Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:AZ6981

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
23-01-2007
Datum publicatie
25-01-2007
Zaaknummer
14.810172-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organistatie, welke zich onder meer bezighield met het telen, bereiden en bewerken van hennepplanten en het ten behoeve van die kwekerijen illegaal aftappen van stroom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer : 14.810172-06

Datum uitspraak: 23 januari 2007

OP TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de Rechtbank Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

thans verblijvende bij Stichting “De Hoop”

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 september 2006 en de terechtzitting van 14 december 2006 en 9 januari 2007.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van het onder 4 primair tenlastegelegde, de tenlastegelegde feiten onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 subsidiair, 5 primair, 6 primair, 7 primair en 8 zal bewezen verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen waarvan 267 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met aftrek van voorarrest en met als bijzondere voorwaarde een verplicht contact met de Brijder Verslavingszorg Haarlem, ook indien dit contact inhoudt het afronden van de behandeling bij Stichting De Hoop in Dordrecht.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en mr. P.G. Wemmers, raadsman van de verdachte, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Op vordering van de officier van justitie is de omschrijving van de tenlastelegging op de terechtzitting van 25 september 2006 gewijzigd op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.

Aan de verdachte is onder 1 ten laste gelegd, dat hij in of omstreeks de periode van 01 februari 2005 tot en met 01 maart 2006 in de gemeente Heerhugowaard, in een woning gelegen aan de [adres 1], één of meerma(a)l(en) (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of heeft bereid en/of heeft bewerkt en/of heeft verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[A.H.] en/of één of meer ander(e) perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 01 februari 2005 tot en met 01 maart 2006 in de gemeente Heerhugowaard, in een woning gelegen de [adres 1], met elkaar, althans één van hen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 01 februari 2005 tot en met 01 maart 2006 in de gemeente Heerhugowaard en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans éénmaal, (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door die woning voor de teelt van hennepplanten aan die [H] en/of aan die andere perso(o)n(en)

ter beschikking te stellen en/of die hennepplanten te (helpen) oogsten en/of te verzorgen;

Aan de verdachte is onder 2 ten laste gelegd, dat hij in of omstreeks de periode van 01 februari 2005 tot en met 01 maart 2006 in de gemeente Heerhugowaard tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in of uit een woning gelegen aan de [adres 1] heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, geheel of ten dele toebehorende aan de Nuon en/of N.V. Continuon Netbeheer, in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) de weg te nemen elektriciteit onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel en/of braak en/of verbreking;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[A.H.] en/of één of meer ander(e) perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 01 februari 2005 tot en met 01 maart 2006 in de gemeente Heerhugowaard tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in of uit een woning gelegen aan de [adres 1] heeft weggenomen een hoeveelheid electriciteit, geheel of ten dele toebehorende aan de Nuon en/of N.V. Continuon Netbeheer, in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [H] en/of zijn mededader(s) en/of aan hem, verdachte, waarbij die [H] en/of zijn mededader(s) de weg te nemen electriciteit onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van

braak, verbreking, een valse sleutel en/of inklimming, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 01 februari 2005 tot en met 01 maart 2006 in de gemeente Heerhugowaard opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door die [H] en/of die andere perso(o)n(en) de toegang tot die woning te verschaffen en/of hem/hen/haar het (gedeeltelijk) gebruik en/of genot van die woning te geven;

Aan de verdacht is onder 3 ten laste gelegd, dat hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2005 tot en met 31 december 2005 in de gemeente Wervershoof, in een pand gelegen aan de [adres 2], één of meerma(a)l(en) (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf,

opzettelijk heeft geteeld en/of heeft bereid en/of heeft bewerkt en/of heeft verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[A.H.] en/of één of meer ander(e) perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 01 mei 2005 tot en met 31 december 2005 in de gemeente Wervershoof, in een pand gelegen aan de [adres 2], met elkaar, althans één van hen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 01 mei 2005 tot en met 31 december 2005 in de gemeente Wervershoof en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans éénmaal, (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door het pand in te richten en/of te verbouwen zodat dat geschikt was om hennepplanten in te telen en/of bakken te maken waarin hennepplanten konden worden gezet en/of transformatoren

op te hangen en/of te plaatsen;

Aan de verdachte is onder 4 ten laste gelegd, dat hij in of omstreeks de periode van 01 december 2004 tot en met 23 februari 2006 in de gemeente Obdam, in een pand gelegen aan de [adres 3], één of meerma(a)l(en) (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of heeft bereid en/of heeft bewerkt en/of heeft

verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[P.H] en/of één of meer ander(e) perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 01 december 2004 tot en met 23 februari 2006 in de gemeente Obdam, in een pand gelegen aan de [adres 3], met elkaar, althans één van hen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 01 december 2004 tot en met 23 februari 2006 in de gemeente Obdam en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans éénmaal, (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door (stekken en/of resten van) hennepplanten op te ruimen en/of af te voeren;

Aan de verdachte is onder 5 ten laste gelegd, dat hij in of omstreeks de periode van 01 december 2004 tot en met 31 maart 2005 in de gemeente Arnhem, in één of meer pand(en) gelegen aan de [adres 4] één of meerma(a)l(en) (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of heeft bereid en/of heeft bewerkt en/of heeft

verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 5 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[A.H.] en/of één of meer ander(e) perso(o)n(en) in of omstreeks de periode

van 01 december 2004 tot en met 31 maart 2005 in de gemeente Arnhem in één of

meer pand(en) gelegen aan de [adres 4], met elkaar, althans één van

hen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk

heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan

dertig gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of

omstreeks de periode van 01 december 2004 tot en met 31 maart 2005 in de

gemeente Arnhem en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans éénmaal

(telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft

verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door het/de pand(en) in te

richten en/of te verbouwen zodat dat/deze geschikt was/waren om hennepplanten

in te telen en/of de aldaar geteelde hennepplanten water te geven en/of te

verzorgen en/of aarde in de potten (waarin de hennepplanten groeiden) te

verversen en/of aan te brengen;

Aan de verdachte is onder 6 ten laste gelegd, dat hij in of omstreeks de periode van 01 december 2004 tot en met 19 april 2005 in de gemeente Arnhem, in een pand gelegen aan [adres 5], één of meerma(a)l(en) (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of heeft bereid en/of heeft bewerkt en/of heeft

verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 6 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[A.H.] en/of één of meer ander(e) perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 01 december 2004 tot en met 19 april 2005 in de gemeente Arnhem, in een pand gelegen aan [adres 5], met elkaar, althans één van hen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 01 december 2004 tot en met 19 april 2005 in de gemeente Arnhem en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans éénmaal, (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door het pand in te richten en/of te verbouwen zodat dat geschikt was om hennepplanten in te telen en/of de aldaar geteelde hennepplanten water te geven en/of te verzorgen en/of aarde

in de potten (waarin de hennepplanten groeiden) te verversen en/of aan te brengen;

Aan de verdachte is onder 7 ten laste gelegd, dat hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met 18 april 2005 in de gemeente Heemskerk, in een pand gelegen aan [adres 6], één of meerma(a)l(en) (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf,

opzettelijk heeft geteeld en/of heeft bereid en/of heeft bewerkt en/of heeft verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 7 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[A.H.] en/of één of meer ander(e) perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met 18 april 2005 in de gemeente Heemskerk in een pand gelegen aan [adres 6], met elkaar, althans één van hen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met 18 april 2005 in de gemeente Heemskerk en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans éénmaal, (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door het pand in te richten en/of te verbouwen zodat dat geschikt was om hennepplanten in te telen;

Aan de verdachte is onder 8 ten laste gelegd, dat hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2003 tot en met 6 maart 2006 op één of meer verschillende tijdstip(pen) in de gemeente Heerhugowaard en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een (duurzaam) samenwerkingsverband van personen te weten hij, verdachte, en/of [A.H.] en/of [P.H] en/of [M.S.] en/of [J.V.] en/of [A.B.] en/of [S.W.] en/of één of meer ander(e) perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- de misdrijven als omschreven in artikel 3 onder B en/of C van de Opiumwet, te weten het meerdere keren (in de uitoefening van beroep of bedrijf) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken, in elk geval het opzettelijk aanwezig hebben, van één of meer hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet

en/of

- de misdrijven als omschreven in artikel 311 lid 1 onder 4 en 5 van het Wetboek van Strafrecht, te weten het meerdere keren ten behoeve van hennepkwekerijen plegen van diefstal(len) van elektriciteit

en/of

- de misdrijven als omschreven in artikel 285 en/of 282 en/of 282a en/of 300 en/of 302 en/of 312 en/of 317 van het Wetboek van Strafrecht, te weten het bedreigen van één of meer perso(o)n(en) en/of de gijzeling en/of de wederrechtelijke vrijheidsberoving van één of meer perso(o)n(en) en/of het plegen van geweld tegen één of meer perso(o)n(en) en/of het door middel van geweld of bedreiging van geweld wegnemen van goederen van één of meer perso(o)n(en) en/of de afpersing van één of meer perso(o)n(en) en/of andere

geweldsmisdrijven

en/of

- de misdrijven als omschreven in artikel 420 bis en/of artikel 420 ter en/of artikel 420 quater Wetboek van Strafrecht, te weten het witwassen van gelden afkomstig van de verkoop van hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, in elk geval gelden afkomstig uit/van een of meer misdrij(f)v(en).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VRIJSPRAAK

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 4 primair en 5 primair en subsidiair is ten laste gelegd.

De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 4 primair (hennepkwekerij in Obdam) dat op grond van de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld, dat verdachte vaker dan één keer in de hennepkwekerij is geweest teneinde daar met een ander, in opdracht van de eigenaar van de kwekerij oude stekken weg te halen. Naast de eigen verklaring van verdachte, zijn er geen andere verklaringen danwel aanwijzingen die er op duiden dat verdachte meer activiteiten heeft verricht ten behoeve van deze kwekerij. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verdachtes rol ten aanzien van deze kwekerij niet beschouwd kan worden als die van medepleger.

De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 5. primair en subsidiair dat verdachte bij de politie niet gehoord is over dit feit en zich ter terechtzitting de locatie van de [adres 4] te Arnhem niet meer goed kan herinneren.

Medeverdachte [M.S.] heeft verklaard (Map 1, P198) dat hij samen met verdachte de hokken aan de [adres 4] te Arnhem heeft ingericht en onderhouden. In de processen-verbaal van observatie van de [O.V.] aan de [adres 4] te Arnhem wordt medeverdachte [S] door de verbalisanten herkend, maar wordt van de overige passagiers slechts een signalement gegeven. Nu de verklaring van [S] betreffende de betrokkenheid van verdachte, op geen enkele wijze ondersteund wordt door andere bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld of verdachte betrokken was bij de hennepkwekerijen aan de [adres 4] te Arnhem en dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 5 primair en subsidiair tenlastegelegde.

3. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

feit 1 primair:

hij in de periode van 1 februari 2005 tot en met 1 maart 2006 in de gemeente Heerhugowaard, in een woning gelegen aan de [adres 1], meermalen tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld hoeveelheden van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep;

feit 2 primair:

hij in de periode van 1 februari 2005 tot en met 1 maart 2006 in de gemeente Heerhugowaard tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [adres 1], heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan de N.V. Continuon Netbeheer, waarbij verdachte en zijn mededaders de weg te nemen elektriciteit onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

feit 3 primair:

hij in de periode van 1 mei 2005 tot en met 31 december 2005 in de gemeente Wervers-hoof, in een pand gelegen aan de [adres 2], meermalen tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld hoeveelheden van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep;

feit 4 subsidiair:

[P.H] in de periode van 1 december 2004 tot en met 23 februari 2006 in de gemeente Obdam, in een pand gelegen aan de [adres 3], in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld hoeveelheden van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 december 2004 tot en met 23 februari 2006 in de gemeente Obdam opzettelijk behulpzaam is geweest door stekken en/of resten van hennepplanten op te ruimen en/of af te voeren;

feit 6 primair:

hij in de periode van 1 december 2004 tot en met 19 april 2005 in de gemeente Arnhem, in een pand gelegen aan het [adres 5], meermalen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld hoeveelheden van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep;

feit 7 primair:

hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 18 april 2005 in de gemeente Heemskerk, in een pand gelegen aan de [adres 6], tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld een hoeveelheid van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep;

feit 8:

hij in de periode van 1 december 2004 tot en met 6 maart 2006 op tijdstippen in de gemeente Heerhugowaard en elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een duurzaam samenwerkingsverband van personen te weten hij, verdachte, en [A.H.] en [P.H] en [M.S.] en één of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- de misdrijven als omschreven in artikel 3 onder B van de Opiumwet, te weten het meerdere keren in de uitoefening van beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken van hoeveelheden van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, en

- de misdrijven als omschreven in artikel 311 lid 1 onder 4 en 5 van het Wetboek van

Strafrecht, te weten het meerdere keren ten behoeve van hennepkwekerijen plegen van diefstallen van elekriciteit.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan,

op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

5. NADERE MOTIVERING

Ten aanzien van de feiten 1, 3 primair, 4 subsidiair, 6 primair en 7 primair.

Het (helpen) inrichten van een ruimte om deze gereed te maken voor het kweken van hennep levert niet zonder meer “telen” op in de zin van artikel 3 onder B van de Opiumwet. Echter, indien blijkens de gebezigde bewijsmiddelen, het ten tijde van het inrichten van de ruimte aan verdachte bekend is dan wel aan verdachte bekend moet worden verondersteld dat de bestemming van de ruimte is het kweken c.q. telen van hennep, alsmede vast staat dat deze ruimte vervolgens als hennepkwekerij in gebruik is genomen, kan dit naar het oordeel van de rechtbank anders liggen. Er kan immers sprake zijn van een zodanige nauwe samenwerking van verdachte met de personen die de planten plaatsen en verzorgen, dat verdachte moet worden beschouwd als medepleger van het telen. Afhankelijk van de intensiteit van de samenwerking is sprake van medeplichtigheid danwel medeplegen.

In casu wist verdachte dat [A.H.] hokken liet bouwen ten behoeve van de hennepteelt en daarvoor een aantal mensen “in dienst” had die voor hun werkzaamheden werden betaald. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij vanaf februari 2005 voor [A.H.] werkzaamheden is gaan verrichten ten behoeve van de hennepkwekerijen en dat de afspraak was dat hij daarvoor betaald zou worden. Ten aanzien van het onder 1, 3 primair, 6 primair en 7 primair kunnen de activiteiten van verdachte daarom als medeplegen worden aangemerkt.

Ten aanzien van het onder 4 subsidiair tenlastegelegde bestonden de werkzaamheden uit het eenmalig ophalen van oude stekken, zodat niet gesproken kan worden van een nauwe en intensieve samenwerking en verdachte slechts als medeplichtige kan worden aangemerkt.

Ten aanzien van de feiten 1, 3 primair, 4 subsidiair, 6 primair en 7 primair.

Blijkens de bewezenverklaring is naar het oordeel van de rechtbank sprake van het in de uitoefening van beroep of bedrijf opzettelijk telen van hennep.

De bewezen verklaarde hennepkwekerijen bevatten meer dan 500 planten en waren blijkens de aangetroffen apparatuur professioneel ingericht. Uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat de wetgever in dat geval de strafverzwarende omstandigheid “opzettelijk handelen in beroep of bedrijf” op het oog heeft gehad. Daarbij komt dat verdachte een financieel belang had bij zijn betrokkenheid in de hennepkwekerijen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

Ten aanzien van feit 8 (criminele organisatie)

Met betrekking tot de te laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie overweegt de rechtbank als volgt.

Volgens vaste rechtspraak dient er, wil er sprake zijn van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Wetboek van Strafrecht, een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband te bestaan. Dit samenwerkingsverband heeft een bepaalde mate van begrenzing ten opzichte van haar omgeving, de leden werken onderling samen aan een gemeenschappelijke doelstelling en hebben daarbij een zekere rolverdeling.

Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een georganiseerd samenwerkings-verband van enkele personen die als verdachten voorkomen in het zogeheten Talio-onderzoek. Dit blijkt uit het gegeven dat enkele medeverdachten een nauwe en volledige samenwerking hebben gehad bij het opzetten en beheren van diverse hennepkwekerijen.

Bij deze gezamenlijke uitvoering van hennepteelt blijkt uit de diverse verklaringen van medeverdachten dat de betrokkenen een rolverdeling hadden. Uit het dossier blijkt voorts dat de groep personen die met regelmaat in de kwekerijen werkte in de loop der tijd enigszins wisselde van samenstelling. Deze vaste samenwerkingsrelaties gedurende een nauw omschreven periode vormen een sterke aanwijzing voor de samenhang in het samenwerkingsverband. Naast personen die op incidentele basis werden ingeschakeld was er een duidelijke, ook voor de betrokkenen kenbare kern van medewerkers. De organisatie kende daarmee een onderscheid tussen “binnen” en “buiten”.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de bewijsmiddelen dat het oogmerk van de organisatie ook gericht was op de diefstal van electriciteit. Uit de verklaringen van [A.H.] van 10 oktober 2006 bij de politie en de verklaringen van [S] blijkt dat de diefstal van stroom met enige regelmaat verbonden was met de hennepteelt.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gesteld dat de in de tenlastelegging opgenomen geweldsdelicten tot het bijkomend oogmerk van de organisatie dienen te worden gerekend.

De rechtbank volgt haar daarin niet.

Wat de gijzeling van 12 december 2005 betreft overweegt de rechtbank dat deze weliswaar het initiatief is geweest van enkele personen binnen de organisatie, maar dat niet blijkt dat dit geweld is toegepast om de samenhang binnen dan wel de identiteit van de organisatie in stand te houden. Evenmin blijkt uit het dossier dat geweld of bedreiging met geweld hoorde tot de vaste of regelmatig toegepaste methoden om realisering van de andere doelen van de organisatie, te weten hennepteelt en de diefstal van elektriciteit te vergemakkelijken.

Tot een soortgelijke conclusie komt de rechtbank ten aanzien van witwassen als een veronderstelde doelstelling van de organisatie. Voor zover de verdachten van het Talio-onderzoek behoren tot de organisatie als hiervoor beschreven kan wel worden aangenomen dat zij hun verdiensten uit de hennepteelt – individueel - voor hun levensonderhoud hebben besteed. In zoverre is er sprake geweest van witwassen. Het dossier biedt naar het oordeel van de rechtbank echter geen aanwijzingen dat het witwassen op een grootschalige en georganiseerde wijze geschiedde. Gelet hierop kan het witwassen naar het oordeel van de rechtbank niet als het (neven)doel van de criminele organisatie worden beschouwd.

De vraag resteert of verdachte als deelnemer van de criminele organisatie kan worden aangemerkt. Gelet op de bewezenverklaarde rol van verdachte bij de diverse hennepkwekerijen gedurende een langere periode is de rechtbank van oordeel dat verdachte deelnemer is geweest van de criminele organisatie, als hiervoor omschreven.

6. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van de feiten 1 primair, 3 primair en 6 primair, telkens:

Medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van de feit 7 primair:

Medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 2 primair:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Ten aanzien van feit 4 subsidiair:

Medeplichtigheid bij het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 8:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

7. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8. MOTIVERING VAN DE STRAF

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft deelgenomen aan - kort gezegd - een criminele organisatie, welke zich onder meer bezighield met het telen, bereiden en bewerken van hennep(planten) en het ten behoeve van die kwekerijen illegaal aftappen van stroom. Verdachte heeft daarmee een bijdrage geleverd aan het op de markt brengen van (grote) partijen softdrugs. Het gebruik van hennep vormt, door het toenemende THC-gehalte, een gevaar voor de gezondheid van de gebruikers en leidt door het verslavende karakter van het gebruik tot criminaliteit. Verdachte heeft hier kennelijk niet bij stilgestaan en alleen uit louter financieel gewin gehandeld.

Hoewel verdachte geen hoofdrol heeft gespeeld binnen de organisatie kan hij wel als medepleger worden aangemerkt ten aanzien van het opbouwen en onderhouden van een aanzienlijk aantal professioneel opgezette kwekerijen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen

Documentatieregister, gedateerd 13 april 2006, waaruit blijkt dat verdachte niet

eerder terzake van soortgelijke misdrijven is veroordeeld.

- het over de verdachte uitgebrachte vroeghulpinterventierapport gedateerd 4 mei 2006 van S.J. Soffner, als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, Regio Alkmaar Haarlem.

- het over de verdachte uitgebrachte adviesrapport gedateerd 10 juli 2006 van T. Rijbroek, als reclasseringswerker verbonden aan De Brijder Verslavingszorg Haarlem.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder nog het volgende overwogen:

Uit de stukken en uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte zich reeds voor zijn aanhouding op eigen initiatief heeft aangemeld bij Stichting De Hoop te Dordrecht. Verdachte heeft daartoe verklaard dat hij geen zin meer had in het leven dat hij de afgelopen jaren geleefd had. Op 19 juli 2006 is de voorlopige hechtenis geschorst en is verdachte opgenomen bij Stichting De Hoop waar hij sindsdien heeft deelgenomen aan het behandelprogramma.

Uit voornoemd adviesrapport blijkt dat verdachte zich houdt aan de afspraken, dat hij sinds de start van zijn behandeling niet meer is teruggevallen in gebruik, progressie laat zien en actief deelneemt aan het behandelprogramma.

Dit alles pleit in het voordeel van verdachte, temeer daar het een open inrichting betreft waar verdachte, wanneer het te zwaar wordt, zou kunnen weglopen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard uiteindelijk begeleid zelfstandig in Dordrecht te willen gaan wonen.

In het voordeel van verdachte werkt voorts mee dat hij niet eerder met justitie in aanraking is geweest terzake van drugsgerelateerde delicten.

In beginsel acht de rechtbank een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf een passende sanctie voor de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank is, gelet op de persoon van de verdachte en de wijze waarop hij zich inzet om zijn leven een andere wending te geven, evenwel van oordeel dat oplegging van een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf op haar plaats is met daaraan verbonden na te noemen bijzondere voorwaarde.

De rechtbank heeft, gelet op de ernst van de feiten, overwogen om naast de op te leggen deels voorwaardelijke vrijheidsstraf ook een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. De rechtbank ziet daar evenwel vanaf omdat zij het van belang vindt dat verdachte zich voor de volle 100% kan inzetten op het met goed gevolg afronden van de, als intensief gekwalificeerde, behandeling bij Stichting de Hoop.

9. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a (oud), 14a, 14b (oud), 14b, 14c, 47, 48, 57, 140 (oud), 140 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 (oud) en 11 van de Opiumwet.

10. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het 4 primair en 5 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 365 (DRIEHONDERD VIJFENZESTIG) DAGEN

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 267 (TWEEHONDERD ZEVENENZESTIG) DAGEN niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de Brijder Verslavingszorg Haarlem, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt, ook indien deze aanwijzingen inhouden het voltooien van de behandeling bij Stichting De Hoop in Dordrecht.

Verstrekt aan de genoemde instelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.M. Steinhaus, voorzitter,

mr. R. van de Water en mr. F.J. Lourens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. de Graag en M. Woudman, griffiers, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 januari 2007.