Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AZ4698

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
19-12-2006
Datum publicatie
19-12-2006
Zaaknummer
06/3341 en 06/3343
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

huisvestingsvergunning terecht geweigerd vanwege gebrek aan economische binding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummers: HUISV 06/3341 en 06/3343

Uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van:

[naam],

wonende te Den Hoorn,

verzoeker/eiser, hierna te noemen eiser,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Texel,

verweerder.

1. Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 2 december 2003 heeft verweerder geweigerd eiser een huisvestingsvergunning te verlenen.

Bij besluit van 22 juni 2004 heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 augustus 2005 heeft de rechtbank het daartegen door eiser ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 juni 2004 vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit moet nemen.

Tegen deze uitspraak heeft verweerder bij brief van 14 oktober 2005 hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 24 mei 2006, in zaaknummer 200508700/1, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van het State de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, bevestigd.

Bij besluit van 4 oktober 2006 heeft verweerder eisers bezwaar tegen het besluit van 2 december 2003 opnieuw ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 9 november 2006, bij de rechtbank ingekomen op 14 november 2006, beroep ingesteld.

Ook heeft hij bij brief van 10 november 2006, aangevuld bij brief van 22 november 2006, de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 21 november 2006 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.

Op 12 december 2006 is het verzoek om voorlopige voorziening ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. [naam], ambtenaar van de gemeente.

2. Motivering

2.1. Op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Aangezien alle voor een beslissing relevante feiten en omstandigheden naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geding aan de orde zijn geweest meent de voorzieningenrechter dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter zal dan ook gebruik maken van de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Eiser heeft op 14 augustus 2003 een aanvraag om een huisvestingsvergunning ingediend voor de woning aan de [adres] te Den Hoorn, welk adres hij niet alleen voor bewoning met zijn kinderen maar ook voor de formele vestiging van zijn bedrijf, een handel in antiek en curiosa, heeft bestemd. Verweerder heeft bij besluit van 4 oktober 2006 zijn weigering de gevraagde huisvestingsvergunning te verlenen gehandhaafd, omdat eiser volgens hem niet voldoet aan de in artikel 2.4.2, eerste lid, van de Huisvestingsverordening Texel 1994 (hierna: de Verordening) opgenomen voorwaarde van economische binding aan de gemeente Texel.

2.3. Ingevolge artikel 2.3.1, eerste lid, van de Verordening is het verboden zonder een huisvestingsvergunning een woonruimte, aangewezen dan wel uitgezonderd in de artikelen 2.1.1. en 2.1.2, in gebruik te nemen voor bewoning.

Ingevolge artikel 2.3.3, eerste lid, onder a, van de Verordening verlenen burgemeester en wethouders de huisvestingsvergunning indien onder meer aan de voorwaarde wordt voldaan dat het huishouden dat de huisvestingsvergunning aanvraagt, behoort tot de ingevolge paragraaf 2.4 aangewezen categorieën van woningzoekenden die voor het verkrijgen van een huisvestingsvergunning in aanmerking komen.

Ingevolge artikel 2.4.2, eerste lid, van de Verordening moet ten minste één der volwassen leden van het huishouden maatschappelijk of economisch gebonden zijn aan de gemeente Texel, dan wel ingezetene van de gemeente Texel zijn.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder l, van de

Huisvestingswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder

economische binding aan een gebied: de binding van een persoon aan een gebied, daarin gelegen dat die persoon, met het oog op de voorziening in het bestaan, een redelijk belang heeft zich in dat gebied te vestigen, met dien verstande dat een economische binding in elk geval wordt aangenomen ten aanzien van personen die voor de voorziening in het bestaan zijn aangewezen op het duurzaam verrichten van arbeid binnen of vanuit dat gebied.

2.4. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 24 mei 2006 overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of een persoon voldoet aan de gestelde criteria van economische binding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder l, van de Huisvestingswet zal moeten worden gekeken naar de inkomstenbron of -bronnen waarover deze persoon beschikt, teneinde te kunnen beoordelen of "voor de voorziening in het bestaan aangewezen" een substantieel deel van de inkomensverwerving betreft. In de situatie van eiser was volgens de Afdeling inzicht in de aard en hoogte van zijn andere inkomsten naast de inkomsten uit onderneming noodzakelijk voor het antwoord op de vraag of de inkomsten uit zijn op Texel gevestigde en gevoerde bedrijf "substantieel" zijn in relatie tot zijn overige inkomsten. Nu verweerder hiernaar onvoldoende onderzoek had verricht, was de Afdeling van oordeel dat de beslissing op bezwaar van 22 juni 2004 diende te worden vernietigd.

2.5. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling heeft eiser verweerder desgevraagd nadere gegevens met betrekking tot de aard en omvang van zijn overige inkomsten verstrekt. Volgens verweerder laten deze gegevens zien dat eiser kan beschikken over een jaarlijkse ZKV-uitkering van een pensioenfonds ter hoogte van ongeveer

€ 43.000,00 en dat de inkomsten uit zijn bedrijf op Texel ongeveer € 9.000,00 bedragen. Dit betekent naar de mening van verweerder dat de inkomsten uit de activiteiten op Texel geen substantieel deel uitmaken van het totale inkomen van eiser en dat om die reden geen sprake is van economische binding in de zin van artikel 1, eerste lid, onder l, van de Huisvestingswet.

2.6. Eiser betoogt dat de inkomsten uit onderneming substantieel zijn in relatie tot zijn overige inkomsten. Volgens hem is met twee studerende kinderen sprake van een essentieel deel van het inkomen. Voorts voert hij aan dat de overige inkomsten op 1 juni 2007 aanzienlijk lager zullen zijn vanwege het verdwijnen van zijn tijdelijk aanvullend ouderdomspensioen, zodat ook in die situatie volgens hem een bedrag van € 9.000,00 uit zakelijke activiteiten substantieel te noemen is.

2.6.1. Gezien de door eiser verstrekte gegevens over zijn inkomen in de afgelopen drie jaar heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht geconcludeerd dat eisers inkomsten uit zijn Texelse bedrijf geen substantieel deel uitmaken van zijn totale inkomen.

De voorzieningenrechter overweegt dat eisers overige inkomsten, dat wil zeggen zijn inkomsten zonder de inkomsten uit zijn Texelse bedrijf, ruim voldoende moeten worden geacht voor de voorziening in het bestaan van eiser en zijn gezin. De inkomsten uit eisers Texelse bedrijf vormen slechts een relatief beperkte aanvulling hierop. Zo’n aanvulling kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet als een - met het oog op de voorziening in bestaan - substantieel deel van eisers totale inkomen worden gezien.

Verweerder heeft dus ook terecht geconcludeerd dat eiser niet voldoet aan de criteria voor economische binding.

Eiser heeft nog betoogd dat zijn overige inkomsten in de nabije toekomst zullen afnemen. De door eiser genoemde, verwachte afname van ongeveer € 10.000,- vindt de voorzieningenrechter niet genoeg om de inkomsten uit zijn bedrijf wel als substantieel te zien.

2.7. Eiser betoogt verder dat hij ook op andere gronden in aanmerking komt voor een huisvestingsvergunning. In dit verband voert hij aan dat hij ingezetene is van de gemeente Texel, nu hij reeds 3 jaar in het bevolkingsregister van de gemeente Texel is opgenomen en feitelijk in de gemeente hoofdverblijf heeft in een voor permanente bewoning aangewezen woonruimte. Verder voert hij aan dat hij maatschappelijk gebonden is aan de gemeente Texel, in aanmerking genomen dat zijn dochter op Texel in de examenklas 4 VMBO zit.

2.7.1. Onder ingezetene in de zin van artikel 2.4.2, eerste lid, van de Verordening wordt, ingevolge artikel 1.1. aanhef en onder n, van de Verordening, verstaan: degene die minimaal 3 jaar in het bevolkingsregister van de gemeente Texel is opgenomen en feitelijk in de gemeente hoofdverblijf heeft in een voor permanente bewoning aangewezen woonruimte.

Onder maatschappelijke binding in de zin van artikel 2.4.2, eerste lid, van de Verordening wordt, ingevolge artikel 1.1. aanhef en onder i, van de Verordening, voor zover hier van belang, verstaan de binding van een persoon aan een gebied, daarin gelegen dat die persoon een redelijk, met de plaatselijke samenleving verband houdend belang heeft zich in dat gebied te vestigen.

2.7.2. Ten tijde van de indiening van zijn aanvraag om huisvestingsvergunning in 2003 voldeed eiser, afkomstig uit Amsterdam, niet aan de in de Verordening opgenomen voorwaarde van ingezetenschap. Op 4 oktober 2006, het tijdstip waarop verweerder de beslissing op bezwaar heeft genomen, was eiser inmiddels wel drie jaar in het bevolkingsregister van de gemeente Texel ingeschreven. Dit doet er evenwel niet aan af dat gedurende die periode een met de Verordening strijdige situatie bestond, waarover verweerder eiser al in 2003, met een aanschrijving, heeft bericht dat daaraan een einde moest worden gemaakt. Vanaf dat moment heeft verweerder zich consequent op het standpunt gesteld dat bewoning van het pand aan de [adres] door eiser niet toelaatbaar is. De reden dat verweerder zijn voornemen tot handhaving niet eerder heeft uitgevoerd, was, zo blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting, alleen dat hij de uitkomst van de lopende procedures over de huisvestingsvergunning wilde afwachten.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet tot ingezetenschap in de zin van artikel 2.4.2, eerste lid, van de Verordening kan worden geconcludeerd. Evenmin ziet de voorzieningenrechter in hetgeen eiser heeft aangevoerd grond voor het oordeel dat verweerder heeft miskend dat eiser maatschappelijk gebonden is aan de gemeente Texel, nu niet is gebleken dat eiser een redelijk, met de plaatselijke samenleving verband houdend belang had dat voor hem reden is geweest zich op Texel te vestigen, zoals door artikel 2.4.2, eerste lid, van de Verordening, gelezen in samenhang met artikel 1.1. aanhef en onder i, van de Verordening, voor het aannemen van maatschappelijke binding wordt vereist.

2.8. Verweerder heeft derhalve terecht en op goede gronden zijn weigering eiser een huisvestingsvergunning te verlenen gehandhaafd.

2.9. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Bij deze beslissing ziet de voorzieningenrechter geen reden een voorlopige voorziening te treffen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter,

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 19 december 2006 door mr. M. Kraefft, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, griffier.

griffier voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat uitsluitend hoger beroep open, voor zover dit de hoofdzaak betreft. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (be-roepschrift) en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.