Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AZ4431

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
14-12-2006
Zaaknummer
14.010305-99 (O)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

De RECHTBANK van het arrondissement ALKMAAR

Parketnummer: 14.010305-99-O

Datum uitspraak: 13 december 2006.

TEGENSPRAAK

V O N N I S EX ARTIKEL 36E VAN HET WETBOEK VAN STRAFRECHT van de rechtbank Alk-maar, Meer-voudige Kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

te-gen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

wonende te [adres en woonplaats],

veroordeeld in eerste aanleg bij vonnis van deze rechtbank en kamer van 24 april 2002,

hierna te noemen [verdachte].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terecht-zitting van 15 november 2006.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, van de op de vordering betrekking hebben-de stukken (waaronder het strafdossier) en van hetgeen door [verdachte] en zijn raadsman mr. R. Kiewitt naar voren is ge-bracht.

1. DE VORDERING

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 21 oktober 2002 gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht zal vaststellen op € 35.922,91,-- en aan [verdachte] de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De vordering baseert de officier van justitie op soortgelijke feiten als het feit waarvoor hij bij vonnis van de rechtbank d.d. 24april 2002 is veroordeeld en waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.

2. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 14 november 2002. Ter terechtzitting van 14 november 2002 is het onderzoek ter terechtzitting geschorst kennelijk in afwachting van de uitkomst van het door [verdachte] in de hoofdzaak ingestelde hoger beroep.

Op 15 december 2003 bericht de officier van justitie aan [verdachte] dat, nu het hoger beroep is ingetrokken, hij met [verdachte] wil overleggen of tot een ontnemingstransactie kan worden gekomen.

Blijkens een in de stukken aangetroffen notitie gedateerd 26 augustus 2004 van de rijksaccountant Vermeulen (van het B.O.O.M.) blijkt dat men niet tot overeenstemming is gekomen met betrekking tot een schikkingsbedrag.

Bij schrijven van 29 juni 2005 wordt door de rechtbank aan de raadsman bericht dat aan de behandeling van de vordering ter terechtzitting een schriftelijke voorbereiding als bedoeld in artikel 511d, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering zal voorafgaan en dat op 11 juli 2005 een regiezitting zal plaatsvinden.

Ter terechtzitting van 11 juli 2005 heeft de raadsman verzocht een nader onderzoek te laten instellen naar de zogenoemde logfiles en/of systeem van de betreffende computer waarna het onderzoek ter terechtzitting wordt geschorst tot 14 november 2005 teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het gevraagde onderzoek te laten verrichten.

Ter terechtzitting van 14 november 2005 is het onderzoek ter terechtzitting geschorst voor onbepaalde tijd teneinde de raadsman in de gelegenheid te stellen te dupliceren.

Vervolgens werd [verdachte] opgeroepen voor de terechtzitting van 20 maart 2006.

Het onderzoek op deze zitting is geschorst wegens familieomstandigheden van één van de leden van de rechtbank.

Op de terechtzitting van 15 november 2006 is de zaak tenslotte op tegenspraak behandeld.

De raadsman heeft verweer gevoerd overeenkomstig zijn conclusie van antwoord d.d. 3 oktober 2005, zijn conclusie van dupliek d.d. 31 december 2005 en zijn ter terechtzitting van 15 november 2006 overgelegde pleitnotities. De officier van justitie heeft gepersisteerd in zijn vordering. Vervolgens is de uitspraak bepaald op 13 december 2006.

3. ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE

De raadsman van [verdachte] heeft aangevoerd dat de officier van justitie in zijn vordering niet ontvankelijk is wegens overschrijding van de redelijke termijn gezien de volgende feiten en omstandigheden:

- het proces-verbaal waarop de ontneming stoelt dateert van 21 juni 2002 en nadien zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden bekend geworden.

- het voornemen van de officier van justitie om een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in te stellen is mogelijk ter terechtzitting van 10 april 2002 al medegedeeld aan [verdachte].

- op 8 oktober 2002 is door de officier van justitie een transactievoorstel gedaan. Toen was de zaak dus kennelijk al rond.

- [verdachte] lijdt aan de zeven jaar durende onzekerheid over zijn financiële positie.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting met betrekking tot dit verweer het volgende aangevoerd:

Er is weliswaar sprake van een onwenselijk lange termijn maar dat er is geen sprake van een onredelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. In eerste instantie zou worden gewacht op een uitspraak in hoger beroep. Medio 2003 werd duidelijk dat het hoger beroep was ingetrokken. In het eerste halfjaar van 2004 hebben besprekingen plaatsgevonden met betrekking tot het afdoen middels een schikking. In het jaar 2005 is verder niets gebeurd tot de schriftelijke procedure werd aangevangen. Eind 2005 was die procedure voltooid en zou de zaak in maart 2006 ter terechtzitting inhoudelijk worden behandeld. In totaal heeft de ontnemingsprocedure ongeveer 4 jaren in beslag genomen. Het openbaar ministerie is wel ontvankelijk in de vordering. Bij de vaststelling van de hoogte van het te ontnemen bedrag zou gelet op de overschrijding van de wenselijk geachte termijn een korting van 10 à 20 % op zijn plaats zijn.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Gelet op de inhoud van het arrest van de Hoge Raad van 9 januari 2001, NJ 2001, 307, is de rechtbank van oordeel dat als aanvangsdatum voor de redelijke termijn moet worden genomen het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zou worden gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor bedoelde termijn een aanvang heeft genomen op het moment dat door de officier van justitie ter terechtzitting van 10 april 2002 mededeling van zijn voornemen tot het doen van een dergelijke vordering is gedaan.

De redelijkheid van de duur van een ontnemingszaak is afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden

a. de invloed van de betrokkene en zijn raadsman op het proces-verloop.

b. de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld;

c. de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid

d. dat de ontnemingszaak zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen twee jaar na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak nog aanhangig kan worden gemaakt.

Ter terechtzitting van 10 april 2002 heeft de officier van justitie medegedeeld dat hij voornemens was een ontnemingsvordering aanhangig te maken.

De officier van justitie heeft vervolgens de vordering aanhangig gemaakt ter terechtzitting van 14 november 2002, ruim binnen de twee jaren.

Op genoemde terechtzitting is in overleg met de verdediging de behandeling van de vordering opgeschort in afwachting van een uitspraak in de hoofdzaak in hoger beroep.

Op 15 december 2003 heeft de officier van justitie aan de veroordeelde bericht dat, nu door veroordeelde het hoger beroep is ingetrokken, er mogelijk in overleg tot een ontnemingstransactie kan worden gekomen.

Zoals hiervoor onder het hoofd LOOP VAN DE PROCEDURE is aangegeven blijkt op 26 augustus 2004 dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen met betrekking tot de afdoening van deze ontnemingsvordering middels een schikking.

De volgende zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2005. Deze zitting was een regiezitting in het kader van een schriftelijke voorbereiding van de ontnemingsprocedure.

Ter terechtzitting van 14 november 2005 is de behandeling aangehouden voor onbepaalde tijd teneinde de raadsman tot 31 december 2005 de gelegenheid te bieden tot dupliek.

Vervolgens is [verdachte] opgeroepen voor de terechtzitting van 20 maart 2006. Door omstandigheden kon op deze zitting geen inhoudelijke behandeling van de vordering plaats vinden. De inhoudelijke behandeling heeft tenslotte plaatsgevonden op 15 november 2006.

Hoewel er sinds de aankondiging van de ontnemingsvordering door de officier van justitie op 10 april 2002 en de behandeling ter terechtzitting van 15 november 2006 ruim vier jaren zijn verstreken, zijn de perioden gelegen tussen de aankondiging door het openbaar ministerie en de behandeling ter terechtzitting van 15 november 2006 ieder op zich en in totaal niet van zodanige duur, dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. De officier van justitie kan derhalve in de vordering worden ontvangen.

Wel zal de rechtbank, gelet op het gebrek aan voortvarendheid in de behandeling van deze zaak, welke het openbaar ministerie is aan te rekenen ten aanzien van het tijdvak van 26 augustus 2004 tot en met 11 juli 2005 waarin - naar de officier van justitie heeft gesteld in de repliek - "feitelijk niets meer is gebeurd", rekening houden met de door [verdachte] door het tijdsverloop opgelopen schade bij het bepalen van de hoogte van het ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen bedrag.

De rechtbank stelt voorts vast dat [verdachte] voor de terechtzit-ting van 15 november 2006 geldig is opgeroepen, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de vordering, dat het openbaar ministe-rie ook overigens ontvan-kelijk is in zijn vordering en dat er geen redenen zijn tot schorsing van de behande-ling.

4. DE GRONDEN VOOR HET GESCHATTE BEDRAG VAN HET WEDERRECHTELIJK VOORDEEL

Voor de schatting van dit voordeel baseert de officier van justitie zich

- op het eerdergenoemde vonnis van deze rechtbank d.d. 24 april 2002 waarin onder meer is bewezen dat 30 november 1999 een of meer gegevensdragers bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen waarbij personen die kennelijk de leeftijd van zestien jaar nog niet hebben bereikt zijn betrokken, in voorraad heeft gehad.

- op een proces-verbaal met bijlagen, BFR nummer 463/1999 proces-verbaal nr. PL1074/99-000013, gedateerd 21 juni 2002 en opgesteld door K. Roos, financieel deskundige/buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam bij het Bureau Financiële Recherche van de regiopolitie Noord-Holland Noord, waarin wordt aangege-ven onder meer dat het vermoe-delijk verkregen wederrech-telijk voordeel voor verdachte als volgt is samengesteld:

Resumé wederrechtelijk verkregen voordeel soortgelijke feiten in de periode van 1 januari 1999 tot en met 29 november 1999:

Website [verdachte]

LittleNudes € 8.509,60

Preteengirls € 28.162,12

Zipteens € 0,00

Totalen € 36.671,72

Wederrechtelijk verkregen voordeel

Opbrengst [verdachte]

Ten laste gelegd € 0,00

Soortgelijk € 36.671,72

Totaal € 36.671,72

Kosten € 748,81

Wederrechtelijk verkregen voordeel € 35.922,91

5. HET VERWEER

De raadsman betwist de hoogte van de vordering en heeft daartoe aan de hand van de eerder ingediende schriftelijke conclusie - onder meer - het volgende aangevoerd.

a. Aan het in voorraad hebben van bepaalde plaatjes wordt feitelijk gezien niets verdiend. Enkel en alleen de verspreiding daarvan levert een geldelijk gewin op. [verdachte] heeft de plaatjes niet verspreid, noch heeft hij deze openlijk tentoongesteld of vervaardigd, doch slechts op enig moment in bezit gehad. Er zijn in het dossier geen aanwijzingen dat [verdachte] zich met de verspreiding van kinderpornografie heeft bezig gehouden. Verspreiding is het enige waaraan verdiend kan worden.

b. Op de sites Little Nudes en Preteengirls werden ook "legale pornoplaatjes" tegen betaling getoond. Geheel ten onrechte heeft justitie de gehele opbrengst van beide sites meegenomen in haar vordering en gesteld dat deze in zijn totaliteit wederechtelijk is verkregen.

c. Ten aanzien van de zogenaamde "banners" het volgende. [verdachte] ontkent nadrukkelijk dat op zijn site banners hebben gestaan, waarbij het kennelijk ging om personen onder de 16 jaar. [verdachte] vermeldde in het geheel geen leeftijden.

De rechtbank heeft met betrekking tot dit verweer het volgende overwogen.

Door [verdachte] zijn in het strafrechtelijk onderzoek in de hoofdzaak op verschillende data tegenover politieambtenaren verklaringen afgelegd. Door verdachte werd onder meer verklaard (waarbij aangegeven de vindplaats in het dossier van het opsporingsonderzoek)

(H4-3) op 1 december 1999 :

Ik heb alleen bemoeienis met Free Teens Holland. Mijn verdiensten zijn ca fl. 7.000,--.

Het klopt dat ik op 29 september fl. 15.000,-- heb gekregen van een Luxemburgse bankrekening van [mededader1]. Die fl. 15.000,-- is vanwege kosten die ik gemaakt heb voor de servers en werkzaamheden die ik gedaan heb op de sites , dat was mijn aandeel voor FTH, PTG en Many Teens.

Die fl. 15.000,-- is voor het grootste gedeelte verkregen uit Adultsites, de rest, ongeveer fl. 3.000,-- komt uit Preteen-sites.

LN Little Nudes heeft maar kort bestaan omdat wij deze site toch te risicovol vonden. Er stonden meisjes op die mogelijk te jong waren.

Wij zouden de opbrengst van Little Nudes met z'n vieren delen. Die vier waren [mededader2], [mededader3], [mededader1] en ik.

Je kunt aan de namen van de sites meestal aflezen wat er op staat. Als er termen als Little, Virgin of Preteen worden gebruikt gaat het om kinderen beneden de leeftijd van 18 jaar.

(H4-6/7) op 2 december 1999:

Mijn broer [mededader1] heeft een rekening in Luxemburg. Op die rekening staat wel geld van mij. Ik schat dat ik ongeveer fl. 30.000,-- heb staan op de rekening van [mededader1].

Virgin Teens was met plaatjes van kinderen tussen de 16 en de 18 jaar. Deze site heeft maar 3 dagen op Internet gestaan. Op de Preteengirls-site PTG stonden af en toe plaatjes van kinderen jonger dan 16 jaar. Het onderscheid is voor mij moeilijk te maken.

De Little Nudes-site had ik samen met [mededader2], [mededader3] en [mededader1].

Virgin Teens was van mij. De inhoud stond op Little Nudes en maakte een kwart deel uit van LN

Preteengirls oftewel PTG is eind april begin mei 1999 ontstaan en tot half juni 1999 actief geweest. Ik deed alles voor die site. Op PTG kunnen plaatjes staan van kinderen beneden de leeftijd van 16 jaar, maar dat zijn alleen naturisten.

(H4-9/11) op 8 maart 2000 werd door [verdachte] verklaard:

Ik ben het met u eens dat ik een grens overschreden heb. Met name op de site Preteengirls (PTG) ben ik in de fout gegaan. Deze site heette eerst Virginteenies(VT). Ik had daar afbeeldingen op staan van meisjes onder de 18. Het waren meer naturistenplaatjes. Ik vond dat er op geposeerd werd. Die meisjes waren ongeveer 12 tot 16 jaar. Met VT ben ik half december 1998 gestopt.

Omstreeks februari 1999 installeerde ik de site preteengirls(PTG). Het was anders maar kwam aardig overeen met de site van [mededader3] "Little Virgins". Ik ben in juni 1999 gestopt met die site.

U vraagt mij naar de bedoeling van die sites. In de eerste plaats was het om geld te verdienen. Zoals ik al eerder heb verklaard deden wij eerst aan adultsites. [mededader3] en [mededader2] kwamen op het idee om naast adultsites sites te maken van meisjes tussen de 16 en 18 jaar. Later hebben we ook wel posingplaatjes op onze sites gehad, zowel die van mij als die van [mededader2] en [mededader3]. Plaatjes van jonge Aziatische meisjes waarmee geen seksuele handelingen werden verricht.

Ad a.

De hiervoor aangehaalde verklaringen van [verdachte] leveren naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanwijzingen op dat [verdachte] in de periode van 1 januari 1999 tot en met 30 november 1999 op de sites Preteengirls(PTG) en Little Nudes afbeeldingen heeft vertoond van meisjes (posing of anderszins) die de leeftijd van zestien jaar nog niet hadden bereikt. [verdachte] heeft als reden voor deze handelswijze opgegeven dat dit in de eerste plaats was om geld te verdienen.

Ten aanzien van het verweer dat het hier slechts ging om "posing" sluit de rechtbank zich in haar oordeel aan bij hetgeen daaromtrent staat vermeld in de Nota naar aanleiding van het verslag II d.d. 20 februari 1995 (bij wetsvoorstel 23682) dat

" het aannemen van een houding, gelet op de strekking van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht, onder omstandigheden kan vallen onder het begrip seksuele gedraging. Er zijn houdingen uit de afbeelding waarvan kan worden afgeleid dat het brengen van een kind in die houding schadelijk moet worden geacht".

Ad b.

De exacte aantallen ilegale plaatjes zijn niet vast te stellen. Evenwel, uitgaande van de verklaringen van [verdachte] waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat hij van mening was dat het plaatsen van "posing"- afbeeldingen van minderjarige meisjes was toegestaan, en voorts gelet op de benamingen van de sites "Little Nudes" en "Preteengirls" en de op de computer van [verdachte] aangetroffen kinderpornografische afbeeldingen, ligt de conclusie dat met enige regelmaat in de onderliggende periode niet-toegelaten afbeeldingen op de sites zijn geplaatst, alleszins voor de hand.

Potentiële klanten werden naar een site gelokt door de site te voorzien van benamingen en banners die de aanwezigheid van kinderpornografische afbeeldingen deden vermoeden. Voor de toegang tot die sites diende de klant een bepaald bedrag te betalen. Na betaling werd toegang verkregen tot de site. Op die site troffen de klanten zowel "legale" als "illegale" pornografische afbeeldingen aan. De toegangsprijs van de site was niet gekoppeld aan een bepaald aantal plaatjes met een legaal of illegaal karakter. Om die reden kan de opbrengst ook niet worden toegeschreven aan legale of illegale plaatjes. Dit risico is echter voor de exploitant van de site. Indien men dit had willen voorkomen had men sites moeten ontwerpen met uitsluitend toegestane of niet-toegestane afbeeldingen. Door op een site met mogelijk in de meerderheid toegestane pornografische afbeeldingen ook afbeeldingen te plaatsen met een kinderpornografisch karakter heeft [verdachte] bewust het risico genomen dat de opbrengst van die plaatjes niet meer te splitsen zou zijn.

Bovenal betekent het gebruik van banners met niet-toegestaan, kinderpornografisch materiaal reeds dat het voordeel is verkregen door strafbaar handelen, ongeacht de aard van de afbeeldingen die "achter" de banners zitten.

Ad c.

De rechtbank verwerpt dit verweer reeds gelet op het door verdachte met betrekking tot de banners verklaarde:

Je kunt aan de namen van de sites meestal aflezen wat er op staat. Als er termen als Little, Virgin of Preteen worden gebruikt gaat het om kinderen beneden de leeftijd van 18 jaar.

Op grond van bovenstaande overwegingen verwerpt de rechtbank het gevoerde verweer.

6. SCHATTING VAN HET WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL

[verdachte] is bij vonnis van deze rechtbank van 24 april 2002 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf wegens onder meer

- Een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, in voorraad hebben, mkeermalen gepleegd op 30 november 1999 in de gemeente Groningen.

Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat de rechtbank uit van het ambtsedig proces-verbaal met bijlagen, BFR nummer 463/1999 proces-verbaal nr. PL1074/99-000013, gedateerd 21 juni 2002 en opgesteld door K. Roos, financieel deskundige/ buitengewoon opsporingsambtenaar, werkzaam bij het Bureau Financiële Recherche van de regiopolitie Noord-Holland Noord, met betrekking tot het door [verdachte] verkregen voordeel uit soortgelijke feiten als het hiervoor genoemde feit.

Blijkens het hier voor aangehaalde proces-verbaal en de hiervoor aangehaalde verklaringen was [verdachte] betrokken bij de exploitatie van de sites met de namen Little Nudes en Preteengirls.

Betalingen van bezoekers van genoemde sites werden ontvangen door een zogenaamde internetkassa in de Verenigde Staten van Amerika, te weten Validate Inc. Aan de hand van de door dit bedrijf samengestelde overzicht "Total dollars by Website", welke in kopie bij het proces-verbaal is gevoegd, kan de bruto opbrengst van de websites worden afgelezen.

Iedere website heeft namelijk een nummer:

Little Nudes sitenummer 145492;

Preteens sitenummer 146968.

De netto opbrengsten per site staan vermeld op een overzicht welke als bijlage 4 bij het proces-verbaal is gevoegd.

Little Nudes 1999 netto $ 37.226,11

Preteens 1999 netto $ 30.799,48

Volgens de verklaring van [verdachte] werd de opbrengst van de site Little Nudes door vieren gedeeld.

In euro's levert dat de volgende opstelling op:

Opbrengst Little Nudes € 8.509,60

Opbrengst Preteengirls € 28.162,12

__________

Totaal € 36.671,72

Voor het behalen van dit wederrechtelijk voordeel zijn door [verdachte] kosten gemaakt. Hieronder vallen onder meer server kosten, registratie domeinnamen, internetkosten, afschrijving computers. De gemaakte kosten hebben betrekking op zowel de websites waarop toegestane pornografie stond als op websites waarop niet toegestane pornografie was geplaatst. De kosten zijn in evenredigheid toegerekend aan de opbrengst van de verspreiding van kinderpornografie.

Totale opbrengst € 36.671,72

Af: Kosten € 748,81

__________

Wederrechtelijk voordeel € 35.922,91

€ 35.900,--

7. GRONDEN VOOR DE VASTSTELLING VAN HET TE BETALEN BEDRAG

Ter terechtzitting heeft de raadsman met betrekking tot de draagkracht van [verdachte] het volgende aangevoerd.

Er is beslag gelegd op de zogenaamde IPA bankrekening van de broer van cliënt. Een deel van het geld op die bankrekening behoort toe aan mijn cliënt. Het saldo van die rekening - de rechtbank begrijpt: een effectenportefeuille - is in de loop van de jaren dat dit beslag nu al voortduurt, met ongeveer 30% afgenomen in verband met koersdalingen.

Dit dient gevolgen te hebben voor de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel, aldus de verdediging. Naar het oordeel van de rechtbank staat de waardeontwikkeling van de effecten los van het voordeel zoals [verdachte] dat door middel van strafbare feiten heeft verkregen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat een eventuele waardevermindering van de inbeslaggenomen effecten komt voor rekening van [verdachte].

Naar het oordeel van de rechtbank betreft het hier een executievraagstuk. Indien [verdachte] onvoldoende verhaal kan bieden via de in conservatoir beslag genomen voorwerpen, staat de mogelijkheid open om op de voet van artikel 577b Sv e.v. de executie van de maatregel aan de rechter voor te leggen.

De rechtbank zijn geen omstandigheden bekend geworden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het [verdachte] aan draagkracht ontbreekt of op langere termijn zal ontbreken voor de betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 3 is overwogen met betrekking tot de overschrijding van de in artikel 511b, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn zal de rechtbank het te betalen bedrag matigen met 20 procent en bepalen op € 28.500.

8. TOEPASSELIJKE WETTELIJK BEPALINGEN

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

9. BESLISSING

De rechtbank:

Stelt het wederrechtelijk door [verdachte] verkregen voordeel vast op € 35.900,--.

Verplicht [verdachte] tot het betalen aan de Staat van een geldbe-drag van € 28.500,-- ( achtentwintigduizend vijfhonderd euro) ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.F.B. van Zutphen, voorzitter,

mr. R.M. Steinhaus en mr. B.N. Schipper, rechters,

in tegenwoordigheid van W. Veenstra, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 december 2006.

Mr. Schipper is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.