Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:AZ7113

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
23-01-2007
Datum publicatie
26-01-2007
Zaaknummer
14.810125-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft meegeholpen aan de opbouw van twee professionele hennepkwekerijen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer : 14.810125-06

Datum uitspraak: 23 januari 2007

OP TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de Rechtbank Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres 1]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 november 2006 en de terechtzitting van 8 januari 2007 en 9 januari 2007.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank de tenlastegelegde feiten onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 zal bewezen verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en aftrek van voorarrest met als bijzondere voorwaarde een verplicht contact met Reclassering Nederland, ook indien dit inhoudt het volgen van de Goldsteintraining.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en mr. R. Polderman, raadsman van de verdachte, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is onder 1 ten laste gelegd, dat hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met 18 april 2005 in de gemeente Heemskerk, in een pand gelegen aan [adres 2], één of meerma(a)l(en) (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf,

opzettelijk heeft geteeld en/of heeft bereid en/of heeft bewerkt en/of heeft verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[H.] en/of één of meer ander(e) perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met 18 april 2005 in de gemeente Heemskerk in een pand gelegen aan [adres 2], met elkaar, althans één van hen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met 18 april 2005 in de gemeente Heemskerk en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans éénmaal, (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft

verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door contact te leggen met de verhuurder/huurder van dat pand en/of ervoor te zorgen dat het (onder-)huurcontract van dat pand op naam van [S.W.] werd gesteld en/of voor de ondertekening van dat contract met die [W] naar Motel Akersloot in Akersloot te rijden en/of een of meerdere ke(e)r(en) voor de betaling van de huur zorg te dragen en/of geld in de hennepkwekerij te investeren, althans ten behoeve van die hennepkwekerij een geldbedrag uit te lenen of voor te schieten en/of (vervolgens) (met anderen) dat pand in te

richten en/of te verbouwen zodat het geschikt werd om hennepplanten in te telen en/of een of meerdere keren ten behoeve van de hennepkwekerij zakken aarde en/of andere goederen aan te schaffen en naar dat pand te vervoeren;

Aan de verdachte is onder 2 ten laste gelegd, dat hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met 18 april 2005 in de gemeente Heemskerk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in of uit een pand gelegen aan [adres 2] heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, geheel of ten dele toebehorende aan de Nuon en/of N.V. Continuon Netbeheer, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) de weg te nemen elektriciteit onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel en/of braak en/of verbreking;

Aan de verdachte is onder 3 ten laste gelegd, dat hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2005 tot en met 31 december 2005 in de gemeente Wervershoof, in een pand gelegen aan [adres 3], één of meerma(a)l(en) (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf,

opzettelijk heeft geteeld en/of heeft bereid en/of heeft bewerkt en/of heeft verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[H] en/of één of meer ander(e) perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 01 mei 2005 tot en met 31 december 2005 in de gemeente Wervershoof, in een pand gelegen aan [adres 3], met elkaar, althans één van hen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 01 mei 2005 tot en met 31 december 2005 in de gemeente Wervershoof en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans éénmaal, (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door geld in die hennepkwekerij te investeren, althans ten behoeve van die hennepkwekerij een geldbedrag uit te lenen of voor te schieten en/of (vervolgens) (houten) platen ten behoeve van de opbouw van die hennepkwekerij aan de schaffen en in/bij dat pand af te leveren en/of (met anderen) dat pand in te richten en/of te verbouwen zodat dat geschikt werd om hennepplanten in te telen en/of een of meerdere keren (met anderen) die hennepplanten te verzorgen en/of te oogsten;

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, onder 4 ten laste gelegd, dat hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met 6 maart 2006 op één of meer verschillende tijdstip(pen) in de gemeente Heerhugowaard en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een (duurzaam) samenwerkingsverband van personen te weten hij, verdachte, en/of [A.H.] en/of [P.H.] en/of [M.S.] en/of [J.V.] en/of [S.W.] en/of één of meer ander(e) perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- de misdrijven als omschreven in artikel 3 onder B en/of C van de Opiumwet, te weten het meerdere keren (in de uitoefening van beroep of bedrijf) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken, in elk geval het opzettelijk aanwezig hebben, van één of meer hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet

en/of

- de misdrijven als omschreven in artikel 311 lid 1 onder 4 en 5 van het Wetboek van Strafrecht, te weten het meerdere keren ten behoeve van hennepkwekerijen plegen van diefstal(len) van elektriciteit

en/of

- de misdrijven als omschreven in artikel 285 en/of 282 en/of 282a en/of 300 en/of 302 en/of 312 en/of 317 van het Wetboek van Strafrecht, te weten het bedreigen van één of meer perso(o)n(en) en/of de gijzeling en/of de wederrechtelijke vrijheidsberoving van één of meer perso(o)n(en) en/of het plegen van geweld tegen één of meer perso(o)n(en) en/of het door middel van geweld of bedreiging van geweld wegnemen van goederen van één of meer perso(o)n(en) en/of de afpersing van één of meer perso(o)n(en) en/of andere

geweldsmisdrijven

en/of

- de misdrijven als omschreven in artikel 420 bis en/of artikel 420 ter en/of artikel 420 quater Wetboek van Strafrecht, te weten het witwassen van gelden afkomstig van de verkoop van hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, in elk geval gelden afkomstig uit/van een of meer misdrij(f)v(en).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VRIJSPRAAK

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 en 4 is ten laste gelegd.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit feit dat op grond van de eigen verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting, welke wordt ondersteund door verklaringen van een aantal medeverdachten wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte medepleger is ten aanzien van de hennepkwekerij aan [adres 2] te Heemskerk. Naar het oordeel van de rechtbank is evenwel niet komen vast te staan dat verdachte (mede)eigenaar is van die kwekerij. De medeverdachten [M.S.] en [S.W.] verklaren daar wel over maar omdat in hun verklaringen de redenen van wetenschap dat verdachte eigenaar is ontbreken, dienen deze verklaringen, nu de verdachte zelf ontkent eigenaar te zijn geweest, met behoedzaamheid te worden gebruikt.

Nu niet is komen vast te staan dat verdachte (mede)eigenaar was van de kwekerij in Heemskerk en in die hoedanigheid niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor het “achter de meter om” wegnemen van stroom en er ook overigens geen bewijs is dat verdachte op de hoogte was van, danwel heeft gehandeld met het oog op de diefstal van elektriciteit, moet verdachte hiervan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 4:

Met betrekking tot de te laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie overweegt de rechtbank als volgt.

Volgens vaste rechtspraak dient er, wil er sprake zijn van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Wetboek van Strafrecht, een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband te bestaan. Dit samenwerkingsverband heeft een bepaalde mate van begrenzing ten opzichte van haar omgeving, de leden werken onderling samen aan een gemeenschappelijke doelstelling en hebben daarbij een zekere rolverdeling.

Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een georganiseerd samenwerkingsverband van enkele personen die als verdachten voorkomen in het zogeheten Talio-onderzoek. Dit blijkt uit het gegeven dat enkele medeverdachten een nauwe en volledige samenwerking hebben gehad bij het opzetten en beheren van diverse hennepkwekerijen.

Bij deze gezamenlijke uitvoering van hennepteelt blijkt uit de diverse verklaringen van medeverdachten dat de betrokkenen een rolverdeling hadden. Uit het dossier blijkt voorts dat de groep personen die met regelmaat in de kwekerijen werkte in de loop der tijd enigszins wisselde van samenstelling. Deze vaste samenwerkingsrelaties gedurende een nauw omschreven periode vormen een sterke aanwijzing voor de samenhang in het samenwerkingsverband. Naast personen die op incidentele basis werden ingeschakeld was er een duidelijke, ook voor de betrokkenen kenbare kern van medewerkers. De organisatie kende daarmee een onderscheid tussen “binnen” en “buiten”.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de bewijsmiddelen dat het oogmerk van de organisatie ook gericht was op de diefstal van elektriciteit. Uit de verklaringen van [A.H.] van 10 oktober 2006 bij de politie en de verklaringen van [S] blijkt dat de diefstal van stroom met enige regelmaat verbonden was met de hennepteelt.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gesteld dat de in de tenlastelegging opgenomen geweldsdelicten tot het bijkomend oogmerk van de organisatie dienen te worden gerekend.

De rechtbank volgt haar daarin niet.

Wat de gijzeling van 12 december 2005 betreft overweegt de rechtbank dat deze weliswaar het initiatief is geweest van enkele personen binnen de organisatie, maar dat niet blijkt dat dit geweld is toegepast om de samenhang binnen dan wel de identiteit van de organisatie in stand te houden. Evenmin blijkt uit het dossier dat geweld of bedreiging met geweld hoorde tot de vaste of regelmatig toegepaste methoden om realisering van de andere doelen van de organisatie, te weten hennepteelt en de diefstal van elektriciteit te vergemakkelijken.

Tot een soortgelijke conclusie komt de rechtbank ten aanzien van witwassen als een veronderstelde doelstelling van de organisatie. Voor zover de verdachten van het Talio-onderzoek behoren tot de organisatie als hiervoor beschreven kan wel worden aangenomen dat zij hun verdiensten uit de hennepteelt – individueel - voor hun levensonderhoud hebben besteed. In zoverre is er sprake geweest van witwassen. Het dossier biedt naar het oordeel van de rechtbank echter geen aanwijzingen dat het witwassen op een grootschalige en georganiseerde wijze geschiedde. Gelet hierop kan het witwassen naar het oordeel van de rechtbank niet als het (neven)doel van de criminele organisatie worden beschouwd.

De vraag resteert of verdachte als deelnemer van de criminele organisatie kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval.

Verdachte heeft in een tweetal hennepkwekerijen van de organisatie verschillende werkzaamheden verricht voor de leider van de organisatie [A.H]. De rechtbank is echter van oordeel dat, voor zover er een samenwerkingsverband is geweest tussen [T.H] en verdachte dat tot oogmerk had het plegen van misdrijven, onvoldoende is gebleken van de duurzaamheid van dit samenwerkingsverband. De rechtbank acht de tijdspanne van de contacten tussen verdachte en [T.H] hiervoor te kort.

De verdachte moet ook hiervan worden vrijgesproken.

3. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

Ten aanzien van feit 1 primair:

hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 18 april 2005 in de gemeente Heemskerk, in een pand gelegen aan [adres 2], tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld een hoeveelheid van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep;

Ten aanzien van feit 3 primair:

hij in de periode van 1 mei 2005 tot en met 31 december 2005 in de gemeente Wervershoof, in een pand gelegen aan [adres 3], meermalen tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld hoeveelheden van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan,

op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

5. NADERE MOTIVERING

Ten aanzien van de feiten 1 primair en 3 primair.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ten behoeve van de kwekerij in Heemskerk in opdracht van medeverdachte [A.H] wanden heeft geschilderd, grond heeft gebracht en voorts dat hij met medeverdachte [S.W.] naar motel Akersloot is gegaan om toe te zien op de ondertekening van de huurovereenkomst van de loods aan [adres 2] waarin de kwekerij door de politie is aangetroffen.

Ten aanzien van de hennepkwekerij in Wervershoof heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij er twee avonden is geweest en toen heeft meegeholpen met het bouwen van zogenaamde weedhokken en dat hij daarnaast een paar keer “gewoon” is meegeweest met medeverdachte [M.S.]. Hij hielp dan wel met werkzaamheden zoals het sjouwen van stofboxen als ze hem dat vroegen. Ook heeft hij verklaard dat hij twee keer heeft geholpen met oogsten.

Deze door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring wordt ondersteund door de verklaringen van medeverdachten waaronder die van [M.S.] (Map 1, pag. 155 ev (Heemskerk) en Map 1, pag. 226 ev (Wervershoof)) en [S.W.] (Map 2, pag. 135 ev (Heemskerk) en Map 2, pag. 590 ev (Wervershoof)).

De door verdachte genoemde feitelijke handelingen leveren naar het oordeel van de rechtbank een zodanig bewuste nauwe en volledige samenwerking op, dat verdachte kan worden aangemerkt als medepleger ten aanzien van genoemde kwekerijen.

Ten aanzien van de feiten 1 primair en 3 primair.

Blijkens de bewezenverklaring is naar het oordeel van de rechtbank sprake van het in de uitoefening van beroep of bedrijf opzettelijk telen van hennep.

De bewezen verklaarde hennepkwekerijen bevatten meer dan 500 planten en waren

blijkens de aangetroffen apparatuur professioneel ingericht. Uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat de wetgever in dat geval de strafverzwarende omstandigheid “opzettelijk handelen in beroep of bedrijf” op het oog heeft gehad. Daarbij komt dat verdachte een financieel belang had bij zijn betrokkenheid in de hennepkwekerijen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

6. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 3 primair:

Medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

7. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8. MOTIVERING VAN DE STRAF

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft meegeholpen aan de opbouw van twee professionele hennepkwekerijen en daarnaast ten behoeve van diezelfde kwekerijen nog wat hand en spandiensten verricht. Aldus heeft hij een bijdrage geleverd aan het instandhouden van het illegale drugscircuit. Algemeen bekend is dat dergelijke activiteiten plegen te leiden tot nadelige maatschappelijke gevolgen als gezondheidsschade voor gebruikers en sociale overlast.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen

Documentatieregister, gedateerd 22 maart 2006, waaruit blijkt dat verdachte niet

eerder terzake van soortgelijke misdrijven is veroordeeld.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 12 juni 2006 van H. Punt, als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, Regio Alkmaar Haarlem.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder nog het volgende overwogen:

Uit voornoemd voorlichtingsrapport komt naar voren dat er bij verdachte sprake is van een vaardigheidstekort daar waar het gaat om het maken van weloverwogen keuzes. Daarnaast is verdachte in sociaal opzicht een kwetsbare en manipuleerbare man.

Volgens de rapporteur heeft verdachte achteraf wel eens spijt van een toezegging die hij een ander doet.Verdachte hoopt dat hij door middel van reclasseringsinterventie iets kan leren waardoor hij niet nogmaals in de problemen raakt.

Geadviseerd wordt onder meer om verdachte te laten deelnemen aan de Goldsteintraining waarin aandacht zal worden besteed aan de modules “opkomen voor jezelf” en “iets bespreken”.

Ter terechtzitting heeft de heer H. Punt voornoemd, als getuige-deskundige verklaard dat de Goldsteintraining niet meer kan worden opgelegd als zelfstandige leerstraf maar moet worden opgelegd in het kader van een verplicht reclasseringscontact en dat de reclassering bereid is een dergelijk contact met verdachte aan te gaan.

Voorts heeft de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat meegewogen dat verdachte tot op heden slechts één keer in verband met belediging met justitie in aanraking is geweest.

Al het voorgaande overwegende acht de rechtbank oplegging van na te noemen voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Deze straf dient onder meer als stok achter de deur om verdachte in de toekomst te weerhouden van het plegen van strafbare feiten. Aan deze straf zal na te noemen bijzondere voorwaarde worden verbonden.

De rechtbank is van oordeel dat tevens een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, behoort te worden opgelegd, een en ander op de wijze zoals hierna in de rubriek BESLISSING zal worden aangegeven.

9. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a (oud), 14a, 14b (oud), 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 (oud) en 11 van de Opiumwet.

10. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 3 (DRIE) MAANDEN.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, Regio Alkmaar Haarlem, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt, ook indien deze aanwijzingen inhouden het volgen van de Goldsteintraining.

Verstrekt aan de genoemde instelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren.

Beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht dat in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende hechtenis wordt vastgesteld op 90 (negentig) dagen.

Bepaalt, dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren voor elke dag.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.M. Steinhaus, voorzitter,

mr. R. van de Water en mr. F.J. Lourens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. de Graag en M. Woudman, griffiers, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 januari 2007.