Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AZ5881

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
21-12-2006
Datum publicatie
10-01-2007
Zaaknummer
AWB 05/1791
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De behandeling van een aanvraag om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is een dienst waarvoor leges kunnen worden geheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2007/289
FutD 2007-0140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: LEGGW 05/1791

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [plaatsnaam],

eiser,

tegen

[de heffingsambtenaar van de gemeente X],

verweerder.

1. Ontstaan en loop van de zaak

Bij aanslag gedateerd 28 juli 2004 heeft verweerder van eiser een bedrag aan leges geheven van € 292,50 voor het in behandeling nemen van een aanvraag om vergunning voor het plaatsen van een fietsenberging.

Tegen deze aanslag heeft eiser bij brief van 20 augustus 2004 bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak op bezwaar van 21 juni 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft eiser beroep ingesteld bij brief van 14 juli 2005, bij de rechtbank [plaatsnaam] ingekomen op 19 juli 2005. Omdat eiser werkt bij de rechtbank [plaatsnaam] heeft de rechtbank Alkmaar de behandeling van deze zaak overgenomen.

Bij brief van 14 september 2005 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 juni 2006 heeft eiser nog een stuk ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2006, waar eiser in persoon is verschenen. Verweerder is, hoewel opgeroepen, zonder bericht niet verschenen. De rechtbank heeft daarom het onderzoek ter zitting geschorst.

De rechtbank heeft de zaak verder ter zitting behandeld op 13 september 2006, waar eiser in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door [een ambtenaar], zijn verschenen.

2. Motivering

2.1. In geschil is of verweerder bij de bestreden uitspraak op bezwaar terecht de aanslag heeft gehandhaafd waarbij van eiser een bedrag aan leges is geheven van € 292,50.

2.2. Voor de beoordeling van de zaak is de volgende regelgeving van belang.

2.2.1. Ingevolge artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

Ingevolge artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet worden in verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in artikel 229, eerste lid, onder a en b, worden geheven, de tarieven zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.

2.2.2. Ingevolge artikel 1 van de Legesverordening 2003 (hierna: de verordening) worden onder de naam leges rechten geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Ingevolge artikel 2 van de verordening worden de leges geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verleend.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de verordening worden de leges geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

2.2.3. Ingevolge artikel 2.1 van hoofdstuk K van de Tarieventabel behorende bij de Legesverordening 2003 (hierna: de tarieventabel), voor zover hier van belang, bedraagt het tarief voor het in behandeling nemen van een geregistreerde bouwaanvraag tot het verstrekken van een reguliere of lichte bouwvergunning, als bedoeld in artikel 40, eerste lid, jo artikel 44, eerste en tweede lid, van de Woningwet, 2,15% van de bouwkosten, met een minimum van € 105,-.

Ingevolge artikel 2.3 van hoofdstuk K van de tarieventabel, voor zover hier van belang, wordt het op grond van K.2.1 verschuldigde bedrag verhoogd met € 187,50 als de bouwaanvraag ten behoeve van een reguliere of een lichte bouwvergunning betrekking heeft op een bouwplan waarvoor een vergunning moet worden verleend met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).

2.3. Vaststaat dat eiser in november 2003 voor zichzelf en als gemachtigde van zijn buurman een vergunning heeft aangevraagd voor het plaatsen van een fietsenberging in hun voortuinen. De vergunning is in december 2003 geweigerd. Na bezwaar is alsnog, met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO, de gevraagde vergunning verleend.

2.3.1. Nu leges is verschuldigd voor het in behandeling nemen van een bouwaanvraag en eisers aanvraag in november 2003 in behandeling is genomen, is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval de toen geldende Legesverordening 2003 van toepassing. Dat na bezwaar een voortgezette behandeling heeft plaatsgevonden kan in dit oordeel geen verandering brengen.

2.3.2. Vaststaat dat de aanslag, gezien de adressering, alleen aan is eiser opgelegd. Alleen eiser kon dus tegen die aanslag bezwaar maken en tegen de uitspraak op bezwaar beroep instellen. Dat eiser niet ook namens zijn buurman beroep heeft ingesteld, heeft dus geen beperking van het toetsingskader tot gevolg.

2.4. De rechtbank stelt vast dat de wettelijk vereiste basis voor het heffen van leges er in dit geval is. Volgens vaste rechtspraak is de behandeling van een aanvraag om bouwvergunning een dienst waarvoor leges kunnen worden geheven. De rechtbank ziet geen reden daarover in dit geval anders te oordelen.

Dat, zoals eiser heeft betoogd, het heffen van leges in strijd is met de Woningwet en de WRO, kan de rechtbank niet volgen.

De rechtbank ziet dus geen redenen om de hier toegepaste bepaling in de verordening over het heffen van leges voor het in behandeling nemen van een aanvraag om bouwvergunning onverbindend te achten.

2.5. De vraag is of verweerder ook voor het geven van toepassing aan artikel 19, derde lid, van de WRO, oftewel voor het verlenen van vrijstelling van het geldende bestemmingsplan, zoals bedoeld in dat artikellid, leges mocht heffen. Eiser heeft met een beroep op de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 11 mei 2006, nummer 04/01653 (gepubliceerd op Rechtspraak.nl onder LJ-nummer: AX7100), gesteld dat dat niet mag.

2.5.1. Volgens de Hoge Raad (zie het arrest van 14 augustus 2004, nummer 37 836, gepubliceerd op Rechtspraak.nl onder LJ-nummer: AI0408) kunnen door of vanwege het gemeentebestuur verrichte werkzaamheden als een dienst worden aangemerkt indien het gaat om werkzaamheden die liggen buiten het gebied van de publieke taakuitoefening en rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang.

2.5.2. Artikel 19, derde lid, van de WRO geeft de mogelijkheid om in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan. Die gevallen zijn uitputtend omschreven in artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. Het gaat daarbij om bouwwerken van relatief beperkte betekenis.

Hoewel bij de besluitvorming over het verlenen van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO het algemene belang van een goede ruimtelijke ordening een rol speelt, is dat naar het oordeel van de rechtbank geen overheersende rol. Daarvoor is het beslissingskader al te zeer ingeperkt. Beslist moet worden of het individuele belang van de aanvrager in dat concrete geval voldoende zwaarwegend is om een op voorhand beperkte inbreuk op in het bestemmingsplan neergelegde voorschriften te rechtvaardigen. Deze besluitvorming onderscheidt zich volgens de rechtbank niet wezenlijk van de beoordeling of een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand - toch ook een publiek belang - bij de behandeling van een bouwvergunningaanvraag.

Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet worden gezegd dat bij de besluitvorming over de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO het rechtstreeks en vooral gaat om het dienen van het publieke belang. Die besluitvorming betreft vooral het individualiseerbare belang van de aanvrager - dat is overheersend.

2.5.3. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te oordelen dat de kosten van de besluitvorming over het toepassen van artikel 19, derde lid, van de WRO niet ten laste van eiser mochten worden gebracht. Er is dus ook geen reden om de hier toegepaste bepaling in de verordening over het heffen van leges voor het in behandeling nemen van een aanvraag om bouwvergunning onverbindend te achten.

2.6. Van ambtshalve verlening van vrijstelling en bouwvergunning is geen sprake geweest. Het gaat hier om besluiten die - alleen - worden genomen op aanvraag. Eiser kan zich dus niet beroepen op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de verordening, waarin is geregeld dat leges niet worden geheven voor stukken “welke ambtshalve ter voldoening aan wettelijke voorschriften of administratieve voorschriften moeten worden afgegeven”.

2.7. De enige eis die ingevolge artikel 229b van de Gemeentewet aan de legestarieven kan worden gesteld is dat de geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde lasten. Volgens vaste rechtspraak moet daarbij worden gekeken naar het totaal van de baten van alle rechten die zijn geregeld in de Legesverordening en ook naar het totaal van alle lasten. Gesteld noch gebleken is dat de eiser in rekening gebrachte tarieven zo bezien te hoog zijn.

2.8. Eiser heeft niet weersproken dat de verordening bekend is gemaakt en dat hij op de hoogte kon zijn van de verschuldigde leges. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder op enig moment de verwachting heeft gewekt dat er geen leges verschuldigd zouden zijn.

Eiser heeft gewezen op de verwarring die is ontstaan in verband met de aanvankelijke weigering van de gevraagde vergunning, een aanslag in verband met die weigering en een latere, onbegrijpelijke aanslag.

De aanslag van 10 maart 2004 (factuurnummer 4000287 RI), voor de aanvankelijke weigering van de vergunning, is bij brief van 28 juli 2004 vervallen verklaard. De aanslag die het beginpunt is van deze procedure is opgenomen in een afzonderlijke brief van diezelfde datum. Beide brieven laten volgens de rechtbank niets aan duidelijkheid te wensen over. Bij aanslag van 16 juni 2005 (factuurnummer 5001272 RI) is van eiser een bedrag aan leges geheven van € 187,50. Verweerder heeft verklaard dat dit een fout was die inmiddels is hersteld. Wat hiervan zij, deze fout is kort erna gevolgd door de uitspraak op bezwaar, waartegen eiser vervolgens tijdig beroep heeft ingesteld.

De rechtbank kan in deze omstandigheden al met al geen reden zien om eisers beroep gegrond te verklaren.

2.9. Eisers betoog dat verweerder hem bij de uitspraak op bezwaar ten onrechte geen vergoeding op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht heeft toegekend, kan de rechtbank niet volgen. Nu verweerder bij die uitspraak de aanslag van 28 juli 2004 niet heeft herroepen, was daarvoor geen aanleiding, gezien het bepaalde in artikel 7:15.

2.10. Gezien de overwegingen hiervoor ziet de rechtbank geen reden om te oordelen dat verweerder bij de uitspraak op bezwaar de aanslag van 28 juli 2004 niet mocht handhaven. Het beroep is daarom ongegrond.

2.11. Hoewel het beroep ongegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van zijn beroep op de eerste zitting redelijkerwijs heeft moeten maken. Verweerder is toen, hoewel hij was opgeroepen, zonder bericht en geldige reden niet verschenen. De rechtbank heeft de behandeling daarom geschorst. Het is dus aan verweerder te wijten dat eiser toen voor niets is gekomen.

Eiser heeft verzocht om verletkosten en reiskosten. Bij zijn verzoek om verletkosten heeft hij het aantal uren tijdverzuim noch de hoogte van de gederfde inkomsten gespecificeerd. De opmerking “conform Besluit proceskosten bestuursrecht 2 punten à € 644,-” is geen afdoende specificatie. De bedoelde punten en kostenberekening kunnen alleen betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is de rechtbank echter niet gebleken. Nu een specificatie van eisers verletkosten ontbreekt, kan de rechtbank die niet toekennen.

De door eiser aangegeven reiskosten heeft de rechtbank ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 berekend naar de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse, en vastgesteld op € 10,50.

2.12. De rechtbank verleent machtiging om een afschrift van deze uitspraak, na anonimisering, aan derden te verstrekken. Hoewel eiser heeft verzocht om af te zien van publicatie, is de geheimhouding van eisers persoonlijke en financiële gegevens volgens de rechtbank met anonimisering van de uitspraak voldoende beschermd.

3. Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 10,50; dit bedrag dient door de gemeente [plaatsnaam] te worden betaald aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan op 21 december 2006 door mr. M. Kraefft, voorzitter, mr. P.J. Jansen en mr. drs. W.P. van der Haak, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Jacobs, griffier.

griffier voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen partijen hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam