Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AZ9306

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
31-07-2006
Datum publicatie
27-02-2007
Zaaknummer
AWB 05/2832
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Budgetsubsidie, weigering extra subsidie na eerdere toekenning voor herbouw basisschool.

Verweerder mocht in redelijkheid eiseres een (nadere) subsidie weigeren. Subsidie op grond van artikel 4 van de Verordening, vooraf genormeerd bedrag. Verordening biedt geen grondslag om aanvullende subsidie te verlenen. De bevoegdheid van verweerder om aanvullende gelden aan eiseres ter beschikking ter stellen vindt grond in het aan verweerder toekomende budgetrecht. Beroep op het vetrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel kunnen niet slagen.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2006/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 05/2832

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

de Stichting [stichting], Stichting voor Interconfessioneel Basisonderwijs,

statutair gevestigd te Heerhugowaard, kantoorhoudende te Alkmaar, eiseres,

gemachtigde mr. M.S. van Hien.

tegen

de Raad van de gemeente Heerhugowaard,

verweerder,

gemachtigde mr. W. de Vis, advocaat te Alkmaar.

1. Ontstaan en loop van de zaak

In december 2002 heeft verweerder in het kader van het jaarprogramma 2003 en naar aanleiding van de slechte staat van het betreffende schoolgebouw aan eiseres een krediet (subsidie) beschikbaar gesteld voor vervangende nieuwbouw ten behoeve van de bestaande accommodatie van basisschool de [naam basisschool] te Heerhugowaard.

Nadat de aanbesteding van het bouwproject had plaatsgevonden, is eiseres gebleken dat de stichtingskosten hoger uitkwamen dan het beschikbaar gestelde subsidiebedrag.

Eiseres heeft verweerder in verband daarmee verzocht haar een aanvullend budget van

€ 99.139,00 toe te kennen.

Bij besluit van 22 februari 2005, verzonden op 28 februari 2005, heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Bij brief van 8 april 2005, door verweerder ontvangen op 11 april 2005, is namens eiseres tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij brief van 19 mei 2005 zijn de gronden van het bezwaar aangevoerd.

Op 2 juni 2005 is eiseres gehoord door de commissie voor de bezwaarschriften. Die commissie heeft op 4 augustus 2005 aan verweerder advies uitgebracht.

Bij besluit van 27 september 2005, aan eiseres verzonden op 6 oktober 2005, heeft verweerder, overeenkomstig voormeld advies, het bezwaar ongegrond verklaard.

Namens eiseres is bij brief van 15 november 2005, door de rechtbank (per fax) ontvangen op 16 november 2005, tegen dat besluit beroep ingesteld. Bij brief van 19 december 2005 zijn de gronden van het beroep ingezonden.

Bij brief van 8 maart 2006 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Van de zijde van eiseres is op 23 mei 2006 een nader stuk ingebracht.

Bij brief van 24 mei 2006 heeft mr. W. de Vis, advocaat te Alkmaar, namens verweerder een verweerschrift ingediend.

Het beroep is vervolgens behandeld ter zitting van 2 juni 2006.

Eiseres is vertegenwoordigd door [algemeen directeur], algemeen directeur van eiseres, en bijgestaan door haar gemachtigde, mr. M.S. Hien, werkzaam bij de bond voor katholiek primair onderwijs te Den Haag. Verweerder is vertegenwoordigd door [beleidsmedewerker], werkzaam als beleidsmedewerker bij de gemeente Heerhugowaard, en mr. W. de Vis, advocaat te Alkmaar.

Op 14 juli 2006 heeft de rechtbank de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

2. Motivering

2.1. In dit geding staat de vraag centraal of verweerder in redelijkheid eiseres een (nadere) subsidie van € 99.139,00 ten behoeve van de vervangende nieuwbouw van basisschool De [naam basisschool] heeft mogen weigeren.

2.2 In artikel 189 van de Gemeentewet - voor zover hier van belang - is het volgende bepaald:

1.Voor alle taken en activiteiten brengt de raad jaarlijks op de begroting de bedragen die hij daarvoor beschikbaar stelt, alsmede de financiële middelen die hij naar verwachting kan aanwenden.

2. (…)

3. Behoudens het bepaalde in de artikelen 208 en 209 kunnen ten laste van de gemeente slechts lasten en daarmee overeenstemmende balansmutaties worden genomen tot de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht.

4. Het begrotingsjaar is het kalenderjaar.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Heerhugowaard, (hierna: de Verordening) wordt bij toekenning van een van de in artikel 2 genoemde voorzieningen bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per geval.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage IV, deel A.

2.3 Verweerders standpunt komt er, kort gezegd, op neer dat eiseres van meet af aan op de hoogte was van feit dat de oorspronkelijke subsidieverlening was geschied volgens de budgetmethode overeenkomstig de normbedragen zoals neergelegd in deel A van bijlage IV van de Verordening. Eiseres is als bouwheer verantwoordelijk voor het gehele bouwplan en dus ook voor eventuele financiële tegenvallers. Het gaat dan niet aan dat eiseres, nádat de aanbesteding van de bouw reeds had plaatsgevonden, bij verweerder om aanvulling van het reeds toegekende budget verzoekt. Reeds bij de toekenning van de oorspronkelijke subsidie in december 2002, gelet ook op het bepaalde in artikel 4 van de Verordening, was het eiseres duidelijk dat subsidie was verleend in de vorm van een normbedrag. Door verweerder zijn geen verwachtingen gewekt omtrent het toekennen van een aanvullende subsidie nadat was gebleken dat de stichtingskosten hoger uitvielen dan was gepland, aldus verweerder.

2.4 Eiseres brengt daartegen in dat ‘de gemeente’ steeds op de hoogte was van de bouwplannen, de wijzigingen daarin, en de financiële tegenvallers. Dat de kosten hoger zijn uitgevallen dan oorspronkelijk was geraamd, heeft volgens eiseres allereerst te maken met het verzoek van verweerder om in plaats van volledige nieuwbouw naast de oude locatie, binnen het bestemmingsplan te blijven en op de oude locatie nieuwbouw te plegen. Voorts is er, terwijl dat bij een zogenoemde quick-scan niet aan het licht was gekomen, asbest in het oude gebouw aangetroffen. Daarbij is eiseres van mening dat door de behandelend ambtenaren en het college van Burgemeester en Wethouders nooit expliciet is uitgedragen dat het vastgestelde budget niet overschreden mocht worden. Door die opstelling en het voorstel van het college aan verweerder van 14 december 2004 om een aanvullend krediet van € 99.139,00 ter beschikking te stellen voor de bouw van De Zevensprong, is bij eiseres de verwachting gewekt dat de aanvullende subsidie zou worden toegekend.

Tenslotte heeft eiseres nog gewezen op verweerders besluit van 20 december 2005 betreffende de toekenning van een extra krediet voor de aanpassing en uitbreiding van de Jeroen Boschschool te Heerhugowaard. In dat geval was ook sprake van tegenvallende kosten, aldus eiseres.

2.5 De rechtbank stelt vast dat verweerder bij een tweetal besluiten in totaal € 1.517.590,00 aan subsidie is verleend voor de vervangende nieuwbouw van De Zevensprong. Tussen partijen is niet in geschil dat deze subsidie is verleend op grond van artikel 4 van de Verordening en dat sprake was van een vooraf genormeerd bedrag zoals bedoeld in dat artikel. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de Verordening geen grondslag bood om daarnaast een aanvullende subsidie te verlenen. De bevoegdheid van verweerder om aanvullende gelden aan eiseres ter beschikking ter stellen vindt in het onderhavige geval zijn basis in het aan verweerder toekomende budgetrecht op grond van artikel 189 van de Gemeentewet.

2.6 In de stelling van eiseres dat door en of namens verweerder niet of onvoldoende zou zijn uitgedragen dat het toegekende budget als taakstellend had te gelden en dat eiseres dientengevolge geen aanspraak op nadere subsidiegelden gemaakt kon maken, kan de rechtbank eiseres niet volgen. Zoals uit het door de commissie voor de bezwaarschriften opgestelde - en door eiseres niet bestreden - chronologische overzicht naar voren komt, heeft verweerder telkens het taakstellend karakter van het beschikbaar gestelde krediet onder de aandacht van eiseres gebracht. Van belang in dit verband is de brief van [beleidsmedewerker] aan eiseres van 25 november 2003 waarin - onder meer - het volgende is vermeld:

"Daarnaast ligt er het gegeven dat aan u een normbudget is toegekend dat moet worden gezien als een taakstellend stichtingskostenbudget. Dat betekent dat in principe alle kosten samenhangend met de bouw van de school uit dit budget moeten worden bekostigd."

Ook uit het verslag van de op 2 juni 2005 gehouden hoorzitting blijkt dat eiseres bekend was met het feit dat een subsidie toegekend in de vorm van een normbedrag als een taakstellend budget geldt: "Mevrouw [X] informeert in hoeverre het duidelijk is gemaakt dat normbedragen taakstellende budgetten zijn. [algemeen directeur basisschool] vertelt dat dit duidelijk was zodra de verordening er kwam."

De rechtbank onderschrijft ook de conclusie van die commissie dat eiseres een te vermijden risico heeft genomen door de bouwwerkzaamheden reeds aan te besteden, voordat uitsluitsel was verkregen over de wijze waarop de geconstateerde meerkosten gefinancierd zouden worden.

Wat betreft de door eiseres genoemde factoren die tot de aanzienlijke overschrijding van het bouwbudget hebben geleid, merkt de rechtbank op dat zij met verweerder van oordeel is dat deze volledig liggen in de risicosfeer van eiseres in haar hoedanigheid van bouwheer. De omstandigheid dat het gemeentebestuur niet wilde meewerken aan het eerste bouwplan op de oorspronkelijk door eiseres gekozen locatie om de reden dat het geldende bestemmingsplan de bouw van een school op die plek niet toeliet, kan er voorts niet toe leiden dat eventuele extra kosten van het aangepaste bouwplan voor rekening van verweerder zouden moeten komen.

2.7 Wat betreft het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank het volgende. Gesteld noch gebleken is dat van de zijde van verweerder als bestuursorgaan enige, ondubbelzinnige en voor eiseres gedragsbepalende, toezeg omtrent het toekennen van een aanvullende subsidie is gedaan. Voor zover eiseres meent dat door ambtenaren van de gemeente Heerhugowaard of door het college van Burgemeester en Wethouders van Heerhugowaard dergelijke toezeggingen zijn gedaan, moet worden vastgesteld dat - zoals ook bij eiseres als bekend kan worden verondersteld - verweerder in dezen bij uitsluiting beslissingsbevoegd is. Zelfs indien een ambtenaar jegens eiseres enige toezegging omtrent het verstrekken van een extra budget aan eiseres zou hebben gedaan, is verweerder rechtens niet gehouden een zodanige toezegging gestand te doen. Ditzelfde geldt ten aanzien van het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders aan verweerder van 14 december 2004. Aan dit voorstel heeft eiseres niet de gerechtvaardigde verwachting kunnen ontlenen dat verweerder de gevraagde extra gelden ter beschikking zou stellen. Ook om die reden kan een beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen.

2.8 Naar het oordeel van de rechtbank kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel evenmin slagen. De door eiseres aangedragen subsidieverlening ten behoeve van de Jeroen Boschschool is niet vergelijkbaar met de hier in geding zijnde afwijzing. Daarbij is van belang dat in het geval van de Jeroen Boschschool sprake was van verlening van subsidie op basis van de feitelijke kosten, in plaats van bouwbudget naar vaste normbedragen, als in het geval van eiseres. Voorts is van belang dat het ging om het herstel van een evident onjuiste berekening, die aan het licht gekomen vóórdat de feitelijke aanbesteding - en daarmee de bouw - plaats had gevonden.

2.9 Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid de verzochte subsidie heeft kunnen weigeren. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat het bestreden besluit niet in stand zou kunnen blijven. Het beroep is ongegrond.

2.10 Bij deze uitkomst is voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 31 juli 2006 door mr. N.O.P. Roché, rechter, bij afwezigheid van de zittingsgriffier in tegenwoordigheid van mr. T. Stratmann, griffier.

griffier, rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.