Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AZ6017

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
21-12-2006
Datum publicatie
12-01-2007
Zaaknummer
AWB 05/3014
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verhouding Wet op de Ruimtelijke Ordening en Bestemmingsplan tot Natuurbeschermingswet.

Aan eisers is door de Minister van LNV ontheffing verleend voor het mechanisch winnen van pieren in aangewezen gebieden in het Texelse deel van de Waddenzee. Tegen de ontheffing is niet opgekomen. Verweerder heeft eisers, onder last van een dwangsom, aangeschreven hun werkzaamheden te staken en gestaakt te houden wegens strijd met de APV en het bestemmingsplan. Onder verwijzing naar parlementaire geschiedenis is de rechtbank van oordeel dat verweerder, gelet op de verhouding WRO/bestemmingsplan tot de Nbw, bevoegd is tot dat handhavend optreden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Natuurbeschermingswet
Natuurbeschermingswet 12
Natuurbeschermingswet 21
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2006/4834
JOM 2007/431
OGR-Updates.nl 1001367
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: GEMWT 05/3014

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

[eiser 1] en [eiser 2], wonende te [plaatsnaam],

[eiser 3] en [eiser 4], wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde mr. P.C.H. van Schooten, advocaat te Assen,

tegen

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente],

verweerder,

gemachtigde mr. [gemeenteambtenaar], ambtenaar der gemeente.

1. Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluiten van 13 april 2005 heeft verweerder - na daartoe een vooraankondiging te hebben verzonden - eisers aangeschreven om vóór 25 april 2005 de met het bestemmingsplan “Waddengebied” alsook de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) strijdige activiteiten, houdende het mechanisch winnen van pieren in het [geme[gemeentelijke] deel van de Waddenzee, te staken en gestaakt te houden. Verweerder heeft daarbij bepaald dat indien op of na 25 april 2005 wordt geconstateerd dat eisers in strijd handelen met de aanschrijving, zij een dwangsom verbeuren van € 15.000,00 per dag waarop een overtreding plaatsvindt, tot een maximum van € 250.000,00.

Bij bezwaarschrift van 23 mei 2006 hebben eisers tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Op 27 juli 2005 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

Bij besluit van 14 oktober 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 24 november 2005 hebben eisers beroep ingesteld tegen dit besluit.

Bij brief van 31 januari 2006 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden en een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 29 november 2006. [eiser 2], [eiser 3] en [eiser 4] zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

2. Motivering

2.1. De navolgende regelgeving is met name van belang.

Ingevolge artikel 21 van de Natuurbeschermingswet (wet van 15 november 1967, Stb. 572, in werking getreden op 1 januari 1968, zoals nadien gewijzigd, hierna: Nbw) kan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: LNV), de Natuurbeschermingsraad, burgemeester en wethouders der gemeente en gedeputeerde staten der provincie gehoord, bij beschikking een natuurmonument, dat eigendom is van de Staat, aanwijzen als staatsnatuurmonument en een zodanige aanwijzing geheel of gedeeltelijk intrekken.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Nbw (Afdeling 2 Rechtsgevolgen van de aanwijzing) is het verboden zonder vergunning van de Minister van LNV of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorwaarden handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die schadelijk zijn voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van een beschermd natuurmonument of die een beschermd natuurmonument ontsieren.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is artikel 12 van de Nbw van overeenkomstige toepassing op staatsnatuurmonumenten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 juni 1994, G10.91.0001).

Op 10 juni 1986 heeft de gemeenteraad van de gemeente [gemeente] vastgesteld het bestemmingsplan “Waddengebied”.

Ingevolge hoofdstuk I, artikel 1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften wordt in deze voorschriften verstaan onder gronden de binnen het plangebied gelegen bestemde gebieden, waaronder mede begrepen water.

Ingevolge hoofdstuk II, artikel 3, onder I omvat de bestemming Waddengebied het als zodanig op de kaart aangegeven gebied. Aan de gronden binnen de bestemming Waddengebied zijn de volgende doeleinden toegekend:

a. herstel, instandhouding en uitbouw van de aan de gronden eigen natuurlijke en landschappelijke waarden;

b. kustbescherming;

c. verkeer en vervoer;

d. visserij;

e. rekreatie;

f. winning van oppervlakte-delfstoffen;

g. verkenningsonderzoek zonder gebruikmaking van boringen naar de aanwezigheid van diepe delfstoffen, uitsluitend voor zover gelegen binnen het op moment van terinzagelegging van dit plan bestaande concessiegebieden;

h. militair gebruik binnen de daartoe op de kaart aangeduide gebieden.

In hoofdstuk II, artikel 3, onder II, van de planvoorschriften is onder meer bepaald dat met dit plan in de eerste plaats wordt beoogd het behoud en waar mogelijk het herstel van het karakter van de Waddenzee te waarborgen als een gebied met overheersende natuurlijke en landschappelijke waarden en rust waarin plaatsgebonden menselijke activiteiten voorkomen. Zo zal worden gestreefd naar de handhaving van de in het gebied aanwezige plant- en diersoorten en naar het terugdringen van de verontreiniging van water, bodem en lucht. In zijn algemeenheid zijn de andere doelstellingen ondergeschikt aan deze doelstelling. Dit geldt in het bijzonder voor grootschalige ingrepen door invloeden van buitenaf. Kleinschalige menselijke activiteiten die als gebiedseigen aangemerkt kunnen worden, kunnen zich ontwikkelen op een wijze en tot een schaal die geen onevenredige afbreuk doet aan de eigen waarden van het gebied. Dit zal met name tot uitdrukking komen in die beslissingsmomenten, waarop gemeentebesturen een belangenafweging moeten maken. Daarbij zullen wanneer een aan één van de doeleinden onder I b tot en met h beantwoordende activiteit onevenredig nadeel met zich brengt voor doeleind I a, de belangen van natuur en landschap prevaleren.

Ingevolge hoofdstuk II, artikel 3, onder III, lid A, sub 1, van de planvoorschriften is het verboden de op de kaart als Waddengebied bestemde gronden te gebruiken anders dan overeenkomstig de bestemming of tot een doel strijdig met de bestemming.

Ingevolge hoofdstuk II, artikel 3, onder III, lid A, sub 3, onder c, van de planvoorschriften wordt als strijdig gebruik als bedoeld in lid A, sub 1, in ieder geval aangemerkt het machinaal verzamelen c.q. winnen van pieren.

Ingevolge hoofdstuk III, artikel 6, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften mag afwijkend gebruik van dit plan dat bestaat ten tijde van het van kracht worden van dit bestemmingsplan worden voortgezet.

Ingevolge artikel 5.3.12, eerste lid, van de APV is het verboden in en aan zee langs de kust pieren, zagers en andere dieren die als aas voor de (sport)visserij kunnen dienen, op een andere wijze dan door middel van een eenvoudig handwerktuig, zoals een riek, te winnen.

2.2. Aan het thans voorliggende geschil is het navolgende voorafgegaan.

Bij besluiten van 24 februari 2003 heeft de Minister van LNV eisers onder voorwaarden vergunning verleend op grond van artikel 12 van de Nbw voor het mechanisch winnen van pieren in het staatsnatuurmonument Waddenzee. Deze besluiten strekken ertoe dat eisers in de periode van 24 februari 2003 tot 1 januari 2004 op het Balgzand, Breehorn, Wierbalg, Binnen Breesem, Engelsche Vaarwater en Foksdiep (hierna ook: de aangewezen nieuwe wingebieden) wadpieren kunnen winnen.

Bij besluit van 12 maart 2004 heeft de Minister van LNV het door (onder meer) verweerder tegen de besluiten van 24 februari 2003 ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is door (onder meer) verweerder bij beroepschrift van 21 april 2004 beroep ingesteld bij de Afdeling. Bij uitspraak van 2 maart 2005 heeft de Afdeling het beroep gegrond verklaard en onder meer geoordeeld dat het besluit is genomen in strijd met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn.

Bij besluiten van 25 november 2003 heeft de Minister van LNV eisers vorengenoemde vergunning voor de aangewezen nieuwe wingebieden verleend voor de periode van 1 januari 2004 tot 1 januari 2007. Tegen deze besluiten is niet opgekomen.

Bij brief van 13 april 2005 heeft verweerder de Minister van LNV dringend verzocht de besluiten van 25 november 2003 in te trekken, dan wel eisers er op te wijzen dat zij geen gebruik kunnen maken van de – vernietigde – wijziging van de wingebieden.

Bij brief van 20 april 2005 heeft LNV verweerder bericht dat de uitspraak van de Afdeling geen vernietiging van de wijziging van de wingebieden inhoudt, maar dat er strijd is met de Habitatrichtlijn. Tegen de besluiten van 25 november 2003 zijn geen rechtsmiddelen ingediend, derhalve staan die besluiten in rechte vast. Voor wat de Nbw betreft zijn eisers gerechtigd in de periode van 1 januari 2004 tot 1 januari 2007 in de nieuwe gebieden te vissen. Of zij daar voor het overige toe bevoegd zijn behoort niet tot de competentie van de Minister van LNV.

2.3. De rechtbank gaat onder meer uit van de navolgende feiten.

Eisers is door de Staat der Nederlanden een concessie verleend die het hen toestaat om in de nagenoeg geheel als staatsnatuurmonument aangewezen Waddenzee (eigendom van de Staat) mechanisch pieren te winnen.

Zoals ook blijkt uit de plantoelichting van het bestemmingsplan “Waddengebied” (hoofdstuk IV onder 4.5.4., p. 22-23) zijn er in het hele waddengebied vier pierensteekmachines actief. Drie daarvan (eisers) verrichtten tot voorkort hun werkzaamheden onder meer in het Breehorngebied binnen de gemeente Wieringen; één machine is actief binnen de grenzen van de gemeente [gemeente] en wel op de Vlakte der Kerken ([naam]).

Zoals ook aangegeven in het verweerschrift heeft verweerder in de loop van het jaar 2005 geconstateerd dat eisers als gevolg van de door de Minister van LNV verleende vergunning hun mechanische winactiviteiten hebben verplaatst naar de door de Minister van LNV aangewezen nieuwe wingebieden het Balgzand, Breehorn, Wierbalg, Binnen Breesem, Engelsche Vaarwater en Foksdiep. Deze geconstateerde overtredingen vormen de feitelijke grondslag voor voornoemde dwangsombesluiten. Gesteld noch gebleken is dat eisers win-activiteiten hebben ontplooid buiten voornoemde gebieden.

Zoals ter zitting aan de hand van een van de plankaarten behorende bij het bestemmingsplan vastgesteld, zijn de gebieden Breehorn, Wierbalg, Binnen Breesem, Engelsche Vaarwater en Foksdiep gelegen in het Texelse deel van de Waddenzee met de bestemming Waddengebied als bedoeld in voornoemde dwangsombesluiten. Balgzand wordt niet door voornoemd bestemmingsplan beslagen.

Voorts is vastgesteld dat alle voornoemde gebieden gelegen zijn op enige kilometers van de kust van [gemeente].

2.4. Mede ter afbakening van het geschil wordt vooreerst het navolgende overwogen.

Ter beoordeling staat in de eerste plaats of de APV en de planvoorschriften zich verzetten tegen het mechanisch winnen van wadpieren op het Balgzand, Breehorn, Wierbalg, Binnen Breesem, Engelsche Vaarwater en Foksdiep, zoals vergund op grond van de Nbw door de Minister van LNV.

Uit vorenstaande feiten volgt dat voor zover verweerder aan het besluit mede ten grondslag heeft gelegd dat het verbod als bedoeld in artikel 5.3.12, eerste lid, van de APV met het mechanisch winnen van pieren in voornoemde gebieden wordt overtreden, hij hierin niet kan worden gevolgd, nu dit verbod enkel geldt langs de kust van [gemeente], en voornoemde gebieden te ver weg liggen.

Uit het vorenstaande volgt dat het geschil zich toespitst op de vraag of het verbod als bedoeld in hoofdstuk II, artikel 3, onder III, lid A, sub 1 jo sub 3, van de planvoorschriften, met betrekking tot de aangewezen nieuwe wingebieden met uitzondering van Balgzand, de dwangsombesluiten kan dragen.

2.5. Eisers hebben in beroep, waarbij het in bezwaar aangevoerde is ingelast, - samengevat - het navolgende betoogd.

De Nbw bevat een uitputtende regeling, zodat mede gelet op het specialiteitsbeginsel van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht voorrang moet worden gegeven aan de specifieke wettelijke regeling die is gericht op en waarvan het bereik zich beperkt tot de daarin genoemde speciale doelen of belangen. Terzake is de Minister van LNV bevoegd en niet verweerder.

Aangezien het bestemmingsplan zich primair richt op ruimtelijk relevante activiteiten heeft dit een geheel ander doel dan de Nbw. Het gaat dan ook niet aan om de bescherming van de natuur en het natuurschoon te regelen in een bestemmingsplan als daarnaast reeds in het kader van de Nbw een grondige afweging plaatsvindt. Er dient voorts voorrang te worden gegeven aan bijzondere regelgeving boven algemene regelgeving.

Verweerder begrijpt de regelgeving in het Waddengebied verkeerd. Het aspect rust behoort tot natuurbeschermingsbelangen. In die zin wordt het belang van rust en eventuele inbreuken daarop feitelijk afgewogen in de Nbw.

Verweerder treedt in de bevoegdheid van de Minister van LNV door te stellen dat de ruimtelijke bescherming (mede) tot doel heeft het karakter van het Waddengebied als gebied met overheersende natuur- en landschapswaarde en rust te behouden. Die belangen worden in het kader van de Nbw door de Minister van LNV afgewogen.

Niet valt in te zien dat de mechanische pierenwinning zoals door eisers beoefend inbreuk maakt op recreatiebelangen. De rust wordt er niet door verstoord. Naar de redenen voor het gebruiksverbod zoals door de planwetgever geformuleerd moet worden gegist, nu deze uit de onderliggende stukken niet blijkt.

Aannemelijk is dat het tegengaan van groei van de bedrijfstak redengevend is geweest. Nu sprake is van een met de Minister van LNV overeengekomen uitsterfregeling is het onbegrijpelijk dat verweerder aan het verbod vasthoudt, te meer nu één ingezetene expliciet de ruimte krijgt om deze activiteit uit te oefenen, welke uitzondering ongemotiveerd is.

2.6.1. Aan de Memorie van Antwoord behorend bij de Nbw ontleent de rechtbank het navolgende.

“Van de noodzaak van een speciale natuurbeschermingswet naast met name de Wet op de Ruimtelijke Ordening waren de hier aan het woord zijnde leden niet ten volle overtuigd en zij achtten de argumenten, die de Regering hiervoor aanvoert, niet in alle opzichten bevredigend. Op deze en volgende opmerkingen van de leden willen de ondergetekenden antwoorden, dat zij – en dus ook de laatste ondergetekende – wel degelijk voldoende vertrouwen hebben in de mogelijkheden, die met name de Wet op de Ruimtelijke Ordening biedt. Van deze mogelijkheden zal voor het belang van de natuurbescherming dan ook evenzeer gebruik worden gemaakt als voor welk ander belang ook. Dit wil echter geenszins zeggen, dat elk belang waaraan een aspect van ruimtelijke ordening verbonden is, zoals onder meer het natuurbeschermingsbelang, geheel door de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan worden beheerst. Die wet biedt een algemeen kader, waarbinnen alle bij het gebruik van de bodem betrokken belangen tegen elkaar worden afgewogen met het oog op een goede ruimtelijke ordening. Doch naast de Wet op de Ruimtelijke Ordening blijft er alleszins behoefte bestaan aan afzonderlijke wetten, die ertoe strekken ofwel dat alle bij een bepaalde ingreep in de bodem betrokken belangen worden afgewogen (Ontgrondingenwet) ofwel dat een bepaald op het gebruik van de bodem betrokken belang in het bijzonder wordt beschermd (Boswet, Monumentenwet, Natuurbeschermingswet). In het laatste geval gaat het meestal om doeleinden van in hoofdzaak conserverende strekking (respectievelijk onder meer behoud van een minimum-bosareaal, behouden van monumenten en van stads- en dorpsgezichten, behoud van natuurschoon) die, zo ze geen bijzondere wettelijke bescherming genieten, maar al te gemakkelijk voor economisch sterkere belangen moeten wijken. Hierbij mogen twee dingen niet uit het oog worden verloren. In de eerste plaats is de (afwerend werkende) planologische bestemming geen (positief werkende) bescherming. In de tweede plaats wordt daarenboven een z.g. conserverende bestemming niet in de eigenlijke zin des woords “gerealiseerd”; het terrein blijft immers in beginsel in de oorspronkelijke toestand, zoals het daar ligt. Een bestemming tot natuurgebied is derhalve extra kwetsbaar, aangezien ze voortdurend blijft blootstaan aan de druk van een wel realiseerbare en dan ook in den regel onomkeerbare andere bestemming (bv. voor industrie) van hetzelfde terrein.

(…) Bovendien kan naar het gevoelen van de ondergetekenden tegen een afzonderlijke wet ter bijzondere bescherming van een (zwak) facetbelang te minder bezwaar worden gemaakt, naarmate in die wet de coördinatie met de andere facetten van het algemeen belang op betere wijze is verzekerd. (MvA II)

Het verheugt de ondergetekenden, dat de argumenten van hun ambtsvoorgangers, dat een natuurbeschermingswet niet overbodig is ondanks de voorzieningen van de nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening, een vrij groot aantal leden wel aanspraken. Ter beantwoording van de vraag van deze leden, hoe de verhouding in de praktijk tussen beide wettelijke regelingen wordt gedacht en aan welke in beginsel de voorrang wordt gegeven, veroorloven de ondergetekenden zich het volgende op te merken.

De Wet op de Ruimtelijke Ordening en het thans in het geding zijnde ontwerp-Natuurbeschermingswet mag men niet als het ware onder één noemer brengen in dien zin, dat hier sprake zou zijn van een algemene en een bijzondere regeling. Reeds hierom mag men in casu niet spreken van een lex specialis tegenover een lex generalis, omdat het object van beide regelingen niet hetzelfde is. Het onderhavige wetsontwerp bevat een verzorgende regeling met betrekking tot een bepaald belang: dat van de natuurbescherming. Daartoe zijn in het ontwerp onder meer zeer specifieke bepalingen opgenomen ter bescherming van gronden, die van algemeen belang zijn uit een oogpunt van natuurschoon of om hun natuurwetenschappelijke betekenis. De regeling, opgenomen in de Wet op de Ruimtelijke Ordening, daarentegen is niet een verzorgende, maar een coördinerende, en wel met betrekking tot alle belangen, die bij de bestemming van gronden in het geding kunnen zijn.

Houdt men dit verschil in object van beide regelingen in het oog dan zal het, zo menen de ondergetekenden, duidelijk zijn, dat men van een “in beginsel voorrang geven” moeilijk kan spreken. De regelingen staan naast elkaar; zij kunnen elkaar in bepaalde gevallen bovendien over en weer aanvullen. In het kader van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan bij de vaststelling van een bestemmingsplan een bepaald terrein weliswaar de bestemming van natuurgebied verkrijgen, maar daarmee is het verzorgende element als voorzien in het ontwerp-Natuurbeschermingswet niet gewaarborgd. In gevallen waarin deze grotere beveiliging wenselijk is, zal er dan ook gerede aanleiding kunnen bestaan tot toepassing van het onderhavige ontwerp, wet geworden, over te gaan. (MvA I) (…)”

2.6.2. Aan de parlementaire behandeling in relatie tot het bepaalde in artikel 12 Nbw ontleent de rechtbank het volgende.

“Deze bepaling, hoewel in beginsel tot een ieder gericht, zal in de praktijk in de eerste plaats betekenis hebben voor de eigenaar en de gebruiker van het beschermd natuurmonument, alsmede voor de eigenaren en de gebruikers van de aangrenzende gronden. (…) De ondergetekenden hebben er bewust van afgezien in de collisie met andere wettelijke voorschriften te voorzien, aangezien zulks een zeer uitvoerige regeling zou vergen, welke aan de eenvoudige opzet van het wetsontwerp afbreuk zou doen en bovendien achteraf waarschijnlijk zou blijken niet volledig te zijn. Zij achten het echter vanzelfsprekend, dat de aanwijzing als beschermd natuurmonument geen invloed zal hebben op voorschriften, die reeds tevoren ten aanzien van het betrokken terrein van toepassing waren. (…) Zo kunnen de gebods- en verbodsbepalingen, welke ter zake van beschermde natuurmonumenten zullen gelden, uiteraard niet tekortdoen aan bijvoorbeeld de uitoefening der bevoegdheden elders in onze wetgeving.”

2.7.1. De rechtbank stelt voorop dat, zoals ook blijkt uit vorenaangehaalde passages uit de parlementaire geschiedenis, natuur(beschermings)belangen ten grondslag kunnen worden gelegd aan een bestemmingsplan, zoals in dit geval aan het bestemmingsplan “Waddengebied” als doeleinde ten grondslag is gelegd het herstel, de instandhouding en uitbouw van de aan de gronden eigen en natuurlijke en landschappelijke waarden. Gelet hierop is er geen aanleiding om planvoorschriften, waaraan deze motieven ten grondslag liggen, reeds hierom wegens strijd met het bepaalde in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke ordening (WRO) buiten toepassing te laten. Ook overigens is er geen grond voor het oordeel dat de thans aan de orde zijnde voorschriften zich op zodanige terreinen aangaande natuur(beschermings)belangen begeven dat deze niet meer ruimtelijk relevant kunnen worden geacht.

Het betoog van eisers slaagt niet, gelet op hetgeen blijkt uit vorenaangehaalde passages. De Nbw biedt bijzondere bescherming naast de algemene wetgeving op grond van de WRO, waarbinnen alle bij het gebruik van de bodem betrokken belangen tegen elkaar worden afgewogen met het oog op een goede ruimtelijke ordening. Van een algemene regeling (lex generalis) tegenover een bijzondere regeling (lex specialis) is geen sprake, omdat het object van beide regelingen niet hetzelfde is. Van een voorrangsregeling is geen sprake. De door de Minister van LNV gemaakte afweging laat de afweging van de planwetgever, waarbij met het oog op een goede ruimtelijke ordening mede het herstel, de instandhouding en de uitbouw van de aan de gronden eigen natuurlijke en landschappelijke waarden in aanmerking is genomen, onverlet. Aan dit aan de gronden binnen de bestemming Waddengebied bij de vaststelling van het bestemmingsplan toegekende doeleind tezamen met de andere toegekende doeleinden, die de grondslag hebben gevormd voor het in de planvoorschriften opgenomen verbod op het machinaal verzamelen c.q. winnen van pieren, heeft verweerder derhalve kunnen vasthouden. De mogelijkheid om de gelding daarvan in deze procedure aan de orde te stellen strekt niet zover dat de desbetreffende onderdelen van het bestemmingsplan opnieuw kunnen worden onderworpen aan de bij de goedkeuring van dat plan te hanteren toetsingsmaatstaf. Hetgeen eisers ter zitting hebben betoogd aan de hand van de plantoelichting kan niet afdoen aan voornoemd gebruiksverbod. Daarbij zij opgemerkt dat het bepaalde op pagina 43 van de plantoelichting enkel ziet op aanlegvergunningen. Hetgeen eisers hebben betoogd in verband met het bepaalde op pagina 54 van de plantoelichting berust op een onjuiste lezing daarvan en kan ook overigens niet tot een ander oordeel leiden.

2.7.2. Niet in geschil is dat het in hoofdstuk III, artikel 6, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften neergelegde overgangrecht op eisers, anders dan op [naam], niet van toepassing is. Voor zover het bepaalde op pagina 41 van de plantoelichting daarmee in tegenspraak lijkt, merkt de rechtbank op dat genoemde passage kennelijk betrekking heeft op het overgangsrecht van een bestemmingsplan van de gemeente Wieringen. In die toelichting is aangegeven dat de pierensteekmachine op de Vlakte der Kerken ([naam]) zijn activiteiten kan voortzetten. Anders dan eisers hebben betoogd is de uitzondering daarmee gemotiveerd.

2.8. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder de bevoegdheid tot handhavend optreden toekomt.

2.9. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.10. Concreet uitzicht op legalisatie bestaat niet. Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden die ertoe nopen van optreden af te zien.

2.11. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 21 december 2006 door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier.

griffier, rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.