door deze af te geven aan een bedrijf dat geen vergunning had om deze te accepteren;

• het overbrengen van bedrijfsafvalstoffen naar Zweden terwijl zonder kennisgeving aan en toestemming van de bevoegde autoriteiten;

• het overbrengen van bedrijfsafvalstoffen naar Zweden, terwijl de chemische samenstelling afweek van de samenstelling zoals die in de kennisgeving werd vermeld.

Een en ander is onder 3 subsidiair, 4 primair en 5 tenlastegelegd en bewezen verklaard. Door aldus te handelen heeft [de B.V.] zich kosten bespaard. Dit bedrag aan kosten besparing kan ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Zoals in punt 4.2 is gerelateerd gaat het hierbij om een hoeveelheid van 9.077,070 ton. De kostenbesparing wordt berekend door de kosten van “legale verwerking”, zoals die in punt 4.4 gerelateerd zijn te verminderen met de kosten zoals die daadwerkelijk door [de B.V.] gemaakt zijn. Deze laatste kosten zijn berekend in de punten 4.5.1 tot en met 4.5.4. Deze kosten worden naar rato aan de hiervoor genoemde bedrijfsafvalstoffen toegerekend.

Zoals in punt 4.5.4 is vermeld zijn de kosten inzake afnemers Zweden naar rato verdeeld, in casu 1.577,870 ton.

Voorts wordt bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening gehouden met het feit dat zich tussen dit zogenaamde B-hout (behandeld hout) over het algemeen 30% A--hout (onbehandeld hout) bevind (zie punt 4.3).

In de hierna opgenomen tabel wordt een berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel inzake het onder 3 subsidiair en 4 primair en 5 tenlastegelegde gegeven:

Afgevoerd

(ton) A-hout

(ton) B-hout

(ton) Prijs per

Ton Totalen

Punt 4.2 en 4.4 Afvoer 9.077,070 2.723,121 6.353,949 fl.186,20 fl. 1.183.105,30

kosten

Punt 4.5.1 Transport 9.077,070 2.723,121 6.353,949 fl. 9,83 fl. 62.459,32

Punt 4.5.2 Belading 9.077,070 2.723,121 6.353,949 fl. 11,00 fl. 69.893,44

Punt 4.5.3 [L] 9.077,070 2.723,121 6.353,949 fl. 6,00 fl. 38.123,69

Punt 4.5.4 Afnemers 1.577,787 473,336 1.104,451 fl. 5,00 fl. 5.522,25

fl.175.998,71

Wederrechtelijk Verkregen Voordeel fl. 1.007.106,60

Daarnaast heeft [de B.V.] PMV formulieren valselijk opgemaakt en deze formulieren zijn door de bedrijven [F] en [V] gebruikt. Deze feiten zijn onder 2 primair tenlastegelegd en bewezen verklaard. In verband hiermee heeft [de B.V.] aan deze bedrijven gefactureerd. Het voordeel wordt gesteld op het bedrag van de facturen zoals die in punt 2 en bijlage 2 en 3 zijn genoemd. Als kosten worden afgetrokken, de kosten van belading (zie punt 4.5.2), [L] (zie punt 4.5.3) en Afnemers Zweden (zie punt 4.5.4).

Zoals in punt 4.5.4 is vermeld zijn de kosten inzake afnemers Zweden naar rato verdeeld, in casu 821,893 ton.

Voorts wordt ook hier bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening gehouden met het feit dat zich tussen dit zogenaamde B-hout (behandeld hout) over het algemeen 30% A-hout (onbehandeld hout) bevind (zie punt 4.3).

In de hierna opgenomen tabel wordt een berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel inzake het onder 2 tenlastegelegde gegeven:

Afgevoerd (ton) A-hout

(ton) B-hout

(ton) Prijs per

Ton Totalen

Punt 4.2. [F] 216,180 64,854 151,326 fl. 22,50 fl 3.404,84

Punt 4.2. [V] 4.512,200 1.353,660 3.158,540 fl. 22,50 fl 71.067,15

4.728,380 1.418,514 3.309,866 fl 74.471,99

Kosten

Punt 4.5.2 Belading 4.728,380 1.418,514 3.309,866 fl. 11,00 fl 36.408,53

Punt 4.5.3 Provisie 4.728,380 1.418,514 3.309,866 fl. 6,00 fl 19.859,20

Punt 4.5.4 Afnemers 821,893 246,568 575,325 fl. 5,00 fl 2.876,63

fl 59.144,35

Weder- Rechtelijk Verkregen Voordeel fl 15.327,64

5.2 Resumé en omrekening naar euro’s

Hieronder volgt een resumé van het wederrechtelijk verkregen voordeel en een omrekening naar euro’s.

Wederrechtelijk verkregen voordeel Gulden Euro

Feiten 3. Subsidiair, 4 primair en 5 fl 1.007.106,60 € 457.005,05

Feit 2 primair fl 15.327,64 € 6.955,38

Totalen fl 1.022.434,24 € 463.960,43

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie voorts nog het volgende aangevoerd.

Het gaat hier om de vraag of er door overtreding van de vergunningvoorwaarden - namelijk 1° niet scheiden, 2° niet storten of verbranden in Nederland - wederrechtelijk voordeel is behaald en zo ja welk voordeel. Op grond van de vergunningvoorwaarden had de B.V. de verplichting het hout te scheiden in een hoog- en laagwaardige fractie en ten aanzien van de laagwaardige fractie waren er maar twee mogelijkheden; storten of verbranden in een AVI in Nederland. Nu hieraan niet is voldaan dient naar de mening van het Openbaar ministerie berekend te worden welk voordeel de B.V. hiermee heeft behaald. Dit voordeel bestaat volgens het Openbaar Ministerie uit de kosten die de B.V. zich op deze wijze heeft bespaard. Als uitgangspunt dient te worden genomen besparing van kosten door het niet storten of verbranden in een AVI in Nederland.

Op grond van getuigenverklaringen kan worden geconcludeerd dat de AVI's niet stonden te springen om het houtafval waar het in casu om ging te verwerken. Dit hing met name samen met de zgn. calorische waarde van de partij, die veel hoger lag dan die van het afval dat de AVI's normaliter verwerken. Van absolute onmogelijkheid voor de B.V. om het afval naar een AVI af te voeren is echter niet gebleken. Uit de prijs van fl. 420,-- per ton geshredderd hout leidt getuige [S] af dat in dit tarief een correctie is toegepast voor de calorische waarde van het hout.

Voor het geval de rechtbank op grond van de getuigenverklaringen oordeelt dat verbranding conform de vergunningvoorwaarden feitelijk niet mogelijk was, wil ik opmerken, dat dan alsnog van het storten dient te worden uitgegaan. Getuige [S] heeft verklaard dat er in 1998 en 1999 door de Provincie ontheffing werd verleend voor het storten van brandbaar afval als er vollastverklaringen waren van de verbrandingsinstallaties. Mijns inziens had de B.V. gelet op verklaringen van de getuigen [S] en [D] op basis van vollastverklaringen wel ontheffing kunnen vragen en verkrijgen van de Provincie voor het storten van afval.

Het Openbaar Ministerie meent dan ook dat er in casu sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel en dat dit voordeel dient te worden berekend door te berekenen welke kosten bespaard zijn.

Primair dient het voordeel dan te worden gesteld op het bedrag dat bespaard is door het afval niet te laten verbranden, zoals vermeld in de conclusie van repliek en subsidiair op het bedrag dat bespaard is door niet te storten, zoals vermeld in de ontnemingsvordering d.d. 17 september 2003.

Ik vorder derhalve dat uw rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, vaststelt op € 1.138.074,38, subsidiair op € 463.960,43 en ik vraag uw rechtbank aan de B.V. de verplichting op te leggen dit bedrag aan de Staat te betalen.

5. HET VERWEER

De raadsman betwist de hoogte van de vordering en heeft daartoe aan de hand van de eerder genoemde schriftelijke conclusies en een pleitnota - onder meer - het volgende aangevoerd.

Hoofdlijnen pleidooi:

De eerste hoofdlijn is de vaststelling dat "storten" of "verbranden" weliswaar in de Wm-vergunning van de B.V. genoemd werden, maar in de praktijk geen reële verwerkingsmethoden waren in 1998-1999. Export naar Zweden was daarentegen wel reël, toegestaan door de provincie bij Besluit van 30 juni 1997 en in lijn met het overheidsbeleid.

De tweede hoofdlijn heeft te maken met de overweging van de rechtbank in het vonnis van 21 december 2001, dat "een deel " van de overbrengingen naar Zweden zeer waarschijnlijk ook toegelaten zou zijn met vermelding van hogere chemische waarden. Uit de gegevens blijkt dat bij de tien overbrengingen waarop de ontnemingsvordering steunt, geen sprake is van "niet exporteerbare vrachten". Conclusie: Het ontnemingsbedrag zou nihil moeten zijn.

Storten of verbranden waren geen reële alternatieven.

[de B.V.] is strafrechtelijk veroordeeld voor (i) het niet-scheiden van afvalhout in een hoogwaardige en een laagwaardige fractie, en (ii) het niet storten van de laagwaardige fractie. Blijkens de brief van de Provincie Noord-Holland van 30 juni 1997 (nr. 97-513799 - als bijlage gevoegd bij de conclusie van dupliek) werd storten of verbranden echter niet meer doelmatig bevonden, en mocht de laagwaardige fractie na opwerking naar Zweden worden uitgevoerd.

Desondanks, en kort samengevat, heeft het OM in deze ontnemingszaak de volgende standpunten ingenomen:

1. “De Wm-vergunning van [de B.V.] bepaalde dat afvalhout gescheiden moest worden, en dat de afgescheiden laagwaardige fractie gestort of verbrand moest worden”.

2. “[de B.V.] heeft geen van beide gedaan, en daardoor is [de B.V.] uiteindelijk blijven zitten met een hoeveelheid hout die of gestort of verbrand had moeten worden”.

3. “Conclusie: [de B.V.] heeft zich ofwel stortkosten, ofwel verbrandingskosten uitgespaard”.

Punt 1 heeft zoals gezegd geleid tot een strafrechtelijke veroordeling van [de B.V.]. Het probleem zit in de punten 2 en 3. Tussen vergunning en storten of verbranden stonden weliswaar geen wetten in de weg, maar wel onoverkomelijke (praktische en beleidsmatige) bezwaren. Storten of verbranden waren destijds geen begaanbare wegen. Door “niet te storten” of “niet te verbranden” kunnen dan ook geen kosten zijn uitgespaard door [de B.V.]. De ontnemingsvordering ontbeert wat dit betreft elke grond.

Geen C-hout maar B-hout

De tien scheepsladingen die in het ontnemings-proces-verbaal genoemd worden bevatten B-hout. De stelling van het Openbaar Ministerie dat het materiaal dermate vervuild was dat het bij die 10 scheepsladingen de facto om C-hout zou gaan is onhoudbaar. Er is geen enkele analyse voorhanden die dat ondersteunt.

Dat er in B-hout verfresten (en andere verontreinigingen) aangetroffen worden is dan ook onvermijdelijk. Het was echter ook toegestaan. In het A-hout dat naar de spaanplaatindustrie ging mocht bij wijze van spreken nog geen snippertje verf zitten. De term C-hout werd gereserveerd voor geïmpregneerd (gecreosoteerd en gewolmaniseerd) hout. Alles daartussen was B-hout en mocht naar Zweden. B-hout is dus per definitie niet 100% schoon.

Het percentage van (minder dan) 0,01% C-hout zoals aangetroffen in het met de Frieda vervoerde hout maakt van die scheepslading, laat staan van alle tien de ladingen, nog geen C-hout.

Storten onmogelijk

Getuige [K] heeft zeer duidelijk verklaard dat B-hout niet gestort kon worden, en dat voor B-hout ook geen ontheffingen van het stortverbod gegeven werden. Dat gold niet alleen voor Noord-Holland, maar voor geheel Nederland.

Onder bepaalde omstandigheden en voor bepaalde afvalstromen werd ontheffing van het stortverbod verleend. Echter: voor de partijen houtsnippers van [de B.V.] die uit B-hout bestonden zou nooit een dergelijke ontheffing mogelijk geweest zijn. Getuige [K] heeft aangegeven dat bijvoorbeeld voor een partij bestaande uit 100% C-hout wel eventueel een ontheffing verleend had kunnen worden.

Verbranden onmogelijk

Uit de verhoren van getuigen [E] en [S] blijkt dat de tien scheepsladingen die in het ontnemings-proces-verbaal genoemd worden ook niet verbrand hadden kunnen worden. Volgens van [E] was het materiaal te hoogcalorisch en ontbrak het de HVC aan capaciteit. En op basis van het acceptatiereglement van de HVC mocht B-hout (waarvoor verbranding in een AVI “niet de geëigende wijze van verwerking is”) ook niet geaccepteerd worden.

Volgens [S] zou de AVI Amsterdam evenmin houtsnippers bestaande uit B-hout hebben kunnen accepteren, gezien het acceptatiereglement.

Er is tenslotte ook geen enkel aanknopingspunt voor de stelling dat storten of verbranden elders in Nederland wel mogelijk geweest zou zijn.

De derde weg: export naar Zweden

Naast de louter theoretische mogelijkheden storten of verbranden, zoals genoemd in de Wm-vergunning, was er echter een “derde weg” voor de houtsnippers van [de B.V.]. [de B.V.] heeft het B-hout niet gestort of verbrand, maar er, conform het toen geldende provinciale beleid, een bestemming aan gegeven die zo hoog mogelijk op de “Ladder van Lansink” stond: export met het oog op energie-opwekking in Zweden.

Dat daarbij administratieve fouten zijn gemaakt wordt door [de B.V.] erkend (en daar is zij ook voor veroordeeld), maar dat betekent nog niet dat de export van houtsnippers met het oog op energie-opwekking als verwerkingsmethode “afgedaan” zou hebben.

Het is dus onjuist om, zoals het OM doet, te stellen dat [de B.V.] "hoe dan ook" met een enorme hoeveelheid houtsnippers zou zijn blijven zitten, waarna er geen andere keuze meer zou zijn geweest dan tussen storten of verbranden. De houtsnippers zijn allemaal naar Zweden gegaan. De houtsnippers mochten ook naar Zweden, want zij voldeden aan de eisen van de afnemers.

Alle overbrengingen toegelaten.

Zoals uw rechtbank terecht heeft overwogen zou

“(...) een deel van de overbrengingen zeer waarschijnlijk ook toegelaten (...) zijn, indien [de B.V.] de bij analyse geconstateerde waarden (met uitzondering van chloor) op de kennisgeving had vermeld” (blz. 47 van het vonnis van 21 december 2001).

In het verlengde van het vonnis in de strafzaak kan uw rechtbank dan ook niet - althans: niet zonder inconsequent te zijn - de vordering van het OM volgen en een ontnemingsbedrag vaststellen, uitgaande van bespaarde stort- of verbrandingskosten voor het totaal van de hier door het OM opgevoerde 10 scheepsladingen houtsnippers (waarvan ruim 9.077 ton aan [de B.V.] toegerekend wordt).

Welk “deel” van de overbrengingen “zeer waarschijnlijk” ook toegelaten zou zijn als hogere waarden ingevuld zouden zijn bij de EVOA-kennisgevingen, kan overigens relatief eenvoudig bepaald worden aan de hand van de analyses die in het strafdossier beschikbaar zijn voor de in het ontnemings-proces-verbaal opgenomen tien transporten.

Uit deze gegevens blijkt dat er ruim voldoende aanleiding is om te kunnen stellen dat zowel de acht transporten die naar [N.M.] & [E] (“Norrköping”) zijn gegaan, als de twee transporten die naar [M] gingen, “zeer waarschijnlijk ook toegelaten” zouden zijn als de hogere (bij analyse geconstateerde) waarden vermeld zouden zijn.

Zelfs het percentage chloor zou geen beletsel gevormd hebben.

De overbrengingen naar Norrköping

Voor de acht overbrengingen naar Norrköping blijkt dat er weliswaar overschrijdingen waren, maar dat deze overschrijdingen, voor wat betreft de percentages “chloor”, “metalen” en “plastics” (d.w.z. die elementen waarover gerelateerd wordt in de processen-verbaal die in het ontnemings-proces-verbaal genoemd worden) in alle gevallen lager waren dan de waarden die op latere EVOA-kennisgevingen van [de B.V.] gebruikt en (door het Ministerie van VROM) blijkbaar goedgekeurd werden.

Chloor

Volgens het Openbaar Ministerie zou voor alle overbrengingen naar Norrköping sprake geweest zijn van “0,13% chloor”. Echter:

1. In de eerste plaats gaat het bij dit chloorpercentage niet om een overschrijding van een op de EVOA-kennisgeving vermelde waarde (want op kennisgeving 90880, behorend bij de overbrengingen naar afnemer Norrköping, was geen waarde voor chloor vermeld) maar slechts om overschrijding van een contractuele waarde.

2. Bij alle Norrköping-vrachten (uit de periode januari-mei 1999) wordt in het dossier verwezen naar één enkele SGS-analyse uit oktober 1998 waarin sprake was van het genoemde chloor-percentage van 0,13%. Deze analyse is gebaseerd op één steekproef houtsnippers genomen op 15 oktober 1998. Het is uiterst twijfelachtig (zo niet uitgesloten) dat die enkele steekproef representatief zou kunnen zijn voor de chemische samenstelling van de acht ladingen houtsnippers die (tot een halfjaar later) vervoerd werden naar Norrköping. De enige overbrenging waar de SGS-analyse uit oktober 1998 redelijkerwijs aan gekoppeld zou kunnen worden is de allereerste overbrenging, die met de Noren, uit oktober 1998, naar [M].

3. Voor wat betreft het door het SGS geconstateerde percentage chloor van 0,13% geldt bovendien, onder verwijzing naar kennisgeving 95273, dat de centrale te Boden (Boden Energi AB) bijvoorbeeld materiaal mocht hebben met een chloorpercentage tot 0,16%. Het is daarmee uitgesloten dat een percentage van 0,13% chloor tot een verbod op overbrenging geleid zou kunnen hebben.

Metalen

Het hoogste totaalpercentage metalen in de acht overbrengingen naar afnemer Norrköping was 0,27% - ruim onder de blijkbaar ook toegestane 0,96%.

Plastics

Het hoogste percentage plastics was 0,37% (aangetroffen in de vracht van de Auriga). Hoogstens van de vracht van de Auriga zou zonder nader onderzoek gezegd kunnen worden dat het niet aanstonds duidelijk is dat deze overbrenging “zeer waarschijnlijk ook toegelaten zou zijn” indien de hogere waarden op een kennisgeving vermeld zouden zijn.

Als we het percentage plastics van 0,01% uit kennisgeving 90880 echter vergelijken met het percentage plastics van 0,2% uit kennisgeving 95273, dan is dat laatste percentage 20 keer hoger. Het percentage plastics van de Auriga van 0,37% is slechts 1,85 keer hoger dan de 0,2% uit kennisgeving 95273. Het is daarom niet aannemelijk dat een percentage van 0,37% plastics een absolute hinderpaal voor overbrenging geweest zou zijn.

De twee overbrengingen naar [M]

[M] was afnemer van de twee resterende vrachten houtsnippers die in het ontnemings-proces-verbaal genoemd worden, namelijk de vrachten die werden overgebracht met de Noren (oktober 1998) en de Öland (februari 1999).

Het contract met [M] bevatte geen getalsmatige eisen voor wat betreft chloor, lood of andere elementen. De relevante kennisgeving (90872) vermeldde een waarde voor plastics van < 0,0 1% en een waarde voor metalen van < 0,1%.

De Noren

Het strafdossier bevat voor de vracht van de Noren geen cijfermatige analyse- gegevens. Wel wordt gesproken over klachten van de Zweedse afnemer. In een fax van [M] aan [de B.V.] lezen we echter dat, ondanks deze forse klachten, afnemer [M] het materiaal niettemin ingezet en verwerkt heeft. Dat [M] daarbij gehandeld zou hebben in strijd met zijn eigen milieuvergunning c.q. dat milieuschade ontstaan zou zijn blijkt niet uit het dossier, zoals uw rechtbank zelf al overwoog.

Het valt te verklaren dat [M] “omwille van de inmiddels opgebouwde relatie” (zoals [M] dat in zijn fax uitdrukte) een oogje dichtkneep voor wat betreft een “visuele” overschrijding van een contractswaarde, maar het is zeer onwaarschijnlijk dat de Zweedse afnemer materiaal geaccepteerd zou hebben dat qua daadwerkelijke chemische samenstelling niet “paste” binnen haar eigen vergunning.

In een latere fax stelt [C.M.] dat het hout uit de Noren “een aanzienlijke hoeveelheid. geïmpregneerd materiaal” bevat zou hebben. Er zou ook een chemische analyse van de as uitgevoerd zijn. In het strafdossier is die analyse echter niet opgenomen. [M] schrijft tevens dat de afnemer deze analyse niet aan de locale autoriteiten heeft laten zien, aangezien dat “(...) zonder meer einde oefening had betekend”. Uit het verhoor van [M] blijkt dat het de bedoeling was om [de B.V.] hiermee aan te zetten om hogere kwaliteit te leveren. .

Zonder cijfermatige gegevens blijft “een aanzienlijke hoeveelheid geïmpregneerd materiaal” echter een te vage grootheid om een ontnemingsvordering op te baseren.

De Öland

Bij de tweede [M]-overbrenging, met de Öland, hoort een Zweedse analyse’ waaruit blijkt dat het materiaal van de Öland in totaal 0,43% aan metalen bevatte, waarmee inderdaad de op de kennisgeving 90872 vermelde grens overschreden is.

Het is niettemin “zeer waarschijnlijk” dat deze overbrenging ook toegelaten zou zijn als de “juiste” waarden op de EVOA-kennisgeving vermeld waren. Ik verwijs weer naar de kennisgeving die [de B.V.] onder nummer 95273 deed (periode vanaf 1 november 1999). Die kennisgeving vermeldde immers een totaal aan opgegeven metalen van maar liefst (omgerekend) 0,96%.

Conclusie: ook de twee overbrengingen naar [M] zouden “zeer waarschijnlijk” wel toegelaten zijn als de hogere waarden bekend zouden zijn geweest.

Het uitstellen van de investering in de nieuwe scheidingsinstallatie

[de B.V.] is van mening dat - in de lijn van het vonnis in de strafzaak - een wederrechtelijk verkregen voordeel berekend zou moeten worden op basis van de kostenbesparing die genoten is door de investering in een nieuwe scheidingsinstallatie uit te stellen.

Als Productie 1 bij de Conclusie van dupliek van 20 februari 2006 is een accountantsrapport van Deloitte toegevoegd.

In dat accountantsrapport is dat voordeel door Deloitte becijferd op ƒ9.984,70 (€ 4.538,--).

Meer subsidiair zou een wederrechtelijk verkregen voordeel aangewezen kunnen worden waar kosten bespaard zijn door het niet hoeven storten van de restfractie die overgebleven zou zijn bij (nog) beter scheiden. Dat voordeel is (al in de eerste Reactie op het ontnemings-proces-verbaal van 30 december 2005) becijferd op ƒ 3.172 (€ 1.439).

De rechtbank zal haar visie op het gevoerde verweer en op het door de officier van justitie ingenomen standpunt zoals verwoord onder 4. opnemen in haar overwegingen met betrekking tot de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

6. SCHATTING VAN HET WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL

De B.V. is bij vonnis van deze rechtbank van d.d. 21 december 2001 veroordeeld tot een geldboete van € 90.756,04 waarvan € 45.378,02 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, wegens onder meer

1. in de periode van 1 oktober 1998 tot en met 21 juni 2000 in de gemeente Alkmaar

A. meermalen in strijd met een aan haar verleende vergunning afvalhout niet heeft gescheiden in een hoogwaardige fractie en een laagwaardige fractie en

B. meermalen in strijd met genoemde vergunning laagwaardige houtfractie niet heeft afgezet naar een afvalverbrandingsinrichting of een stortplaats in Nederland.

2. Primair:

in de periode van 1 januari 1999 tot en met 17 juni 1999 in de gemeente Alkmaar meermalen een PMV-formulier en een aanleverbon en een afleverbon valselijk heeft opgemaakt.

3. Subsidiair:

op tijdstippen in de periode van 1 oktober 1998 tot en met 21 juni 2000 in de gemeente Beverwijk opzettelijk zich door afgifte aan [D.S.B.] heeft ontdaan van laagwaardige houtfractie, zijnde bedrijfsafvalstof.

4. Primair:

in de periode van 1 januari 1999 tot en met 17 juni 1999 in het rechtsgebied van de Europese Gemeenschap meermalen afval van behandeld hout heeft overgebracht naar Zweden terwijl die overbrengingen van afval van behandeld hout geschiedden zonder kennisgevingen aan de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen en geschiedden zonder toestemming van de bevoegde autoriteiten overeenkomstig voornoemde verordening.

5. in de periode van 1 oktober 1998 tot en met 21 juni 2000 in het rechtsgebied van de Europese Gemeenschap meermalen opzettelijk grote hoeveelheden afval van behandeld hout heeft overgebracht van Nederland naar Zweden terwijl die overbrengingen van afval van behandeld hout

B. geschiedden zonder kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de EEG-verordening overbrenging afvalstoffen

C. geschiedden zonder toestemming van de bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening,

terwijl de chemische samenstelling van die overgebrachte hoeveelheden niet overeenkwam met de chemische samenstelling zoals verdachte en haar mededader die op de kennisgevingen NL90872 en NL 90880 hadden vermeld.

6. in de periode van 1 januari 1999 tot en met 10 mei 1999 in het rechtsgebied van de Europese Gemeenschap afval van behandeld hout heeft overgebracht van Nederland naar Zweden terwijl zij in strijd met de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen als kennisgever meermalen niet uiterlijk drie dagen voordat die overbrengingen plaatsvonden een afschrift van het volledig ingevulde begeleidende document heeft gezonden aan de bevoegde autoriteiten.

7. in de periode van 1 januari 1999 tot 1 januari 2000 in het rechtsgebied van de Europese Gemeenschap

A. in strijd met de Regeling EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen in Nederland Kennisgevingsformulier NL95273 rechtstreeks gezonden aan de bevoegde autoriteit van het land van bestemming van de grensoverschrijdende overbrenging van die afvalstoffen in plaats van aan de Minister van VROM.

B. in strijd met de Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad en de Regeling EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen meermalen afval van behandeld hout heeft overgebracht van Nederland naar Zweden terwijl die overbrengingen niet in zijn geheel vergezeld gingen van een exemplaar van het bijbehorende begeleidend document.

8. in de periode van 1 januari 1999 tot en met 17 juni 1999 in het rechtsgebied van de Europese Gemeenschap meermalen opzettelijk in strijd met de Regeling EEG-verordening overbrenging afvalstoffen afval van behandeld hout heeft overgebracht van Nederland naar Zweden terwijl door de verdachte als kennisgever een lagere financiële zekerheid was gesteld dan de door de Minister van VROM vastgestelde financiële zekerheid.

9. Subsidiair:

In de periode van 23 mei 2000 tot en met 26 mei 2000 in de gemeente Alkmaar in strijd met de milieuvergunning inrichting op het perceel [adres] in de gemeente Alkmaar laagwaardige houtfractie heeft aangevoerd naar en geaccepteerd op voornoemde inrichting.

Onder parketnummer 14.036015/01

Op 12 oktober 2000 zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met een voorschrift van de aan haar verleende vergunning op grond van de Wetverontreiniging oppervlaktewateren.

Onder parketnummer 14.036105/01

In de periode van 27 december 1999 tot en met 11 februari 2000 in het rechtsgebied van de Europese Gemeenschap in strijd met de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen meermalen afval van behandeld hout heeft overgebracht van Nederland naar Zweden, terwijl die overbrengingen van dat afval van behandeld hout

B. geschiedden zonder kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de EEG-verordening overbrenging afvalstoffen

C. geschiedden zonder toestemming van de bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening,

terwijl de chemische samenstelling van die overgebrachte hoeveelheden niet overeenkwam met de chemische samenstelling zoals verdachte en haar mededader die op de kennisgeving NL95271 hadden vermeld.

Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel baseert de rechtbank zich op onderdelen van het ambtsedig proces-verbaal met bijlagen, BFR nummer 466/1999 proces-verbaal nr. IMH 99/060, gedateerd 14 januari 2003 en opgesteld door K. Roos, financieel deskundige/buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam bij het Bureau Financiële Recherche van de regiopolitie Noord-Holland Noord, met betrekking tot het door de B.V. verkregen voordeel uit de hiervoor genoemde feiten, zoals hiervoor onder 4. is weergegeven.

Met betrekking tot het standpunt van het Openbaar ministerie.

In het hiervoor genoemde proces-verbaal baseert de verbalisant zich voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel met name op de ten laste van de B.V. bewezen verklaarde feiten 2, 3, 4 en 5. Ter terechtzitting voert de officier van justitie aan dat het door de B.V. verkregen voordeel vooral werd gegenereerd door het onder 1 bewezenverklaarde feit, te weten het niet op de juiste wijze scheiden van de onderhavige partijen houtsnippers.

De rechtbank begrijpt het standpunt van het Openbaar Ministerie aldus dat, nu het houtafval niet in A-, B- en C categorieën was gescheiden, het houtafval had moeten worden gestort of vernietigd middels verbranding. Het vervoer naar Zweden had in elk geval niet mogen plaatsvinden. Door in strijd met de scheidingsverplichting de partijen houtsnippers naar Zweden te exporteren heeft de B.V. zich de kosten van de in de aan haar verleende Wm-vergunning voorgeschreven storting of verbranding bespaard en aldus voordeel verkregen in de mate als in genoemd proces-verbaal is berekend.

Ten aanzien van voordeel verkregen uit feit 1.

De rechtbank heeft in haar vonnis van 21 december 2001 met betrekking tot de strafwaardigheid van het onder 1 bewezenverklaarde onder meer het volgende overwogen:

De B.V. heeft zich opzettelijk niet gehouden aan de in de Wm-vergunning opgenomen verplichting om laag- en hoogwaardige houtfractie te scheiden. Het belang van dit vergunningsvoorschrift is dat hoogwaardige houtfractie niet wordt vernietigd, maar wordt hergebruikt. Verdachte heeft in de tenlastegelegde periode het hoogwaardige hout niet meer gescheiden, omdat de opbrengst niet opwoog tegen de kosten. Voorts heeft de B.V. opzettelijk in strijd met een ander vergunningsvoorschrift de laagwaardige houtfractie, die vervuild bleek te zijn met geïmpregneerd hout, niet afgevoerd naar een vuilverbrandingsinstallatie of de vuilstort.

De rechtbank is van oordeel dat uit het schrijven van de Provincie Noord-Holland aan de B.V, gedateerd van 30 juni 1997 (nr. 97-513799) blijkt dat - onder voorwaarden - aan de B.V. een alternatief werd geboden om het versnipperde houtafval in afwijking van de vergunningvoorwaarden niet te storten of te verbranden maar dit ten behoeve van energieopwekking te exporteren. Dit brengt met zich mee dat voor de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen aansluiting moet worden gezocht bij de gangbare tarieven voor het storten of verbranden in een huisvuilcentrale of AVI. In plaats daarvan zal - er van uitgaande dat onder bepaalde voorwaarden de export van deze houtsnippers was toegestaan - bezien moeten worden in hoeverre het niet naleven van op die export betrekking hebbende (EG-) regelgeving voordeel heeft opgeleverd.

Naar het oordeel van de rechtbank dient deze conclusie ook te worden getrokken op basis van getuigenverklaringen van [K], [E.G.] en [S]. Daaruit blijkt dat storten of verbranden van het houtafval, zowel ongescheiden als na scheiding, praktisch en juridisch niet tot de mogelijkheden behoorde.

In plaats hiervan zal - ervan uitgaande dat onder bepaalde voorwaarden de export van deze houtsnippers was toegestaan - bezien moeten worden in hoeverre de BV door het hoog- en laagwaardige hout onvoldoende te scheiden, wederrechtelijk voordeel heeft genoten.

Naar het oordeel van de rechtbank is van een dergelijk voordeel allereerst sprake geweest doordat een afdoende scheiding extra kosten met zich mee gebracht zou hebben. Deze kosten zouden hebben bestaan uit extra te maken manuren of door de investeringen in betere technische voorzieningen. De verdediging heeft in dit verband betoogd dat een eerdere investering in een betere scheidingsinstallatie mogelijk zou zijn geweest en dat betoogd zouden kunnen worden dat door uitstel van deze investering een op € 4.500,-- te becijferen bedrag is bespaard.

In de tweede plaats is uit verklaringen afgelegd in de strafzaak gebleken dat de laagwaardige ("B") fractie bewust is aangevuld met A-hout. (processen-verbaal strafdossier map G, pv 60-G.02-01, blz 3 verklaring Feitz; 60-V.25-01 [K] "alles ging erom om de boot vol te krijgen"; pv 60-V.22-01, blz 3 en 4 [W]: Hij kwam één keer 500 m3 tekort voor een schip en heeft er toen A-hout bij gegooid om toch aan de hoeveelheid te komen; pv 60-V.02-02 blz 8 [V] verklaart dat A-hout dat niet kon worden afgezet, werd bijgevoegd bij het B-hout en dat A- en B-hout niet werden gescheiden). De hiervoor aangehaalde verklaringen uit het strafdossier zullen in geval van appel aan het vonnis worden toegevoegd.

Met deze handelingen heeft de BV in zoverre bewerkstelligd dat de scheiding tussen hoog- en laagwaardig hout werd verminderd. De rechtbank acht aannemelijk dat ook deze handelingen economisch voordeel hebben opgeleverd dat als wederrechtelijk verkregen dient te worden aangemerkt.

Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt het zowel in de stukken van de strafzaak als in het ontnemingsproces-verbaal aan maatstaven om het aldus - door onvoldoende scheiding en latere vermenging - verkregen voordeel exact te bepalen. De rechtbank zal het voordeel voor wat betreft feit 1 derhalve bij wijze van schatting vaststellen op € 10.000,--. Bij het bepalen van dit bedrag heeft de rechtbank rekening gehouden met de uit de stukken blijkende omvang van de afvalstroom en voorts met hetgeen de verdediging heeft aangevoerd omtrent de bepsaring gemoeid met uitstel van een mogelijke investering

Ten aanzien van voordeel verkregen uit feit 2.

De rechtbank heeft in haar vonnis van 21 december 2001 met betrekking tot de strafwaardigheid van het onder 2 bewezenverklaarde onder meer het volgende overwogen:

[de B.V.] heeft PMV-formulieren valselijk opgemaakt, terwijl andere bedrijven deze vals opgemaakte formulieren opzettelijk gebruikten. Verdachten hebben gesteld dat de bedoeling van deze werkwijze was aan te geven dat [de B.V.] verantwoordelijk was voor de door [F] en [V] aangevoerde partijen houtsnippers. De rechtbank hecht geen geloof aan deze argumentatie. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de dubbele sets met PMV-formulieren opgemaakt om te maskeren dat [de B.V.] niet de enige producent was van de houtsnippers, maar dat ook [F] en [V] die houtsnippers exportgereed op het terrein van [D] in Beverwijk afleverden. Om deze papieren maskerade te vervolmaken, werden door [de B.V.] ook valse aan- en afleverbonnen en weegbonnen opgemaakt en aan de in de administratie op te nemen PMV-formulieren toegevoegd. De vergelijking met [V] als vergund inzamelaar en andere theoretische casus van vergunde inzamelaars gaat mank, aangezien [de B.V.] niet een vergund inzamelaar was en op geen enkel moment open kaart heeft gespeeld tegenover het IMA enlof het Ministerie van VROM over de levering van houtsnippers door [V] en [F].

De rechtbank is van oordeel dat de transporten welke door middel van valselijk opgemaakte PMV-formulieren en aan- en afleverbonnen administratief waren verantwoord niet op deze wijze hadden mogen plaats vinden. Door deze transporten toch te doen plaats vinden is door de B.V. wederrechtelijk voordeel genoten.

In het hiervoor aangehaalde ontnemings-proces-verbaal is door de verbalisant onder met betrekking tot feit 2 onder punt 5.1 en 5.2 het dooruit voortvloeiende wederrechtelijk voordeel berekend, ten bedrage van ƒ 15.327,64/€ 6.955,38

Ten aanzien van voordeel verkregen uit de feiten 3, 4 en 5.

De rechtbank heeft in haar vonnis van 21 december 2001 met betrekking tot de strafwaardigheid van het onder 3, 4 en 5 bewezenverklaarde onder meer het volgende overwogen:

De rechtbank zal rekening houden met de omstandigheid dat bij een aantal overbrengingen de geconstateerde waarden weliswaar hoger waren dan in de algemene kennisgevingen was vermeld, maar dat zij lager waren dan de contractueel vastgelegde acceptatienormen van de Zweedse afnemers. Uit de processen-verbaal 60-AH-29 ev en de daarbij gevoegde overzichten blijkt overigens dat op grond van de analyses van het door [de B.V.] ingeschakelde laboratorium en de uit Zweden afkomstige analyses moet worden vastgesteld dat de totaalwaarden van metalen en met name de waarden van lood zeer regelmatig werden overschreden.

De geconstateerde waarden van chloor waren vrijwel steeds ca 0,03 % hoger dan in het contract was voorzien. In de in Zweden gemaakte analyserapporten wordt maar één keer melding gemaakt van de aanwezigheid van geïmpregneerd hout, waarbij het overigens slechts om 0,01 % geïmpregneerd hout gaat. Alle overige analyses bevatten de expliciete mededeling ‘geïmpregneerd hout 0%'. Het voorgaande betekent dat een deel van de overbrengingen zeer waarschijnlijk ook toegelaten zou zijn, indien [de B.V.] de bij analyse geconstateerde waarden (met uitzondering van chloor) op de kennisgeving had vermeld. Dit impliceert dat niet aannemelijk is dat door deze overschrijdingen concrete milieuschade heeft plaatsgevonden, in ieder geval geen milieuschade van enige importantie.

Bovendien blijkt dat de opgave van de samenstelling van het afval bij algemene kennisgevingen in de tenlastegelegde periode een erkend probleem vormde. In het zg. Knevoa-rapport wordt het als knelpunt 8 uitgewerkt. Het omschrijven van de samenstelling in een algemene kennisgeving op basis van een analyse van een deelpartij, brengt immers het risico met zich dat volgende deelpartijen daarvan in ongunstige zin afwijken. Uit dit rapport valt op te maken dat werd geaccepteerd dat de kennisgever de waarden binnen een zekere bandbreedte aangaf, waarbij pas bezwaar gemaakt zou moeten worden, indien deze waarden de acceptatiewaarden van de ontvanger zouden overschrijden. Ook de getuige [D] heeft verklaard over de mogelijkheid chemische waarden binnen een bepaalde bandbreedte op te geven. De getuige [K] heeft verklaard dat het aan te bevelen is in de kennisgeving steeds de maximumwaarde van een bepaalde stof te vermelden, juist om te voorkomen dat er een overschrijding van de opgegeven waarden plaatsvindt, terwijl die hogere waarde op zichzelf geen beletsel zou vormen voor de overbrenging.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de onder 3, 4 en 5 bewezenverklaarde feiten niet aannemelijk is geworden dat deze feiten de B.V. wederrechtelijk voordeel hebben opgeleverd. De rechtbank is, in overeenstemming met hetgeen door haar in het hiervoor aangehaalde vonnis is overwogen, van oordeel dat, mede gelet op de omstandigheid dat partijen met hogere waarden, welke bleven binnen de bandbreedte van de ontvanger, met een nieuwe kennisgeving geëxporteerd mochten worden, niet gezegd kan worden dat de B.V. hierdoor wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Beide partijen hebben in de schriftelijke voorbereiding verwezen naar het arrest van de HR van 8 juli 1992 (NJ 1993, 12/JOW 1996,50) ter onderbouwing van hun standpunten.

Naar het oordeel van de rechtbank miskennen zowel het Openbaar ministerie als de verdediging dat in dit "Urker visafslag"-arrest sprake was van een causaal verband tussen onrechtmatig karakter van het handelen en het daaruit verkregen voordeel.

De pointe van het oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaak is evenwel dat de niet-naleving van wettelijke of andere regels op zichzelf geen aantoonbaar substantieel financieel voordeel heeft opgeleverd.

Reeds daarom is het niet relevant of de vergelijking met het financieel voordeel van een rechtmatige handelwijze rechtens al dan niet toelaatbaar is.

De rechtbank schat het totale bedrag aan wederredelijk verkregen voordeel op

Feit 1 € 10.000,--

Feit 2 € 6.500,--

Feiten 3 t/m5 nihil

Totaal € 16.500,--

7. GRONDEN VOOR DE VASTSTELLING VAN HET TE BETALEN BEDRAG

Ter terechtzitting heeft de raadsman met betrekking tot de hoogte van het vast te stellen betalen bedrag het volgende aangevoerd.

De feiten in de "Woodchips"-zaak zijn gepleegd in de periode die loopt van oktober 1998 tot juni 2000. In december 2001 deed uw rechtbank uitspraak in de strafzaak. Een tijdsverloop van drie jaar en twee maanden. Op de zitting kondigde de officier van justitie destijds aan dat hij een ontnemingsvordering aanhangig zou maken tegen [de B.V.]. Het is nu bijna december 2006.

Gedurende bijna vijf jaar is [de B.V.] dus nu al belast met de dreiging van een gigantische ontneming. Dat is een factor die uw rechtbank naar mijn mening zwaar zou moeten laten meewegen. Matiging met het oog op het tijdsverloop zou redelijk zijn.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting ten aanzien van dit verzoek het volgende opgemerkt.

De raadsman spreekt niet over een onredelijke termijn en die is er ook niet, gelet op het arrest van de HR 20 juni 2006, LJN AW 0254. Er is uitgebreid geprobeerd tot een schikking te komen. Dat is niet gelukt. Hoe wel de termijn wel lang is, is er geen sprake van een onredelijk lange termijn en is er ook geen reden tot matiging. Bovendien: Het gaat om een groot bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Gedurende die lange periode dat de ontnemingsvordering in behandeling was heeft de B.V. het bedrag opzij kunnen zetten en daarvan rente kunnen ontvangen. Er was ook geen conservatoir beslag gelegd zodat de B.V. gedurende de gehele periode over dit geld heeft kunnen beschikken.

De rechtbank heeft met betrekking tot dit verzoek het volgende overwogen:

Verdachte is veroordeeld op 21 december 2001. Het vonnis is na 14 dagen onherroepelijk geworden.

De officier van justitie heeft de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt op de terechtzitting van 20 november 2003. Vervolgens is het onderzoek ter terechtzitting geschorst, blijkens een mededeling van de officier van justitie ter terechtzitting naar zij vermoedt teneinde de mogelijkheid te onderzoeken om tussen het openbaar ministerie en de B.V. tot een schikking te komen. Daarna is de zaak opnieuw aangebracht op de terechtzitting van 3 oktober 2005. De rechtbank beschikt niet over informatie met betrekking tot het verloop van de onderhandelingen. Niet is gebleken dat één van de betrokken onderhandelingspartijen de andere partij inactiviteit bij de voortgang van de onderhandelingen heeft verweten.

Na 3 oktober 2005 is door de rechtbank een schriftelijk procedure gelast, waarin zoals hiervoor onder 2 vermeld, op verzoek van de verdediging verschillende getuigen zijn gehoord.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het vorenstaande in ieder geval geen sprake is van een onredelijk lange termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Ook is de termijn van behandeling niet zodanig lang dat dit, mede gelet op de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals de rechtbank dat in het voorgaande heeft geschat, tot matiging van het op te leggen ontnemingsbedrag zou moeten leiden.

De rechtbank zijn geen omstandigheden bekend geworden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het de B.V. aan draagkracht ontbreekt of op langere termijn zal ontbreken voor de betaling van onderstaand geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 6 is overwogen met betrekking tot de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal de rechtbank het te betalen bedrag vaststellen op € 16.500,--.

8. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE BEPALINGEN

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

9. BESLISSING

De rechtbank:

Stelt het wederrechtelijk door [de B.V.] verkregen voordeel vast op € 16.500,--.

Verplicht [de B.V.] tot het betalen aan de Staat van een geldbe-drag van € 16.500,-- ( zestienduizend vijfhonderd euro) ter ontneming van het door haar wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. van der Perk, voorzitter,

mr. R.M. Steinhaus en mr. A.J. Dondorp, rechters,

in tegenwoordigheid van W. Veenstra, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 januari 2007.