Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AZ7361

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
28-12-2006
Datum publicatie
31-01-2007
Zaaknummer
14.010611-04 o
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer : 14.010611-04 o

Datum uitspraak: 28 december 2006

OP TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de Rechtbank Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

wonende te [adres en woonplaats].

Raadsman: mr. B.W.J. Tijkotte.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 november 2006 en 01 december 2006.

1. DE VORDERING

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 29 augustus 2006 gesteld dat [veroordeelde] voordeel heeft verkregen door middel van of uit baten van een of meer van de hem bij de dagvaarding in de strafzaak met parketnummer 14/010611-04 ten laste gelegde feiten waarvoor veroordeling heeft plaatsgehad als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De vordering van de officier van justitie houdt voorts in dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e lid 4 van het Wetboek van Strafrecht zal vaststellen op

€ 1.350,00 en aan [veroordeelde] de verplichting zal opleggen tot betaling van dat bedrag aan de Staat.

2. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De officier van justitie heeft de procedure aanhangig gemaakt met de oproeping aan veroordeelde te verschijnen op de terechtzitting van de rechtbank op 13 november 2006.

Op die terechtzitting is de veroordeelde niet verschenen. Ook de raadsman van veroordeelde, mr. R. Mesland, is niet verschenen. Namens de verdediging is om aanhouding van de behandeling ter terechtzitting verzocht, welk verzoek is toegewezen. De voorzitter heeft als beslissing van de rechtbank meegedeeld dat het onderzoek ter terechtzitting wordt geschorst tot 1 december 2006 te 13.30 uur.

Op de terechtzitting van 1 december 2006 is de zaak op tegenspraak behandeld, in aanwezigheid van [veroordeelde] en zijn raadsman mr. B.J.W. Tijkotte, welke laatste verklaarde de zaak van zijn kantoorgenoot mr. Mesland te hebben overgenomen. De officier van justitie heeft de zaak voorgedragen.

De veroordeelde heeft ter terechtzitting onder meer –voor zover van belang- het volgende verklaard:

Ik kan mij vinden in de berekening zoals die in het proces-verbaal ontneming is gemaakt. Ik vind alleen dat de kosten die ik heb gemaakt voor de auto in mindering moeten worden gebracht op het ontnemingsbedrag. Het zou kunnen dat dit om een bedrag van minder dan € 300,- gaat. Het betreft een transport dat niet op mijn tenlastelegging is terechtgekomen.

Ten aanzien van de vordering van de officier van justitie wil ik het volgende opmerken. Het klopt dat ik een bedrag van € 1.350,- heb gekregen. De kosten waren er al van af. Het klopt ook dat ik daarnaast wel eens een kleine hoeveelheid cocaïne, zo’n 10 gram, heb gekregen voor mijn medewerking aan de drugstransporten. Het grootste deel hiervan is bij de huiszoeking bij mij thuis aangetroffen en in beslag genomen.

De officier van justitie heeft requisitoir gevoerd en daarbij aangevoerd dat zij de vordering baseert op het voordeel dat genoten is door het plegen van de strafbare feiten waarvoor veroordeelde veroordeeld is. De kosten met betrekking tot de auto houden geen direct verband met de feiten ten aanzien waarvan deze veroordeling heeft plaatsgevonden. De officier zal bij de bepaling van het wederrechtelijk genoten voordeel dan ook geen rekening houden met deze kosten. De officier van justitie zal bij de vordering ook geen rekening houden met de omstandigheid dat veroordeelde heeft verklaard wel eens in cocaïne te zijn uitbetaald, nu het overgrote deel van deze cocaïne onder verdachte in beslag genomen is en de waarde van het –betrekkelijk kleine -deel dat niet in beslag genomen is, niet exact te bepalen is. De officier van justitie handhaaft haar vordering.

De raadsman heeft verweer gevoerd, inhoudende, –kort samengevat-:

het bedrag waarop het wederrechtelijk genoten voordeel, zoals door de officier van justitie berekend, is gebaseerd, is te hoog.

3. VASTSTELLING VAN HET WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL

Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken in deze rechtbank van 20 september 2005 is veroordeelde veroordeeld tot –onder meer-

gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, met aftrek van de tijd die veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 82 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en

een taakstaf, te weten een werkstraf voor de tijd van 240 uren

wegens:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplichtigheid tot het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

en

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, en

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit baten van de ingevolge dat vonnis bewezenverklaarde strafbare feiten.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ten aanzien van de hoogte van de bruto winst ontnemingsvordering.

I. De rechtbank overweegt dat de autokosten, zoals door de veroordeelde ter terechtzitting naar voren zijn gebracht, geen betrekking hebben op een feit terzake waarvan veroordeelde is veroordeeld. De rechtbank zal deze kosten dan ook buiten beschouwing laten bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

II. In het (persoons)dossier bevinden zich met betrekking tot betalingen de volgende stukken:

p 86 D 102-8 14-05-04 € 256,90 Herz

p 88 D 102-8B 04-06-04 € 346,26 Herz

p 89 D 102-8C/D 02-08-04 € 232,80 Herz (ook D 102-7 p 79 Rabobank)

p 98 D 102-9 05/06-6-04 € 533,- DFDS Seawings (ook D 107-7 p 82 Rabobank)

p 80 D 102-7 12-09-04 € 642,80 Herz (afgeboekt van Rabobank)

p 79 D 102-7 25-08-04 € 363,- DFDS (afgeboekt Rabobank)

Stortingsbewijzen:

p 103 D 102-11 27-08-04 € 300,- (50x6)

p 104 D 102-11 22-11-04 € 500,-

p 115 D 901-1 24-09-04 € 700,- (50x14)

Benzine in het Verenigd Koninkrijk:

p 105 D 102-11 05-06-04 € 26,06

Afschrijvingen creditcards [veroordeelde]:

02-08-04 Herz Groningen € 232,80

25-08-04 DFDS Seawings € 363,-

12-09-04 Herz Groningen € 642,14

03-06-04 DFDS Seawings € 533,-

06-06-04 Herz Amsterdam € 202,29

Totaal afschrijvingen: € 1.973,23

Deze stukken leiden niet tot onderbouwing van de stelling van de raadsman dat de vordering van de officier van justitie een te hoog bedrag betreft.

III. De rechtbank overweegt tenslotte dat veroordeelde ter terechtzitting heeft verklaard dat hij een bedrag van €1.350,- heeft gekregen voor zijn medewerking aan de drugstransporten en dat bij deze betaling zijn kosten al waren voldaan. Voorts heeft veroordeelde verklaard dat hij ook nog eens een hoeveelheid cocaïne als betaling heeft ontvangen, welke hoeveelheid cocaïne grotendeels in beslag is genomen.

Alles bij elkaar beschouwd brengt het voorgaande met zich dat de rechtbank geen gronden ziet af te wijken van de vordering zoals deze door de officier van justitie is ingediend.

De rechtbank bepaalt het bedrag van het door [veroordeelde] verkregen wederrechtelijk voordeel op: € 1.350,-.

4. VASTSTELLING VAN HET TE BETALEN BEDRAG

De rechtbank zal het door [veroordeelde] te betalen bedrag vaststellen op € 1.350,-.

5. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFT

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6. BESLISSING

De rechtbank komt op grond van het bovenstaande tot de volgende beslissing.

De rechtbank:

- Stelt het door veroordeelde verkregen voordeel vast op € 1.350,- (eenduizenddriehonderdvijftig euro).

Verplicht veroordeelde tot het betalen aan de Staat van € 1.350,- (eenduizenddriehonderdvijftig euro) ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. van der Perk, voorzitter,

mr. A.J. Dondorp en mr. P. van Steijnen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S van Lingen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 december 2006.