Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:BA1923

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
19-05-2006
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
Zaaknr/rolnr.: 210460-06-1126 WG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De kantonrechter wijst in kort geding de loonvordering van de werknemer toe, nu voorshands wordt aangenomen dat er sprake is geweest van een overgang van onderneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Den Helder

Zaaknr/rolnr.: 210460-06-1126 WG

Uitspraakdatum: 19 mei 2006

Vonnis in kort geding

De kantonrechter als voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding, heeft het volgende vonnis gewezen in de zaak van:

[Eiser], wonende te Wieringerwerf, gemeente Wieringermeer

eisende partij in kort geding

verder ook te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. T.M. Oude Lenferink, werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand te Tilburg

tegen

[Gedaagde], in de hoedanigheid van bevoegd functionaris en als oprichter van de besloten vennootschap Romi Horeca B.V. i.o. (gevestigd en kantoorhoudende te Den Oever, gemeente Wieringen, Oeverdijk 2-4)

gedaagde partij in kort geding

verder ook te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr.ing. P.M.A.C. van de Laak, advocaat te Moergestel.

Het procesverloop

[Eiser] heeft bij dagvaarding d.d. 2 mei 2006 een voorziening gevorderd.

De zaak is behandeld op de terechtzitting van 11 mei 2006, alwaar zijn verschenen [eiser], bijgestaan door haar gemachtigde en namens [gedaagde] zijn gemachtigde.

[Eiser] heeft de vordering bij monde van haar gemachtigde toegelicht. [Gedaagde] heeft tegen de vordering verweer doen voeren aan de hand van pleitnotities.

De inhoud van deze processtukken geldt als hier ingelast.

Na afloop van de behandeling is heden uitspraak bepaald.

De feiten

1. [Eiser] is op 1 maart 2005 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van de besloten vennootschap Matexan B.V. als medewerker bediening ten behoeve van het door deze vennootschap geëxploiteerde "Hotel Den Oever".

2. Toen de vennootschap vervolgens in financiële moeilijkheden geraakte heeft de bank de activa van deze vennootschap, met name het hotelgebouw c.a. en de inventaris doen veilen, en wel op 23 juni 2005. Een zekere Pronk heeft bij die gelegenheid de activa verworven, die hij op zijn beurt heeft verhuurd aan Matexan c.q. haar aandeelhouder(s). Matexan c.q. haar aandeelhouder(s) heeft c.q. hebben, nu als huurder(s) van genoemde zaken, de exploitatie van het hotel nog gedurende enige tijd voortgezet. Dat heeft geduurd tot (uiterlijk) 4 maart 2006. Matexan raakte in verdere financiële problemen en trad als huurder/exploitant terug. Pronk heeft toen meergenoemde zaken verhuurd aan [gedaagde], die bij brief van 19 maart 2006 onder meer als volgt aan de relaties van "Hotel Den Oever" heeft geschreven:

"Geachte relatie van Hotel Den Oever,

Met dit schrijven willen wij u in kennis stellen van het feit dat met ingang van 4 maart 2006 Hotel Den Oever onder een nieuwe leiding staat.

Wij willen ons graag aan u voorstellen en zouden u graag ook als relatie van ons begroeten.

Voor de goede orde, wij hebben het pand van de huidige eigenaar gehuurd en hebben geen zakelijke banden met de vorige exploitant, noch hebben wij enige bedrijfsactiviteiten overgenomen. Wij zullen dan ook verder gaan onder de bedrijfsnaam Hotel Oeverdijk.

(...)

Momenteel zijn wij gesloten in verband met verbouwing en het wachten op de goedkeuring van drank en horecawet vergunning. Wij verwachten op 17 april weer open te gaan en u dan te mogen verwelkomen in ons Hotel (...)"

3. Matexan is op 6 april 2006 in staat van faillissement verklaard.

Het geschil

4. [Eiser] vordert bij wege van voorziening ex artikel 254 lid 4 BRv bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen haar, op straffe van een dwangsom, weer tot het werk toe te laten alsmede tot betaling van achterstallig loon en vakantiegeld alsmede tot betaling van verder loon, rente en verhoging alsmede het verstrekken van salarisspecificaties, kosten rechtens.

5. [Eiser] voert aan dat - per 4 maart 2006 - sprake is van overgang van de onderneming van Matexan naar [gedaagde] in de zin van art. 7:662 e.v. BW. Zij wijst daarbij op genoemde feiten alsmede op de volgende omstandigheden:

- de telefoon- en faxnummers van het hotel zijn hetzelfde gebleven;

- personeel van Matexan werkt nu voor [gedaagde].

Zij heeft echter moeten ervaren dat [gedaagde] haar, ondanks aanmaning daartoe, niet weder tewerkstelt en evenzeer nalaat haar het loon waar zij nog recht op heeft uit te betalen. In dat verband wijst zij op een achterstand die is ontstaan over de periode mei 2005 tot en met april 2006. Over die periode had zij recht op een bedrag van € 17.242,08 bruto, terwijl zij netto slechts € 5.700,-- heeft ontvangen.

6. [Gedaagde] voert aan dat hij de onderneming van Matexan niet heeft overgenomen of voortgezet; hij heeft niet anders gedaan dan het huren van de activa van Pronk. Daarom ook kon [gedaagde] zelf bepalen wie van de werknemers hij in dienst wenste te nemen. Na een renovatie is het hotel weer op 17 april 2006 opengegaan, aldus [gedaagde].

De beoordeling

7. De spoedeisendheid van de zaak vloeit uit het gestelde voort en is in voldoende mate gebleken.

8. Uit het over en weer betoogde, de overgelegde stukken en de omstandigheid dat de onderhavige procedure zich niet leent voor (nadere) bewijsvoering is de kantonrechter voorshands, rekeninghoudende met de vermoedelijke beslissing in de eventueel te entameren bodemzaak, het volgende van oordeel.

9. De kantonrechter constateert dat [gedaagde] de stellingen van [eiser] als onder 5 weergegeven niet heeft weersproken, zodat deze, evenals de onder 1, 2 en 3 genoemde feiten vaststaan.

10. Op grond van al hetgeen tussen partijen vaststaat moet worden aangenomen dat inderdaad sprake is van overgang van een onderneming als in voormelde wetsartikelen bedoeld. Tussen de onderneming van [gedaagde] en die van Matexan c.q. haar aandeelhouder(s) bestaat identiteit: in hetzelfde gebouw werd en wordt met aanwending ook van dezelfde roerende zaken het hotelbedrijf uitgeoefend. In elk geval is een gedeelte van het personeel van Matexan c.q. haar aandeelhouder(s) bij [gedaagde] in dienst getreden. [Gedaagde] heeft na de overgang de bestaande relaties van het hotel benaderd, telefoon- en faxnummers zijn ongewijzigd gebleven. Dat er sprake is van een nieuwe leiding van het bedrijf doet in onvoldoende mate aan het bestaan van identiteit niet af. Uit de weergegeven feiten volgt dat de overgang krachtens een of meer overeenkomsten heeft plaatsgevonden en voorts dat de feitelijke exploitatie slechts gedurende korte tijd onderbroken is geweest. Gelet op de datum van de overname enerzijds en de datum van het faillissement van Matexan anderzijds, doet de uitzondering van art. 7:666 BW zich niet voor.

11. Hieruit volgt dat [eiser] sedert 4 maart 2006 in dienst is van [gedaagde] en dat laatstgenoemde aansprakelijk is voor de onweersproken gebleven vorderingen van [eiser] op Matexan c.q. haar aandeelhouder(s) tot dat tijdstip. Bovendien zal hij [eiser] tewerk moeten stellen en haar het loon sedert 4 maart 2006 dienen te voldoen. Voor het opleggen van een dwangsom ziet de kantonrechter onvoldoende grond.

De wettelijke verhoging zal worden beperkt tot 10% in verband met de omstandigheden van het geval.

12. De vordering van [eiser] dient derhalve te worden toegewezen, zoals hierna vermeld.

[Gedaagde] dient als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te worden veroordeeld.

De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

Veroordeelt [gedaagde] om [eiser] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis weer toe te laten en toegelaten te houden in haar functie van medewerker bediening.

Veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen kwijting te betalen:

a. een bedrag van € 17.242,08 bruto onder aftrek van het netto ontvangen bedrag van € 5.700,00;

b. het achterstallige vakantiegeld;

c. het salaris vanaf 1 mei 2006 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig tot een einde komt;

d. de wettelijke rente over de onder a. en b. genoemde bedragen vanaf het moment dat die bedragen opeisbaar zijn tot aan de dag der voldoening;

e. de wettelijke verhoging ex artikel 7:626 BW ad 10% over de onder a. en b. genoemde bedragen.

Veroordeelt [gedaagde] tevens tot afgifte van de salarisspecificaties van de uit te betalen salarissen.

Veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die tot heden voor [eiser] worden vastgesteld op een bedrag van € 667,32, waaronder begrepen een bedrag van € 400,00 voor salaris van de gemachtigde van [eiser], waarover [gedaagde] geen BTW verschuldigd is.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Warnink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2006.

De griffier

De kantonrechter