Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AZ4201

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
12-12-2006
Zaaknummer
200573-05-5623 WG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De werkgever vordert schadevergoeding van de werknemer omdat de werknemer in strijd met de arbeidsovereenkomst een dubbele dienstbetrekking zou hebben gehad en werkgever een klant door toedoen van werknemer is kwijtgeraakt. De kantonrechter draagt de werknemer op te bewijzen dat hij reeds door de werkgever was ontslagen, doordat de voorwaarde voor het door de werkgever bij brief gegeven ontslag op staande voet was ingetreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Alkmaar

Zaaknr/rolnr.: 200573-05-5623 WG

Uitspraakdatum: 5 juli 2006

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap: [bedrijfsnaam] B.V. te Doetinchem

eisende partij

verder ook te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. W.C.J. Beekman, advocaat te Doetinchem

tegen

[Gedaagde] te Heerhugowaard

gedaagde partij

verder ook te noemen: [gedaagde]

[toev. aangevraagd]

gemachtigde: mr. J. Singh, advocaat te Hoofddorp.

Het procesverloop

[Eiser] heeft een vordering ingesteld, zoals omschreven in de dagvaarding d.d. 25 november 2005.

[Gedaagde] heeft bij antwoord verweer gevoerd.

Na beraad heeft de kantonrechter een comparitie gelast, die is gehouden op 31 maart 2006, in aanwezigheid van namens [eiser] de heer [vertegenwoordiger eiser], [gedaagde] en de gemachtigden (M. Raaijmakers verving mr. Singh).

Van deze comparitie heeft de griffier aantekeningen gehouden.

Vervolgens is gediend van repliek tevens houdende wijziging van eis en dupliek.

De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

Ten slotte is heden uitspraak bepaald.

De vordering

1. [Eiser] vordert - na wijziging van eis bij conclusie van repliek - dat de kantonrechter [gedaagde] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 13.650,00 te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

2. [Eiser] heeft aan haar vordering het volgende - kort en zakelijk samengevat - ten grondslag gelegd. [Gedaagde] is op 20 september 2004 bij [eiser] in dienst getreden als uitbener/voorman en heeft in die hoedanigheid bij [werkgever] uitbeenwerk gedaan. [Gedaagde] is na een door hem genoten vakantie vanaf 17 augustus 2005 dit werk bij dezelfde werkgever gaan doen maar dan in dienst van Protect Diensten B.V. (hierna te noemen: Protect). [Eiser] is van mening dat [gedaagde] nog steeds bij haar in dienst is als gevolg waarvan [gedaagde] handelt in strijd met artikel 8 van de arbeidsovereenkomst ingevolge waarvan het de werknemer verboden is om gedurende de dienstbetrekking een dubbele dienstbetrekking te hebben in welke vorm dan ook. [Gedaagde] handelt tevens in strijd met goed werknemerschap althans onrechtmatig. [Eiser] is immers door toedoen van [gedaagde] haar klant [werkgever] kwijtgeraakt. [Gedaagde] is daarom schadeplichtig jegens [eiser]. [Eiser] vordert de door haar gederfde winst welke naar haar mening kan worden begroot op € 13.650,00. Bij conclusie van repliek is een en ander becijferd.

Het verweer

3. [Gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal hierna bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

4. Namens [gedaagde] is in de eerste plaats kennelijk beoogd om bezwaar te maken tegen de beslissing van de kantonrechter om na de tussen partijen gehouden comparitie op 31 maart 2006 de zaak alsnog terug te verwijzen naar de rol teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om voor repliek en dupliek te concluderen. Dienaangaande overweegt de kantonrechter dat ook al zou ter comparitie jegens [gedaagde] de verwachting zijn gewekt dat de zaak direct voor vonnis zou komen te staan, dan nog is het de bevoegdheid van de kantonrechter om dienaangaande alsnog anders te beslissen, zulks ingevolge het bepaalde in artikel 132 lid 2 Rv. Dat [eiser] vervolgens bij repliek haar vordering heeft gewijzigd, maakt dit niet anders. Indien en voor zover [gedaagde] heeft willen betogen een en ander in strijd te achten met een goede procesorde kan [gedaagde] daarin niet worden gevolgd, te minder aangezien hij bij conclusie van dupliek op deze eiswijziging heeft kunnen reageren.

5. [Gedaagde] kan evenmin worden gevolgd in zijn stelling dat van een arbeidsovereenkomst geen sprake is geweest. Niet kan worden gesteld dat de rechtsverhouding tussen partijen werd bepaald door enkel een oproepcontract/voorovereenkomst voor een afroepsituatie waarop de bepalingen betreffende de arbeidsovereenkomst niet van toepassing zouden zijn. De kantonrechter vermag niet in te zien dat de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst geen gelding zou toekomen. Dat [gedaagde] de inhoud van de arbeidsovereenkomst - gelijk namens hem is betoogd - niet duidelijk zou zijn geweest omdat hij zeer gebrekkig Nederlands zou spreken acht de kantonrechter niet aangetoond en moet - indien dit wel zo zou zijn geweest - voor rekening en risico van [gedaagde] worden gelaten. Vast staat dat [gedaagde] de arbeidsovereenkomst heeft ondertekend en indien een en ander hem bij ondertekening niet voldoende duidelijk is geweest had hij de inhoud van de arbeidsovereenkomst eerst moeten (laten) verifiëren. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] hiertoe niet in staat zou zijn geweest. Van misbruik van omstandigheden is evenmin gebleken. Namens [gedaagde] zijn daartoe onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld.

6. Vervolgens rijst de vraag of het dienstverband nog bestaat dan wel - zo daar inmiddels een einde aan is gekomen - wanneer dit dienstverband als beëindigd moet worden beschouwd. Dienaangaande overweegt de kantonrechter als volgt.

7. Bij schrijven van 16 augustus 2005 is namens [eiser] aan [gedaagde] te kennen gegeven dat hij direct weer aan het werk moest gaan en dat dit zijn "laatste kans" was. Gelijk ter comparitie door [eiser] onweersproken is gesteld, heeft [gedaagde] vervolgens aanvankelijk niets van zich laten horen.

8. In het betoog van [eiser] ligt besloten dat zij toen in de veronderstelling verkeerde dat [gedaagde] voor haar weer bij [werkgever] aan het werk was gegaan, te meer omdat [werkgever] [eiser] aanvankelijk bleef informeren over de door [gedaagde] uitgevoerde werkzaamheden naar aanleiding waarvan [eiser] [werkgever] ook bleef factureren. Bij conclusie van repliek zijn door [eiser] twee facturen overgelegd welke betrekking hebben op de periode van eind augustus 2005. [Eiser] heeft bij conclusie van repliek vervolgens gesteld dat zij eind augustus door [gedaagde] is opgebeld met de mededeling dat het niet meer de bedoeling was dat [eiser] [werkgever] facturen zou sturen, aangezien [gedaagde] inmiddels bij een andere opdrachtnemer (Protect) was gaan werken. [Gedaagde] heeft dit betoog bij conclusie van dupliek onbesproken gelaten zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat namens [eiser] dienaangaande een juiste voorstelling van zaken is gegeven.

9. Anders dan [gedaagde] heeft gesteld is van een beëindiging met wederzijds goedvinden geen sprake. Niet aangetoond is dat [eiser] onder de hiervoor opgesomde omstandigheden met een dergelijke minnelijke beëindiging op enig moment daadwerkelijk heeft ingestemd, dan wel geacht zou kunnen worden daarmee genoegen te hebben genomen. Namens [gedaagde] is bij conclusie van antwoord gesteld dat [eiser] hem in de telefonische gesprekken voorafgaande aan het schrijven van 16 augustus 2005 de keus liet om aan het werk te blijven bij [eiser] dan wel voor een derde te gaan werken, doch deze mededeling kan in het licht van de daaropvolgende uitdrukkelijke waarschuwing vervat in voornoemd schrijven toch bezwaarlijk zo worden uitgelegd dat [eiser] een werkweigering niet zou opvatten als dringende reden voor ontslag, maar als een beëindiging van het dienstverband met wederzijds goedvinden. Ook nadien is van dit laatste niet gebleken.

10. Een ontslag kan ook bij voorbaat worden gegeven (bijvoorbeeld gelijk in het onderhavige geval wegens werkweigering). Voornoemd schrijven moet naar het oordeel van de kantonrechter in dit licht worden gezien. Een dergelijk ontslag gaat in op het moment waarop de werknemer weg blijft.

11. Gegeven de niet mis te verstane bewoordingen van voornoemd schrijven van 16 augustus 2005 ("laatste kans") is de kantonrechter van oordeel dat indien [gedaagde] - gelijk hij heeft gesteld - eerst op 22 augustus 2005 weer voor [werkgever] is gaan werken maar dan via Protect en in tussentijd naar ander werk heeft gezocht, dit gegeven voldoende grond is om aan te nemen dat de bij voorbaat gegeven ontslaggrond zich ook daadwerkelijk heeft gemanifesteerd en dat mitsdien aan het dienstverband op 17 augustus 2005 een einde is gekomen middels het bij voorbaat gegeven ontslag.

12. [Eiser] heeft evenwel gesteld dat [gedaagde] gewoon op 17 augustus 2005 weer bij [werkgever] heeft hervat en dat zij er vanuit is gegaan dat dat in haar opdracht geschiedde. Het bij voorbaat gegeven ontslag is dan ook in de visie van [eiser] nimmer geëffectueerd.

13. De kantonrechter zal [gedaagde] in staat stellen om bewijs bij te brengen van de juistheid van zijn stelling dat hij na 17 augustus 2005 ander werk is gaan zoeken en dat hij eerst op 22 augustus 2005 weer bij [werkgever] is gaan werken, maar dan via Protect.

14. Mocht [gedaagde] in zijn bewijsopdracht slagen, dan moet worden geoordeeld dat van een dubbele dienstbetrekking geen sprake is geweest en dat alsdan [gedaagde] evenmin heeft gehandeld in strijd met artikel 8 van de arbeidsovereenkomst. Van strijd met de eisen van goed werknemerschap dan wel onrechtmatig handelen zal alsdan evenmin sprake zijn geweest. Na het ontslag op staande voet stond het [gedaagde] immers vrij om bij Protect in dienst te treden ook al zou dat betekenen dat hij dan via een omweg wederom voor [werkgever] zou gaan werken. Alsdan zal de feitelijke grondslag aan de vordering van [eiser] ontvallen en zal de schadevordering moeten worden afgewezen.

15. Mocht na bewijslevering evenwel geconcludeerd worden dat [gedaagde] het verlangde bewijs niet heeft geleverd en indien zou moeten worden geconcludeerd dat sprake is geweest van een dubbele dienstbetrekking, dan is daarmee nog geenszins gezegd dat [eiser] om die reden de door haar gestelde schade heeft geleden en zal [eiser] haar schade moeten bewijzen.

16. Het enkele gegeven dat [gedaagde] geacht mag worden een dubbele dienstbetrekking te hebben gehad rechtvaardigt geenszins de onderhavige schadevordering.

17. [Eiser] heeft dienaangaande evenwel voorts gesteld dat zij door toedoen van [gedaagde] haar klant [werkgever] heeft verloren en dit komt, aldus [eiser], omdat [gedaagde] het dienstverband niet op correcte wijze met inachtneming van de toepasselijke opzegtermijn heeft opgezegd. [Eiser] heeft daardoor geen overleg met [werkgever] kunnen plegen en niet tijdig maatregelen kunnen treffen om te voorkomen dat zij [werkgever] als klant zou kwijtraken.

18. Tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] ligt het op de weg van [eiser] om bewijs bij te brengen van haar stelling dat zij [werkgever] door toedoen van [gedaagde] als opdrachtgever is kwijtgeraakt. Mocht een en ander na bewijslevering door [gedaagde] op het hiervoor onder rechtsoverweging 12 genoemde punt nog nodig zijn, dan zal de kantonrechter [eiser] overeenkomstig haar (algemene) bewijsaanbod daartoe in de gelegenheid stellen.

19. In afwachting van nadere bewijslevering zal iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De kantonrechter:

Laat [gedaagde] toe tot het hiervoor onder rechtsoverweging 13 genoemd bewijs.

Bepaalt, dat [gedaagde] daartoe vóór of uiterlijk op de openbare civiele terechtzitting (rolzitting) van 9 augustus 2006 kan mededelen of van die bewijsopdracht gebruik wordt gemaakt. Wanneer hij daarvoor getuigen wil doen horen, moeten op deze rolzitting tevens het aantal en de personalia van de getuigen worden opgegeven, alsmede de verhinderdata van beide partijen, de gemachtigden en - voor zover mogelijk - van de getuigen. Daarna zal een tijdstip voor het verhoor worden vastgesteld.

Uitstel wordt in beginsel niet verleend. Bij gebreke van tijdig bericht van [gedaagde] wordt er van uitgegaan dat hij geen gebruik wenst te maken van de gelegenheid tot bewijslevering.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 5 juli 2006 in het openbaar uitgesproken.

De griffier

De kantonrechter