Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AZ7367

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
28-12-2006
Datum publicatie
31-01-2007
Zaaknummer
14.810036-05 o
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer : 14.810036-05 o

Datum uitspraak: 28 december 2006

OP TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de Rechtbank Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

wonende te [adres en woonplaats].

Raadsman: mr. R.J. Wortelboer.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 november 2006 en 01 december 2006.

1. DE VORDERING

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 29 augustus 2006 gesteld dat [veroordeelde] voordeel heeft verkregen als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, een en ander in relatie tot het onderzoek dat heeft geleid tot de dagvaarding in de strafzaak met parketnummer 14/810036-05.

De vordering van de officier van justitie houdt voorts in dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e lid 4 van het Wetboek van Strafrecht zal vaststellen op

€ 16.704,00 en aan [veroordeelde] de verplichting zal opleggen tot betaling van dat bedrag aan de Staat.

2. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De officier van justitie heeft de procedure aanhangig gemaakt met de oproeping aan veroordeelde te verschijnen op de terechtzitting van de rechtbank op 13 november 2006.

Op die terechtzitting is de veroordeelde niet verschenen. Op de zitting van 13 november 2006 is wel verschenen mr. I.E. Leenhouwers, raadsvrouw van de medeveroordeelde [medeveroordeelde 1], die verklaart waar te nemen voor de raadsman van [veroordeelde], mr. R.J. Wortelboer. Mr. Leenhouwers verklaart uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om [veroordeelde] ter terechtzitting te verdedigen. De officier van justitie deelt mee dat aan de orde is een vordering van ontneming terzake van door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel. Ter terechtzitting van 13 november 2006 heeft de uitdrukkelijk gemachtigde raadsvrouw verklaard dat haar cliënt [medeveroordeelde 1] vooral bezwaar maakt tegen de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van het laatste transport (27 augustus 2004). [Medeveroordeelde 1] stelt dat de bedragen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel van dat transport is gebaseerd, geen verband houden met de cocaïnetransporten naar het Verenigd Koninkrijk. Diezelfde bedragen zijn door de politie ook meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van [veroordeelde]. Volgens [medeveroordeelde] bestond de opbrengst van het laatste transport uitsluitend uit het bedrag van 7000 Pond dat in het Verenigd Koninkrijk in de auto door [medeveroordeelde1], [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 3] is gedeeld. De raadsvrouw heeft verklaard dat zijzelf niet kan verklaren over de herkomst van de bedragen die na dat laatste transport zijn gestort, maar dat [medeveroordeelde 1] dat wel kan. De raadsvrouw heeft tevens verklaard dat de verklaring van [medeveroordeelde 1] belangrijk is voor zijn eigen zaak en voor de zaak tegen [veroordeelde]. Gezien dit alles heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de behandeling ter terechtzitting aan te houden, zodat [medeveroordeelde 1] zelf zijn verhaal kan doen, zowel in zijn eigen zaak als in de zaak tegen [veroordeelde]. Na beraad heeft de voorzitter meegedeeld dat naar het oordeel van de rechtbank de verklaring van [medeveroordeelde 1] van belang kan zijn voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de zaak [veroordeelde]. De voorzitter heeft daarom als beslissing van de rechtbank meegedeeld dat het onderzoek ter terechtzitting wordt geschorst tot 1 december 2006 te 14.00 uur, teneinde [medeveroordeelde 1] als getuige te horen.

Op de terechtzitting van 1 december 2006 is de zaak op tegenspraak behandeld, in aanwezigheid van [veroordeelde] en haar raadsman. De officier van justitie heeft de zaak voorgedragen.

De getuige [medeveroordeelde 1] heeft ter terechtzitting onder meer –voor zover van belang- het volgende verklaard:

Ik ben niet gehuwd met [veroordeelde] en ik heb geen geregistreerd partnerschap met haar. Wij hebben wel een relatie. [Veroordeelde] wist niet waar het geld vandaan kwam dat ik haar gaf. Een deel van het geld dat ik [veroordeelde] heb gegeven betreft speelwinst. Ik heb meerdere malen geld gewonnen in het casino van de veerboot. Verder is er ook geld van drugstransporten naar mijn partner [veroordeelde] gegaan. Ik heb met [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 3] een bedrag van 7000 Engelse Ponden ontvangen uit een drugstransport in augustus/september 2004. Dit bedrag (omgerekend €10.150) is in de auto in drieën gedeeld. Ik heb van mijn aandeel ongeveer 1.000 Engelse Ponden aan [veroordeelde] gegeven. Het geld dat ik hierna ontvangen heb, zo’n € 29.000,00, heb ik gekregen van mijn Britse relaties uit het drugsmilieu en was bedoeld als investering in een door mij op te zetten wietplantage. Wat ik van dit bedrag, na het opzetten van de wietkwekerij, nog over had, heb ik op de rekening van [veroordeelde] gestort. Dit geld had dus niets te maken met enig drugstransport.

De officier van justitie heeft bij requisitoir aangevoerd dat zij de verklaring van de getuige [medeveroordeelde 1] als zou het bedrag van € 29.950,-, welk bedrag [medeveroordeelde 1] na het laatste transport van 27 augustus 2004 heeft ontvangen, bedoeld zijn voor de opzet van een wietkwekerij, onaannemelijk acht. De officier van justitie blijft derhalve bij haar vordering. Tenslotte vordert de officier van justitie de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zowel bij de veroordeelde [veroordeelde] als bij haar medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] volledig op te leggen. Volgens de Hoge Raad (arrest van 26 augustus 2003, NJ 2003, 696) behoeft geld dat door een veroordeelde aan een derde is geschonken niet in mindering te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel, ook al is tegen die derde terzake van dit geld een ontnemingsvordering aanhangig gemaakt.

De raadsman heeft pleitaantekeningen (met daarbij gevoegd een productie, inhoudende een overzicht van de uitkeringsspecificatie van de betalingen gedaan in de periode 1 september 2006 tot en met 30 september 2006 aan veroordeelde) overgelegd en overeenkomstig deze pleitaantekeningen verweer gevoerd en daarnaast aanvullend verweer gevoerd, inhoudende, in samenhang bezien, –kort samengevat-:

Het bedrag waarop het wederrechtelijk genoten voordeel, zoals door de officier van justitie berekend, is gebaseerd, is te hoog. De stortingen die op en na 13 oktober 2004 zijn gedaan, in totaal € 5.930,-, moeten worden afgetrokken.

Er is geen rekening gehouden met het feit dat van de bedragen die [medeveroordeelde 1] aan [veroordeelde] heeft gegeven ook al bij [medeveroordeelde 1] zelf de ontneming wordt gevorderd. Hoewel deze zogenaamde dubbeltelling volgens de Hoge Raad mogelijk is, acht ik het in dit geval niet redelijk; bij toewijzing van de vordering dient de rechtbank rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden en de draagkracht van veroordeelde. Cliënt verzoekt u het door hem te betalen bedrag op nihil te stellen, althans op een bedrag dat zich verdraagt met haar draagkracht.

3. VASTSTELLING VAN HET WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL

Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken in deze rechtbank van 21 februari 2006 is veroordeelde veroordeeld tot –onder meer-

gevangenisstraf voor de tijd van 270 dagen, met aftrek van de tijd die veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 245 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en

een taakstaf, te weten een werkstraf voor de tijd van 240 uren

wegens:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 (oud), eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod en het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en

het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

medeplegen van een gewoonte maken van witwassen

en

opzetheling.

Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit baten van de ingevolge dat vonnis bewezenverklaarde strafbare feiten.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ten aanzien van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank zal de verdediging niet volgen in de stelling dat de bedragen die veroordeelde na het mislukte drugstransport van 27 augustus 2004 nog heeft ontvangen, niet mogen meewerken tot de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, aangezien naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk is dat deze bedragen bestemd waren voor het opzetten en installeren van een wietplantage, noch dat deze bedragen afkomstig waren van speelwinst, zoals gesteld door de getuige [medeveroordeelde 1].

Immers, de medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] is veroordeeld voor –onder meer- vervoer van harddrugs naar het Verenigd Koninkrijk. [Medeveroordeelde 1] heeft ook inkomsten verkregen uit dit vervoer van harddrugs naar het Verenigd Koninkrijk. De bedragen die [medeveroordeelde 1] na 12 september 2004 heeft ontvangen, zijn ook afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk. [Medeveroordeelde 1] heeft ter terechtzitting van 1 december 2006 als getuige verklaard dat dit geldbedrag door zijn Britse relaties uit het drugsmilieu aan hem was verstrekt als investering in een door hem op te zetten wietplantage. Uit niets echter blijkt en het is onaannemelijk, dat de geldschieters uit het Verenigd Koninkrijk [medeveroordeelde 1], kort na het mislukken van een transport van harddrugs, hebben belast met het opzetten van een wietplantage, noch dat zij [medeveroordeelde 1] hiervoor het genoemde bedrag hebben verstrekt.

Ook de verklaring van de getuige [medeveroordeelde 1], als zou een deel van het door hem op de rekening van de veroordeelde [veroordeelde] gestorte geld afkomstig zijn uit speelwinst, acht de rechtbank niet aannemelijk, nu uit de stukken en uit hetgeen overigens ter terechtzitting is gebleken, deze verklaring op geen enkele wijze wordt onderbouwd.

De rechtbank overweegt voorts dat [veroordeelde] is veroordeeld voor uitvoer van MDMA naar Duitsland met [medeveroordeelde], voor het witwassen van crimineelgeld, gepleegd met [medeveroordeelde 1] en voor opzetheling. Op de terechtzitting van 1 december 2006 heeft [veroordeelde] verklaard dat zij vanaf het begin wist dat [medeveroordeelde 1] met anderen drugs naar het Verenigd Koninkrijk uitvoerde en dat de gelden die zij van [medeveroordeelde 1] kreeg na 20 februari 2004 daarvan afkomstig waren. Uit het veroordelend vonnis blijkt dat de veroordeling terzake van het witwassen van geld onder meer betrekking heeft op transacties verricht na 27 augustus 2004.

Op grond van het voorstaande bepaalt de rechtbank het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt:

Contante stortingen op de rekening van [veroordeelde] in de periode april 2004 (de maand van het eerste transport) tot en met 31 december 2004: € 13.492,09

Stortingen van de rekening van [medeveroordeelde] op de rekening van [veroordeelde] in de periode 20 april 2004 (datum eerste transport) tot en met 31 december 2004: €: 3211,81

Totaal € 16.703,90

Ten aanzien van ontneming van wederrechtelijk voordeel bij de partner van veroordeelde.

[Medeveroordeelde] heeft –zoals hierboven gesteld- de medeveroordeelde [veroordeelde] gelden geschonken, afkomstig uit de opbrengst van eerdergenoemde strafbare feiten.

Ook ten aanzien van de medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] heeft de officier van justitie een ontnemingsvordering ingediend.

Veroordeelde heeft met de medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] een gezamenlijke huishouding gevoerd. Gezien de nauwe verbondenheid tussen beide veroordeelden en de omstandigheid dat het wederrechtelijke voordeel in feite door de twee veroordeelden tezamen in het gemeenschappelijke huishouden is besteed, zal de rechtbank het wederrechtelijk voordeel, waar dit in feite ook ten goede is gekomen aan beide veroordeelden, aan ieder van hen voor de helft toerekenen.

De rechtbank komt tot de volgende berekening:

Totaalbedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel € 16.703,90

Bedrag dat bij de partner van [veroordeelde] ([medeveroordeelde 1]) zal worden onttrokken € 8.351,95.

Bedrag dat aan [veroordeelde] toegerekend zal worden: € 8.351,95.

4. VASTSTELLING VAN HET TE BETALEN BEDRAG

De rechtbank zal het door [veroordeelde] te betalen bedrag vaststellen op € 8.531,95

Ten aanzien van het verzoek tot matiging van de verdediging.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Veroordeelde is een vierenveertig jarige vrouw, die blijkens haar verklaring ter terechtzitting, een opleiding volgt teneinde deel te kunnen nemen aan het arbeidsproces. De verwachting van veroordeelde is dat veroordeelde deze opleiding, waarvoor zij thans 4 halve dagen in de week stage volgt en 4 halve dagen in de week school bezoekt, in april 2007 zal afronden. Deze omstandigheid geeft de rechtbank geen reden ervan uit te gaan dat veroordeelde niet in staat kan worden geacht aan haar betalingsverplichtingen te voldoen. De rechtbank ziet thans dan ook geen aanleiding het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel op deze grond te matigen.

5. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFT

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6. BESLISSING

De rechtbank komt op grond van het bovenstaande tot de volgende beslissing.

De rechtbank:

- Wijst de vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel toe.

- Stelt het door veroordeelde verkregen voordeel vast op € 8.351,95 (achtduizenddriehonderdeenenvijftig euro vijfennegentig eurocent).

Verplicht veroordeelde tot het betalen aan de Staat van € 8.351,95 (achtduizenddriehonderdeenenvijftig euro vijfennegentig eurocent ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

- Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. van der Perk, voorzitter,

mr. A.J. Dondorp en mr. P. van Steijnen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S van Lingen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 december 2006.