Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AZ5031

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
19-12-2006
Datum publicatie
21-12-2006
Zaaknummer
14/810285-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bereiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, mishandeling en belediging van (voomalig) levensgezel van verdachte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer : 14/810285-06

Datum uitspraak: 19 december 2006

OP TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1980 te Arteni (voormalige Sovjetunie, thans Republiek Armenië),

gedetineerd in PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag te Zwaag.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

5 december 2006.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank:

- de verdachte van het onder 9 tenlastegelegde zal vrijspreken;

- het onder 1,2,3,4,5,6,7,8 en 10 tenlastegelegde zal bewezen verklaren;

- de verdachte zal veroordelen tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan een

gedeelte groot 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact ook als dat inhoudt deelname aan de huiselijk geweld groep bij het centrum voor ambulante forensische psychiatrie de Waag te Amsterdam;

- de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen voor een bedrag van

€ 4550,-.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van hetgeen door de verdachte en mr. A.R. van Dolder, raadsvrouw van de verdachte, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot uitbreiding van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten, ten laste gelegd, dat

1.

hij op een tijdstip in de periode van 15 april 2006 tot en met 25 april 2006 te Alkmaar [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde partij 1] dreigend de woorden toegevoegd: "als je een ander hebt dan ga ik je doodmaken" en/of "als je een ander hebt voordat de kinderen groot zijn, dan zal je dat wel merken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 17 mei 2006 in de gemeente Alkmaar opzettelijk mishandelend een persoon genaamd [benadeelde partij 1], ((voormalig) levensgezel van verdachte) met kracht bij diens keel/hals heeft vastgepakt en/of in/tegen diens gezicht heeft geslagen,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 22 juni 2006 in de gemeente Alkmaar opzettelijk mishandelend een persoon genaamd [benadeelde partij 1], ((voormalig) levensgezel van verdachte),

een of meermalen

- met kracht tegen diens lichaam heeft geduwd, waardoor die [benadeelde partij 1]

(van de trap) is gevallen en/of

- krachtig bij haar nek/hals en/of de kraag van haar jas heeft vastgepakt en/of

- (vervolgens) die [benadeelde partij 1] (met haar rug) tegen een hard oppervlak

(ruit/wand/deur) heeft gezet waardoor zij haar hoofd stootte en/of

- met kracht in/tegen diens gezicht/hoofd en/of lichaam/buik heeft gestompt

en/of heeft geslagen,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4.

hij op of omstreeks 22 juni 2006 te Alkmaar opzettelijk mishandelend een persoon genaamd [benadeelde partij 2], een of meermalen (krachtig) met gebalde vuist in/tegen het gezicht en/of tegen de borst en/of tegen armen heeft geslagen en/of gestompt,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5.

hij op of omstreeks 22 juni 2006 te Alkmaar opzettelijk een persoon genaamd [benadeelde partij 1], in het openbaar mondeling heeft beledigd met de woorden 'je bent een hoer'

en/of 'kankerhoer', althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

6.

hij op of omstreeks 22 juni 2006 te Alkmaar [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde partij 1] dreigend de woorden toegevoegd:

"ik maak je af als je niet naar huis gaat", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

7.

hij op of omstreeks 17 oktober 2006 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 1] te bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, (tegen de verhorende verbalisanten) heeft gezegd: "als zij 't wil, kan ik haar zo vinden, waar ze ook is in Nederland" en/of "dan ga ik gewoon een keer naar haar kijken, dan ga ik haar wel in haar gezicht spugen" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of bevestigend heeft gereageerd toen hem gevraagd werd of [benadeelde partij 1] geslagen zou worden als hij haar zou vinden,

waarbij de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

8.

hij op een tijdstip in de periode van 13 maart 2004 tot en met 14 maart 2004 te Alkmaar

door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij 1], immers is verdachte tegen haar wil

- bij die [benadeelde partij 1] met zijn penis vaginaal binnengedrongen en/of

- bij die [benadeelde partij 1] met zijn penis anaal binnengedrongen

bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- (bij herhaling) aandrong om instemming met het door hem gewenste seksueel

contact (welke instemming niet volgde) en/of

- (bij herhaling) niet reageerde op herhaalde mededelingen van [benadeelde partij 1]

dat zij dat seksuele contact / die seksuele handeling niet wenste en/of

- (bij herhaling) niet reageerde op (fysiek en woordelijk) verzet van [benadeelde partij1] tegen dat seksuele contact en/of die seksuele handeling en/of

- die [benadeelde partij 1] fysiek in de door hem gewenste houding bracht en/of

- die [benadeelde partij 1] vasthield en/of vast bleef houden en/of belette zich aan

hem en zijn/die seksuele handeling(en) te onttrekken

en/of (aldus) voor die [benadeelde partij 1] een zodanige situatie is ontstaan, dat [benadeelde partij 1] zich daartegen niet kon verzetten;

9.

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 13 maart 2004 tot en met 14 maart 2004 te Alkmaar opzettelijk mishandelend een persoon genaamd [benadeelde partij 1] ((voormalig) levensgezel van verdachte) een of meermalen (met de vuist) krachtig in het gezicht heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

10.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 12 maart 2004 en/of 15 maart 2004 tot en met 15 april 2006 te Alkmaar, althans in het arrondissement Alkmaar, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij 1], in elk geval van een ander,

met het oogmerk die [benadeelde partij 1], in elk geval die ander te dwingen iets te

doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen,

immers heeft verdachte

- die [benadeelde partij 1] stelselmatig en/of regelmatig en/of bij herhaling

een of meer 'klapjes' gegeven en/of

- die [benadeelde partij 1] en/of vrienden van die [benadeelde partij 1] stelselmatig en/of

regelmatig en/of bij herhaling (verbaal) bedreigd met (zware) mishandeling

en/of met de dood en/of

- die [benadeelde partij 1] stelselmatig en/of regelmatig en/of bij herhaling

gedreigd de kinderen van haar af te pakken en/of

- die [benadeelde partij 1] stelselmatig en/of regelmatig en/of bij herhaling

telefonisch en/of per sms benaderd en/of

- stelselmatig en/of regelmatig en/of bij herhaling (ongewenst) contact met

die [benadeelde partij 1] gezocht en/of langs haar woning gereden en/of haar

opgezocht en/of

- stelselmatig en/of regelmatig en/of bij herhaling met hem gemaakte afspraken

om afstand te houden tot en/of geen contact op te nemen met die [benadeelde partij 1] geschonden en/of

- die [benadeelde partij 1] stelselmatig en/of regelmatig en/of bij herhaling

uitgescholden en/of

waarmee hij wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op

de persoonlijke levensfeer van die [benadeelde partij 1] met het oogmerk haar te dwingen met hem, verdachte, een relatie te hebben en/of te onderhouden en/of voort te zetten en/of te hervatten en/of die relatie niet te verbreken en/of contact met hem te (blijven) houden en/of zijn aanwezigheid in (haar/de) woning te dulden en/of zijn instructies op te volgen en/of aan zijn (al dan niet seksuele) behoeften ten voldoen en/of haar vrees aan te jagen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VOORVRAGEN

Partiële nietigheid van de dagvaarding

Het onder 7 ten laste gelegde vangt aan met de kwalificatieve aanduiding van het feit als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling. In de feitelijke omschrijving die op dit deel van de tenlastelegging volgt, wordt aangegeven dat de verdachte tegen de verhorende verbalisanten over [benadeelde partij 1] zou hebben gezegd “als zij ’t wil, kan ik haar zo vinden, waar ze ook is in Nederland” en “dan ga ik gewoon een keer naar haar kijken, dan ga ik haar wel in haar gezicht spugen.”, alsmede bevestigend zou hebben gereageerd toen de verdachte door de verbalisanten gevraagd werd of zij geslagen zou worden als hij haar zou vinden. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze feitelijke omschrijving niet zonder meer worden geacht een bedreiging op te leveren met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling. Gelet op deze discrepantie tussen de feitelijke omschrijving en de kwalificatieve aanduiding, is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de dagvaarding geen begrijpelijke opgave van het feit bevat. Omdat de dagvaarding derhalve niet voldoet aan de in het eerste lid van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde eis, zal de rechtbank de dagvaarding ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde feit nietig verklaren.

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding overigens geldig is.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Ten aanzien van de onder 10 ten laste gelegde belaging overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge het tweede lid van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht, vindt vervolging voor dit misdrijf niet plaats dan op klacht van hem tegen wie de belaging is begaan. De rechtbank stelt vast dat aangeefster weliswaar bij herhaling aangifte heeft gedaan van geweldshandelingen binnen haar relatie, maar dat zij geen aangifte heeft gedaan van belaging ten tijde van haar relatie en dat zij evenmin hieromtrent door de politie is gehoord. Nu het dossier aldus geen uitdrukkelijk verzoek tot vervolging als bedoeld in artikel 164 van het Wetboek van Strafvordering bevat, zal de rechtbank ten aanzien van dit feit ambtshalve een oordeel geven omtrent de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging. De rechtbank leidt uit de (gewijzigde) Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot strafbaarstelling van belaging over het klachtvereiste af dat de ratio achter het klachtvereiste bij artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht is gelegen in het persoonlijk belang van het slachtoffer om niet te worden geconfronteerd met strafvervolging, welk belang voorrang heeft boven het algemene belang van strafvervolging. (Gewijzigde Memorie van Toelichting, TK 1997-1998, 25 768, nr. 5, blz. 9). Tegen deze achtergrond komt de rechtbank tot de navolgende overweging. De rechtbank stelt voorop dat de officier van justitie uit het totaal van gedragingen waarvan in een proces-verbaal van aangifte blijkt, een keuze kan maken ten aanzien van de aard en inhoud van de (strafbare) feiten die zij bij de rechtbank wenst aan te brengen. Ten aanzien van dit totaal van gedragingen is de rechtbank op basis van de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat aangeefster bij het doen van aangifte de bedoeling had dat strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank wijst in dit verband onder meer op het gegeven dat aangeefster tevens aangifte heeft gedaan toen verdachte zich in voorlopige hechtenis bevond, en in deze aangifte ondermeer naar voren heeft gebracht niet in de zaal te willen zitten tijdens de zitting, nu zij de verdachte niet meer wil zien (proces-verbaal van aangifte met nummer PL1000/06-191406 van 11 juli 2006, blz. 101). Voorts neemt de rechtbank bij dit oordeel in aanmerking dat aangeefster zich heeft gevoegd als benadeelde partij in het strafproces en dat de vertegenwoordiger van de benadeelde partij, na overleg met aangeefster, ter zitting uitdrukkelijk heeft gereageerd op de uitbreiding van de tenlastelegging met (onder meer) het onderhavige feit. Alhoewel de officier van justitie op basis van de aangiften heeft besloten de verdachte mede te vervolgen voor belaging, en, zoals hiervoor overwogen, aangeefster hiervan geen aangifte heeft gedaan, is de rechtbank, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat ten aanzien van het onderhavige feit ondanks het ontbreken van een klacht als omschreven in het eerste lid van artikel 164 van het Wetboek van Strafvordering, kan worden aangenomen dat aangeefster uitdrukkelijk gewenst heeft dat verdachte ter zake van het uiteindelijk ten laste gelegde zou worden vervolgd.

3. VRIJSPRAAK

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 8. en 9. en 10. ten laste is gelegd.

De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. NADERE MOTIVERING

Ten aanzien van de vrijspraak van het onder 8 ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt op basis van onder meer de verklaringen van de verdachte en de verklaringen van aangeefster vast, dat verdachte ten tijde van het onderhavige feit een relatie had met [benadeelde partij 1] en dat zij in deze periode samenwoonden. Voorts leidt de rechtbank uit de stukken af dat deze relatie mede een seksueel karakter had. Verdachte verklaart ten aanzien van de aard van deze seksuele omgang met [benadeelde partij 1]: “Ik kreeg ook altijd mijn zin, als ik ging slijmen bij haar kreeg ik mijn zin. Zij vroeg mij nooit. Ik moest haar blijven versieren.” (proces-verbaal van verhoor met nummer PL1000/06-191406 van 17 oktober 2006, blz. 49) en “[voornaam] [de rechtbank begrijpt: [benadeelde partij 1] had de laatste tijd na de kinderen geen zin, maar ze maakte voor mij altijd zin. Ik kreeg iedere ochtend seks. Ze zei wel eens een keer, nee nee, maar meestal kon ik wel.” (idem, blz. 50). Aangeefster verklaart ten aanzien van het onder 8 ten laste gelegde feit onder meer dat zij naar aanleiding van de vraag van verdachte of zij met hem wilde vrijen eerst neen zei en tegenstribbelde. Zij verklaart hieromtrent onder meer: “Ik zei de hele tijd NEE en schreeuwen kon ik niet want mijn dochtertje lag nog te slapen. Ik schopte ook met mijn benen maar het hielp niet echt. Ik denk dat het voor hem toen een spel was.” (proces-verbaal van aangifte met nummer PL1000/04-131172, blz. 64). Nadat verdachte vervolgens toch vaginaal bij haar seksueel is binnengedrongen, antwoordt aangeefster op de vraag wat zij hiervan vond “Niet leuk, maar ik heb hem zijn gang laten gaan. (…) Omdat ik zat was dat gezeur van hem elke keer aan te horen. (…) Ik zei eigenlijk niets, totdat hij zelf vroeg of hij mij in zijn kont mocht neuken (idem, blz. 65). Op basis van de verklaringen ten aanzien van de aard van de (seksuele) relatie en met betrekking tot hetgeen blijkens de aangifte heeft plaats gevonden, is de rechtbank niet (voldoende) gebleken van (bedreiging met) geweld of (met) een andere feitelijkheid, waardoor aangeefster is gedwongen tot het ondergaan van voornoemd seksueel binnendringen. Mede als aanwijzing voor dit oordeel beschouwt de rechtbank de subjectieve beleving van aangeefster, nu zij stelt binnen haar relatie slechts éénmaal door verdachte te zijn verkracht, welke gebeurtenis zij bij herhaling heeft aangeduid als een “anale verkrachting”. Derhalve kan de in de tenlastelegging opgenomen vaginale verkrachting naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen. Ten aanzien van het in de tenlastelegging opgenomen verwijt dat verdachte [benadeelde partij 1] (tevens) anaal zou hebben verkracht, overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de door derden opgetekende eerdere uitlatingen van aangeefster ten aanzien van een anale verkrachting gevoegd bij de aangifte, is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat de verdachte anaal in het lichaam van [benadeelde partij 1] is binnengedrongen. De rechtbank stelt verder vast dat aangeefster ten aanzien van dit binnendringen het volgende heeft verklaard: “Hij bleef maar zeuren dat hij mij in mijn kont wilde neuken. (…) Toen ramde hij steeds harder met zijn lul in mijn vagina en opeens ging zijn lul in mijn kont (…) Ik voelde zijn lul in mijn kont gaan en dat deed heel erg zeer. (…) Ik zei niets. Ik schreeuwde van de pijn en begon te huilen. (…) Hij haalde zijn lul eruit en zei: “Sorry dat was mijn bedoeling niet.” (…) Ik stapte het bed uit en ging naar de douche om uit te huilen want het deed heel erg veel pijn (…)” (proces-verbaal van aangifte met nummer PL1000/04-131172, blz. 65). De rechtbank leidt hieruit af dat dit anale binnendringen voor een kort(stondig) moment plaats vond, waarna dit door verdachte – vermoedelijk als reactie op het huilen en schreeuwen van aangeefster – direct is beëindigd. Tegen de achtergrond van het feit dat de rechtbank van oordeel is dat ten aanzien van de vaginale gemeenschap geen sprake was van een (bedreiging met) geweld of (met) een feitelijkheid als bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht, is dit korte moment – niettegenstaande mogelijk fysiek letsel en (mede tegen deze achtergrond) de subjectieve beleving van [benadeelde partij 1] – onvoldoende om te spreken van het gedwongen ondergaan van seksueel binnendringen als bedoeld in voornoemd artikel van het Wetboek van Strafrecht. Uit het geheel van gedragingen kan derhalve niet worden afgeleid dat sprake is van een verkrachting in strafrechtelijke zin. Derhalve zal de verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 10 ten laste gelegde als volgt. Aangeefster heeft aangegeven dat zij van 25 december 2001 tot en met 14 april 2006 een relatie heeft gehad met de verdachte. Ook verdachte stelt dat hij in deze periode een relatie had met aangeefster, hetgeen hij ter terechtzitting heeft herhaald. Blijkens de stukken hebben beiden in deze periode, met uitzondering van de tijd dat de verdachte gedetineerd zat, voor het overgrote deel samen gewoond. Voorts is uit deze relatie een tweetal kinderen geboren, met wie de verdachte gedurende deze periode omgang had. Naar het oordeel van de rechtbank kan tegen de achtergrond van het bovenstaande niet worden gesproken van wederrechtelijk stelselmatig een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer in de zin van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht. Nu immers niet is gebleken, noch anderszins aannemelijk is geworden, dat voornoemde relatie door één van beiden niet werd gewenst danwel een onvrijwillig karakter had, kan het geheel van gedragingen in de onderhavige situatie naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zoals de wetgever in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht voor ogen heeft gestaan. De rechtbank wijst in dit verband op de diverse voorbeelden die in de (gewijzigde) Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat tot strafbaarstelling van belaging heeft geleid ter illustratie worden gegeven, alsmede op de aard en inhoud van de toelichting op de verschillende onderdelen van de strafbepaling. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de verdachte voor dit feit vrijspreken.

5. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

1.

hij in de periode van 15 april 2006 tot en met 25 april 2006 te Alkmaar [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde partij 1] dreigend de woorden toegevoegd: "als je een ander hebt dan ga ik je doodmaken";

2.

hij op 17 mei 2006 in de gemeente Alkmaar opzettelijk mishandelend een persoon genaamd [benadeelde partij 1], (voormalig levensgezel van verdachte) bij diens keel heeft vastgepakt en tegen diens gezicht heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

3.

hij op 22 juni 2006 in de gemeente Alkmaar opzettelijk mishandelend een persoon genaamd [benadeelde partij 1], (voormalig levensgezel van verdachte),

- met kracht tegen diens lichaam heeft geduwd, waardoor die [benadeelde partij 1]

is gevallen en

- krachtig bij de kraag van haar jas heeft vastgepakt en

- die [benadeelde partij 1] tegen een hard oppervlak (ruit/wand/deur) heeft gezet waardoor zij haar hoofd stootte en

- met kracht tegen diens hoofd en lichaam heeft gestompt en/of heeft geslagen,

waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

4.

hij op 22 juni 2006 te Alkmaar opzettelijk mishandelend een persoon genaamd [benadeelde partij 2], meermalen krachtig met gebalde vuist tegen het gezicht en tegen de borst heeft gestompt, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

5.

hij op 22 juni 2006 te Alkmaar opzettelijk een persoon genaamd [benadeelde partij 1], in het openbaar mondeling heeft beledigd met de woorden “je bent een hoer”

en “kankerhoer”;

6.

hij op 22 juni 2006 te Alkmaar [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde partij 1] dreigend de woorden toegevoegd: "ik maak je af als je niet naar huis gaat".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

6. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde

heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

7. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 en 6, telkens:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Ten aanzien van feit 2, 3 en 4, telkens:

Mishandeling.

Ten aanzien van feit 5:

Belediging.

8. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

9. MOTIVERING VAN DE STRAF

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft kort na het beëindigen van zijn relatie met [benadeelde partij 1], deze [benadeelde partij 1] mishandeld en bedreigd. Tevens heeft hij haar enige weken later bij een ontmoeting in een uitgaansgelegenheid in het openbaar beledigd, bedreigd en mishandeld. Ook de persoon met wie [benadeelde partij 1] samen was, is door verdachte hierbij mishandeld. De rechtbank acht met name het ogenschijnlijke gemak en de kennelijke achteloosheid waarmee verdachte daarbij is overgegaan tot het plegen van grof geweld zeer verontrustend. Zowel met de mishandeling als met de bedreigingen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers. Duidelijk is dat aan een groot deel van deze delicten motieven ten grondslag liggen die in de relationele sfeer moeten worden gezocht. Het is een feit van algemene bekendheid dat geweld in en rondom de relationele sfeer langdurige psychische en emotionele gevolgen kan hebben voor het slachtoffer daarvan. Ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat mede ten gevolge van de gedragingen die zijn bewezenverklaard, [benadeelde partij 1] is verhuisd naar een geheim adres in een andere stad.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- Het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 22 juni 2006, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder ter zake van geweldsdelicten tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld.

Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat een eerdere veroordeling eveneens de mishandeling van zijn toenmalige partner [benadeelde partij 1] betrof, alsmede dat verdachte ten aanzien van dat feit in een proeftijd liep.

- Het over de verdachte uitgebrachte psychologisch rapport gedateerd 12 september 2006, van B. van Giessen, en de aanvulling op dit rapport van 30 oktober 2006.

Dit rapport en deze aanvulling houden, zakelijk weergegeven, onder meer het

volgende in:

Bij betrokkene is sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van een stoornis in de

impulsbeheersing (niet nader omschreven), misbruik van alcohol en anti-sociaal gedrag. De stoornis in de impulsbeheersing en misbruik van alcohol hebben zijn gedraging ten aanzien van het ten laste gelegde onder 2 enigszins beïnvloed. Ten aanzien van dit feit wordt uw college in overweging gegeven de verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Verder kan als algemene conclusie worden gesteld dat verdachte toegeeft dat hij zijn ex-vrouw in het verleden heeft geslagen, maar zoals hij reeds eerder verklaarde in het onderzoek, gebeurde dit altijd onder invloed van alcohol. Verdachte kende de invloed van alcohol en wist dat hij door het gebruik ervan tot ontremming van zijn gedragingen kon komen. Geconcludeerd moet dan ook worden dat betrokkene voor de feiten 1, 3, 4, 5 en 6 beschouwd moet worden als toerekeningsvatbaar. Immers heeft hij zich willens en wetens (telkens) in deze situatie begeven, namelijk het gebruik van alcohol. Zowel op grond van de voorgeschiedenis (veroordelingen wegens mishandeling, bedreiging en openlijke geweldpleging) als op grond van de gediagnosticeerde stoornis in de impulscontrole, moet gesteld worden dat de kans op recidive van (soortelijke) feiten als thans ten laste gelegd, indien onbehandeld, betrekkelijk groot is. Gezien de geconstateerde impulscontrole stoornis bij verdachte, is een behandeling geïndiceerd.

- Het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport en adviesrapport gedateerd respectievelijk 22 september 2006 en 30 november 2006 van mevrouw S. van Maanen als reclasseringswerkster verbonden aan Brijder Verslavingszorg.

Voornoemd adviesrapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het

volgende in:

De verdachte wil hulpverlening voor zijn agressieve gedrag tegen zijn ex-vriendin ondergaan bij het centrum voor ambulante forensische psychiatrie De Waag in Amsterdam. Met De Waag is afgesproken dat de verdachte in aanmerking komt voor de huiselijk geweld groep. De Brijder Verslavingsreclassering is bereid om reclasseringstoezicht uit te voeren.

Met de aanbevelingen en conclusies als genoemd in bovenstaande rapporten en aanvulling kan de rechtbank zich verenigen.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat oplegging van een, deels voorwaardelijke, vrijheidsstraf geboden is.

10. BENADEELDE PARTIJ

Namens de benadeelde partij [benadeelde partij 1], heeft de gemachtigde, mr. G.A.M. van Dijk, advocaat te Alkmaar, vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 1050,- (te weten € 1000,- voorschot immateriële schade en € 50,- telefoonkosten), wegens schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Op de terechtzitting is de gemachtigde verschenen en heeft zij de vordering uitgebreid tot een bedrag van € 4550,-, bestaande uit een voorschot wegens geleden immateriële schade van € 3000,- en een voorschot wegens geleden materiële schade in de vorm van verhuiskosten van € 1500,- en € 50,- (extra gemaakte) telefoonkosten. De gemachtigde van de benadeelde partij heeft in haar toelichting op de vordering tot vergoeding van de extra gevorderde immateriële schade en de verhuiskosten gesteld dat deze uitbreiding van de vordering met name is gebaseerd op de uitbreiding van de tenlastelegging met de feiten 8 en 10.

De rechtbank komt op grond van de bij de vordering gevoegde stukken en de mondelinge toelichting ter terechtzitting tot het oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feiten, door de handeling van de verdachte, in ieder geval rechtstreekse materiële schade heeft geleden tot een in redelijkheid geschat bedrag van € 50,-.

Voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feiten, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een naar billijkheid vast te stellen bedrag van € 1000,-.

De vordering kan derhalve worden toegewezen tot een bedrag van € 1050,-.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

Wat betreft de door de benadeelde partij aanvullend gevorderde vergoeding voor immateriële schade en materiële schade in de vorm van gemaakte verhuiskosten is de rechtbank van oordeel, dat – nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 8 en 10 is ten laste gelegd – dit deel van de vordering niet van zodanig eenvoudige aard is dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding, zodat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet ontvankelijk verklaard dient te worden.

De benadeelde kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

11. SCHADEVERGOEDING ALS MAATREGEL

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feiten onder 1,2,3,5 en 6 is toegebracht aan de benadeelde.

De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.

12. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 266, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

13. BESLISSING

De rechtbank:

- Verklaart de dagvaarding nietig ten aanzien van feit 7.

- Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 8, 9 en 10 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

- Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

- Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

- Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

- Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

- Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 18 (achttien) maanden.

- Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 (twee) jaar vastgestelde proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde gedurende de op 3 (drie) jaar vastgestelde proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

- Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens Brijder Verslavingszorg, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt, ook als dit inhoudt dat de veroordeelde zal deelnemen aan een behandeling binnen de huiselijk geweldgroep bij het centrum voor ambulante forensische psychiatrie De Waag in Amsterdam.

- Verstrekt aan de genoemde instelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

- Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelde van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

- Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot het hierna te noemen bedrag.

- Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 1050 (duizend en vijftig euro) als schadevergoeding.

- Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

- Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

- Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] te betalen een som geld ten bedrage van € 1050,- , (duizend vijftig euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 21 dagen.

- Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

- Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

- Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. O.M. Harms, voorzitter,

mr. J. Westdorp en mr. E.J.M. Tuijp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schouten, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 december 2006.