Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:AZ7089

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
23-01-2007
Datum publicatie
26-01-2007
Zaaknummer
14.715489-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedurende een korte periode werkzaamheden in profesioneel ingerichte hennepkwekerijen verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer : 14.715489-06

Datum uitspraak: 23 januari 2007

OP TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de Rechtbank Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres 1].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 november 2006 en op de terechtzitting van 8 en 9 januari 2007.

De rechtbank heeft kennisgenomen van

- de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank

het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact, ook indien dit inhoudt het volgen van een training Cognitieve Vaardigheden (CoVa) en een Leefstijltraining.

- hetgeen door de verdachte en mr. A.S. Kamphuis, de raadsvrouw van de verdachte, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is, onder 1 primair (ZT005) ten laste gelegd, dat

hij in of omstreeks de periode van 01 november 2005 tot en met 06 maart 2006 in de gemeente Landsmeer, in een pand gelegen aan [adres 2] te Den Ilp, één of meerma(a)l(en) (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of heeft bereid en/of heeft bewerkt en/of heeft verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende

hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Subsidiair (ZT005) voor het geval het bovenstaande onder 1. niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden ten laste gelegd, dat

[A.H.] en/of één of meer ander(e) perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 01 november 2005 tot en met 06 maart 2006 in de gemeente Landsmeer, in een pand gelegen aan [adres 2] te Den Ilp, met elkaar, althans één van hen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de maand januari 2006, in elk geval in of omstreeks de periode van 01 november 2005 tot en met 06 maart 2006, in de gemeente Landsmeer en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans éénmaal, (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door potten met aarde te legen en/of te vullen en/of te helpen met oogstwerkzaamheden en/of aldaar één of meerma(a)l(en) te overnachten (ter bewaking van een hennepplantage);

Aan de verdachte is onder 2 primair (ZT 006) ten laste gelegd, dat

hij in of omstreeks de periode van 01 februari 2006 tot en met 06 maart 2006 in de gemeente Haarlemmermeer, in een pand gelegen aan [adres 3] te Zwanenburg, één of meerma(a)l(en) (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of heeft bereid en/of heeft bewerkt en/of heeft verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Subsidiair, voor het geval het bovenstaande onder 2. niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

[A.H.] en/of één of meer ander(e) perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 01 februari 2006 tot en met 06 maart 2006 in de gemeente Haarlemmermeer, in een pand gelegen aan [adres 3] te Zwanenburg, met elkaar, althans één van hen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 01 februari 2006 tot en met 06 maart 2006, in de gemeente Haarlemmermeer en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans éénmaal, (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door dat pand te (helpen) verbouwen en/of in te richten opdat het geschikt werd gemaakt voor de teelt van hennepplanten en/of (aldaar) hennepplanten in potten te plaatsen en/of hennepplanten en/of lampen en/of (andere) goederen naar dat

pand te vervoeren;

Aan de verdachte is onder 3 (ZT 010) ten laste gelegd, dat

hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2003 tot en met 6 maart 2006 op één of meer verschillende tijdstip(pen) in de gemeente Heerhugowaard en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een (duurzaam) samenwerkingsverband van personen te weten hij, verdachte, en/of [A.H.] en/of [P.H.] en/of [M.S.] en/of [J.V.] en/of [A.B.] en/of [S.W.] en/of één of meer ander(e) perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- de misdrijven als omschreven in artikel 3 onder B en/of C van de Opiumwet, te weten het meerdere keren (in de uitoefening van beroep of bedrijf) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken, in elk geval het opzettelijk aanwezig hebben, van één of meer hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet

en/of

- de misdrijven als omschreven in artikel 311 lid 1 onder 4 en 5 van het Wetboek van Strafrecht, te weten het meerdere keren ten behoeve van hennepkwekerijen plegen van diefstal(len) van electriciteit

en/of

- de misdrijven als omschreven in artikel 285 en/of 282 en/of 282a en/of 300 en/of 302 en/of 312 en/of 317 van het Wetboek van Strafrecht, te weten het bedreigen van één of meer perso(o)n(en) en/of de gijzeling en/of de wederrechtelijke vrijheidsberoving van één of meer perso(o)n(en) en/of het plegen van geweld tegen één of meer perso(o)n(en) en/of het door middel van geweld of bedreiging van geweld wegnemen van goederen van één of meer perso(o)n(en) en/of de afpersing van één of meer perso(o)n(en) en/of andere

geweldsmisdrijven

en/of

- de misdrijven als omschreven in artikel 420 bis en/of artikel 420 ter en/of artikel 420 quater Wetboek van Strafrecht, te weten het witwassen van gelden afkomstig van de verkoop van hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, in elk geval gelden afkomstig uit/van een of meer misdrij(f)v(en).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VRIJSPRAAK

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3. is ten laste gelegd.

De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de te laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie overweegt de rechtbank als volgt.

Volgens vaste rechtspraak dient er, wil er sprake zijn van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Wetboek van Strafrecht, een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband te bestaan. Dit samenwerkingsverband heeft een bepaalde mate van begrenzing ten opzichte van haar omgeving, de leden werken onderling samen aan een gemeenschappelijke doelstelling en hebben daarbij een zekere rolverdeling.

Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een georganiseerd samenwerkingsverband van enkele personen die als verdachten voorkomen in de zogeheten Talio- en Peenonderzoeken. Dit blijkt uit het gegeven dat enkele medeverdachten een nauwe en volledige samenwerking hebben gehad bij het opzetten en beheren van diverse hennepkwekerijen.

Bij deze gezamenlijke uitvoering van hennepteelt blijkt uit de diverse verklaringen van medeverdachten dat de betrokkenen een rolverdeling hadden. Uit het dossier blijkt voorts dat de groep personen die met regelmaat in de kwekerijen werkte in de loop der tijd enigszins wisselde van samenstelling. Deze vaste samenwerkingsrelaties gedurende een nauw omschreven periode vormen een sterke aanwijzing voor de samenhang in het samenwerkingsverband. Naast personen die op incidentele basis werden ingeschakeld was er een duidelijke, ook voor de betrokkenen kenbare kern van medewerkers. De organisatie kende daarmee een onderscheid tussen “binnen” en “buiten”.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de bewijsmiddelen dat het oogmerk van de organisatie ook gericht was op de diefstal van elektriciteit. Uit de verklaringen van [A.H.] van 10 oktober 2006 bij de politie en de verklaringen van [S] blijkt dat de diefstal van stroom met enige regelmaat verbonden was met de hennepteelt.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gesteld dat de in de tenlastelegging opgenomen geweldsdelicten tot het bijkomend oogmerk van de organisatie dienen te worden gerekend.

De rechtbank volgt haar daarin niet.

Wat de gijzeling van 12 december 2005 betreft overweegt de rechtbank dat deze weliswaar het initiatief is geweest van enkele personen binnen de organisatie, maar dat niet blijkt dat dit geweld is toegepast om de samenhang binnen dan wel de identiteit van de organisatie in stand te houden. Evenmin blijkt uit het dossier dat geweld of bedreiging met geweld hoorde tot de vaste of regelmatig toegepaste methoden om realisering van de andere doelen van de organisatie, te weten hennepteelt en de diefstal van elektriciteit te vergemakkelijken.

Tot een soortgelijke conclusie komt de rechtbank ten aanzien van witwassen als een veronderstelde doelstelling van de organisatie. Voor zover de verdachten van het Talio-onderzoek behoren tot de organisatie als hiervoor beschreven kan wel worden aangenomen dat zij hun verdiensten uit de hennepteelt – individueel - voor hun levensonderhoud hebben besteed. In zoverre is er sprake geweest van witwassen. Het dossier biedt naar het oordeel van de rechtbank echter geen aanwijzingen dat het witwassen op een grootschalige en georganiseerde wijze geschiedde. Gelet hierop kan het witwassen naar het oordeel van de rechtbank niet als het (neven)doel van de criminele organisatie worden beschouwd.

De vraag resteert of verdachte als deelnemer van de criminele organisatie kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval.

Verdachte heeft in een tweetal hennepkwekerijen van de organisatie verschillende werkzaamheden voor [T.H.], de leider van de organisatie, verricht. De rechtbank is echter van oordeel dat, voor zover er een samenwerkingsverband is geweest tussen [T.H.] en verdachte, onvoldoende is gebleken van de duurzaamheid van dit samenwerkingsverband. De rechtbank acht de tijdspanne van de contacten tussen verdachte en [T.H.] hiervoor te kort.

3. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

Onder 1 primair (ZT005)

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 06 maart 2006 in de gemeente Landsmeer, in een pand gelegen aan [adres 2] te Den Ilp, meermalen tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld hoeveelheden van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende

hennep;

Onder 2 primair (ZT006)

hij in de periode van 01 februari 2006 tot en met 06 maart 2006 in de gemeente Haarlemmermeer, in een pand gelegen aan [adres 3] te Zwanenburg, tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld een hoeveelheid van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

5. NADERE MOTIVERING

Hennepkwekerijen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en overweegt hiertoe als volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in de hennepkwekerij te Den Ilp zakken grond heeft helpen sjouwen, potten met aarde heeft gevuld en planten heeft geoogst. Omtrent zijn betrokkenheid bij de hennepkwekerij te Zwanenburg heeft verdachte verklaard dat hij deze kwekerij heeft helpen opbouwen en voorts allerhande werkzaamheden in de kwekerij heeft verricht. De verklaring van verdachte wordt ondersteund door processen-verbaal van de politie betreffende het aantreffen van de hennepkwekerijen te Den Ilp en Zwanenburg alsmede door de verklaringen van een aantal van de mededaders waaronder [A.H.] (in zijn verklaring bij de politie d.d. 10 oktober 2006) en [M.S.] (Map 1, P223-224).

Gelet op vorenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte medepleger is geweest in genoemde hennepkwekerijen, hetgeen door de verdediging overigens niet is betwist.

Beroep of bedrijf

De bewezen verklaarde hennepkwekerijen bevatten meer dan 500 planten en waren

blijkens de aangetroffen apparatuur professioneel ingericht. Uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat de wetgever in dat geval de strafverzwarende omstandigheid “opzettelijk handelen in beroep of bedrijf” op het oog heeft gehad. Daarbij komt dat verdachte een financieel belang had bij zijn betrokkenheid in de hennepkwekerijen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

6. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het onder 2 primair bewezen verklaarde:

Medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

7. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8. MOTIVERING VAN DE STRAFFEN

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft gedurende een korte periode werkzaamheden in professioneel ingerichte hennepkwekerijen verricht, waardoor hij heeft bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit. Algemeen bekend is dat dergelijke activiteiten plegen te leiden tot nadelige maatschappelijke gevolgen als gezondheidsschade voor gebruikers en sociale overlast. De verdachte is volledig aan deze gevolgen van zijn handelen voorbij gegaan en heeft slechts gedacht aan zijn eigen financieel gewin.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, gedateerd 2 januari 2007, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 22 december 2006 van E. Yavuz-Aydogan, als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland, waarin wordt geadviseerd verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen en hieraan de bijzonder voorwaarde verplicht reclasseringscontact ook als dat inhoudt deelname aan de cognitieve vaardigheidstraining en leefstijltraining.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, behoort te worden opgelegd, een en ander op de wijze zoals hierna in de rubriek BESLISSING zal worden aangegeven. Tevens zal een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd teneinde te bevorderen dat verdachte zich in de toekomst van het plegen van (soortgelijke) strafbare feiten zal onthouden.

De rechtbank ziet, gelet op verdachtes persoonlijke omstandigheden, tevens aanleiding daaraan na te noemen bijzondere voorwaarde te verbinden.

Bij de duur van de aan verdachte op te leggen werkstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de belasting van de door verdachte te volgen trainingen.

9. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a (oud), 14a, 14b (oud), 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 en van het Wetboek van Strafrecht alsmede de artikelen 3, 11 (oud) en 11 van de Opiumwet.

10. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 3. ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

? Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van 120 (HONDERTWINTIG) UREN.

Beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht dat in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende hechtenis wordt vastgesteld op 60 (ZESTIG) DAGEN.

Bepaalt, dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren voor elke dag.

? Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 3 (DRIE) MAANDEN.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt, ook indien dit inhoudt het volgen van een training Cognitieve Vaardigheden (CoVa) en een Leefstijltraining.

Verstrekt aan de genoemde instelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.M. Steinhaus, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. R. van de Water en mr. F.J. Lourens, rechters,

in tegenwoordigheid van M. Woudman en mr. A. de Graag, griffiers, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 januari 2007.