Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AZ3759

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
20-07-2006
Datum publicatie
06-12-2006
Zaaknummer
197468 CV EXPL 05-2687 (NB)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BX6620, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkneemster is tijdens het uitoefenen van haar werkzaamheden (het reinigen van een badkamer in een bungalow) van een huishoudtrap gevallen en heeft daardoor schade geleden. Naar het oordeel van de kantonrechter is de werkgever hiervoor niet aansprakelijk, omdat zij geen specifieke instructies hoeft te geven voor het gebruik van huishoudtrappen en een werkgever evenmin hoeft te waarschuwen voor normale risico’s (het mogelijke gevaar van een gladde badkamervloer en het betreden van de daarop staande trap) die aan het dagelijks leven zijn verbonden en zich ook voordoen in veel voorkomende situaties buiten het werk.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2006, 139
JA 2007/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Den Helder

Zaaknr/rolnr.: 197468 CV EXPL 05-2687 (NB)

Uitspraakdatum: 20 juli 2006

Vonnis in de zaak van:

[Eiser]

wonende te Den Helder

eisende partij

verder ook te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. R.J. van Velzen, advocaat te Alkmaar

[toev.nr. 4EX3288]

tegen

de besloten vennootschap

Asito Den Helder B.V.

statutair gevestigd te Almelo, kantoorhoudende te Den Helder

gedaagde partij

verder ook te noemen: Asito

gemachtigde: mr. K. Weijers, advocaat te Rotterdam.

Het procesverloop

[Eiser] heeft een vordering ingesteld, zoals omschreven in de dagvaarding d.d. 30 september 2005.

Asito heeft bij antwoord verweer gevoerd.

Na beraad is gediend van repliek en dupliek.

De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

Ten slotte is heden uitspraak bepaald.

De uitgangspunten

Als niet of onvoldoende weersproken, wordt van het volgende uitgegaan.

1. [Eiser] is van 6 oktober 2003 tot en met 5 oktober 2004 als schoonmaakster in dienst geweest van Asito. Meer in het bijzonder verrichtte zij schoonmaakwerkzaamheden in het bungalowpark Ooghduijne te Julianadorp en haar werk bestond uit het samen met een collega en onder leiding van een clusterdame schoonmaken van de vakantiebungalows.

2. Op 19 maart 2004 is [eiser] gevallen tijdens het schoonmaken van de bungalow nummer 203. Zij heeft daarbij gebruik gemaakt van de in die bungalow aanwezige huishoudtrap, doch onduidelijk is gebleven of zij is gevallen terwijl zij die trap beklom of nog voordat zij op die trap stapte.

3. Tengevolge van die val heeft zij vrij ernstig letsel opgelopen en heeft zij bijna twee weken in het ziekenhuis gelegen.

4. Op 24 maart 2004 is E. Stoepker, inspecteur van de Arbeidsinspectie, een onderzoek gestart naar het ongeval. Zijn bevindingen zijn op 3 december 2004 vastgelegd in een ongevalrapport.

Het geschil

5. [Eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat Asito gehouden is te vergoeden de schade door [eiser] geleden naar aanleiding van het aan haar op 19 maart 2004 tijdens de uitoefening van haar werk voor Asito verkomen ongeval te Julianadorp/Den Helder;

II. Asito te veroordelen tot betaling aan [eiser] ten titel van voorschot van een bedrag van € 5.000,-- aan immateriële schade, alsmede van een bedrag van € 539,82 per maand vanaf 1 januari 2005;

III. Asito te veroordelen tot vergoeding van de hiervoor onder I. bedoelde schade onder aftrek van de reeds voldane voorschotten, welke schade nader zal worden opgemaakt bij staat en worden vereffend volgens de wet;

IV. Asito te veroordelen in de kosten van dit geding.

6. [Eiser] legt, zakelijk samengevat, aan haar vorderingen ten grondslag dat zij door het onder de uitgangspunten vermelde ongeval schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden, en dat Asito hiervoor aansprakelijk is omdat zij tekortgeschoten is in de nakoming van haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. [Eiser], die zich de toedracht van het ongeval niet exact kan herinneren, diende in het kader van een zogenaamde grote schoonmaak van een bungalow (onder meer) de badkamer, die tot het plafond betegeld is, te reinigen. Zij moest daartoe gebruik maken van de in de bungalow aanwezige huishoudtrap. Bij het beklimmen van de trap is ofwel de trap zelf op de gladde badkamervloer, die nat was en waarop het water zich had gemengd met diverse schoonmaakmiddelen, ofwel [eiser] op de trede, ofwel beide tegelijk, gaan glijden waardoor [eiser] hard met haar zij ter hoogte van haar longen op de badrand is gevallen. Volgens [eiser] heeft Asito haar laten werken met een ondeugdelijke huishoudtrap. In het ongevalrapport van de Arbeidsinspectie wordt weliswaar geconcludeerd dat de huishoudtrap aan alle eisen voldeed, doch [eiser] betwist dat de inspecteur dezelfde huishoudtrap heeft onderzocht als waarvan [eiser] ten tijde van het ongeval gebruik maakte. Zij wijst er voorts op dat zij na het ongeval nog ter plaatse is geweest en dat er toen een aantal gelijksoortige trappen stond met een briefje "afgekeurd" erop. Daarnaast wijst [eiser] er op dat Asito in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet heeft gehandeld door gebruik te maken van niet-gekeurde huishoudtrappen van derden. Bovendien heeft Asito geen veiligheidsinstructie over het gebruik van de huishoudtrap gegeven en ontbrak er een risico-inventarisatie, aldus [eiser].

[Eiser] stelt voorts dat het ongeval aan Asito is te wijten omdat zij de werkzaamheden onder tijdsdruk heeft moeten uitvoeren. Voor het schoonmaken van de bungalow kreeg zij viereneenhalf uur de tijd en meeruren werden niet uitbetaald. De tijdsdruk nam nog eens verder toe doordat er onverwachts gasten in de bungalow zouden komen en deze derhalve tijdig gereed diende te zijn. Hier kwam nog bij dat [eiser] reeds in de ochtend had verzocht om het schoonmaakmiddel HG aan te leveren, hetgeen pas in de middag werd gebracht, terwijl het een intrektijd van een half uur nodig heeft.

Ten gevolge van het ongeval heeft [eiser] van 19 tot en met 31 maart 2004 in het Gemini Ziekenhuis te Den Helder gelegen. Zij had haar ribben gebroken, er is veel vocht in haar longen gekomen, haar long is blijvend vergroot, er is weefsel verschoven en de ribben zijn verkeerd aangegroeid. [Eiser] acht betaling van een voorschot van € 5.000,-- ter zake van immateriële schade derhalve gerechtvaardigd. Daarnaast maakt [eiser] aanspraak op een voorschot van € 539,82 per maand vanaf 1 januari 2005 wegens verlies aan verdienvermogen. Voor de vaststelling van de overige schade vordert [eiser] verwijzing naar de schadestaatprocedure.

7. Asito heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hierop zal bij de beoordeling, voor zover van belang, worden ingegaan.

De beoordeling

8. Allereerst dient een oordeel te worden gegeven op de vraag of [eiser] heeft voldaan aan haar stelplicht om te worden ontvangen in haar vorderingen.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft zij voldoende gesteld ter onderbouwing van haar vordering met de hiervoor als "grondslag van de vordering" weergegeven stellingen. Het is voor Asito duidelijk waartegen zij zich heeft te verweren, ondanks dat [eiser], waarschijnlijk als gevolg van het ongeval dat haar is overkomen, de details daarvan niet helemaal exact meer weet.

9. Dit laat onverlet dat de echte toedracht van het ongeval niet is komen vast te staan.

Vaststaat dat [eiser] in het kader van de haar opgedragen werkzaamheden de badkamer van een vakantiebungalow aan het reinigen was en dat zij daarbij een in die bungalow aanwezige huishoudtrap diende te gebruiken. Ook staat vast dat de badkamervloer nat was, dat zij de huishoudtrap reeds in die badkamer had neergezet en dat zij vervolgens op enig moment ten val is gekomen. Wat niet is komen vast te staan en ook nimmer in deze procedure duidelijk zal kunnen worden is of [eiser] is gevallen op het moment dat zij de trap wilde betreden of vlak daarvoor en in het verlengde daarvan of zij is gevallen doordat de trap is gaan glijden al dan niet ten gevolge van de natte en/of gladde badkamervloer. In het hiernavolgende zal de kantonrechter beide situaties in het oordeel betrekken.

10. Vooropgesteld wordt dat artikel 7:658 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek niet beoogt een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen. Genoemde bepaling heeft tot strekking een zorgplicht in het leven te roepen en verplicht de werkgever voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven als redelijkerwijs nodig om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De vraag die ter beoordeling voorligt is derhalve of Asito, alle omstandigheden in aanmerking genomen, aan die op haar rustende zorgplicht heeft voldaan.

11. [Eiser] heeft aangevoerd dat de huishoudtrap die zij diende te gebruiken bij haar werk nimmer op deugdelijkheid is gecontroleerd en niet deugdelijk was. Zij heeft gesteld dat de trap die zij gebruikte niet de trap was die bij het onderzoek van de arbeidsinspectie op 24 maart 2004 is getoond en beoordeeld. Asito heeft dit gemotiveerd bestreden.

Naar het oordeel van de kantonrechter behoeft er op grond van de overgelegde stukken, waaronder het ongevalrapport van de Arbeidsinspectie en de schriftelijke verklaringen van de heren Peulen en Buijs niet aan getwijfeld te worden dat tussen 19 maart 2004 (de dag van het ongeval) en 24 maart 2004 (de dag van het onderzoek van de Arbeidsinspectie) de trap niet uit de bungalow waar [eiser] haar werkzaamheden verrichtte toen zij ten val kwam, is verwijderd. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat de door [eiser] gebruikte trap in het onderzoek is betrokken en neemt als vaststaand aan dat die trap deugdelijk was en voldeed aan de eisen die daar in redelijkheid aan mogen worden gesteld. Dat die trap niet periodiek werd gekeurd doet aan het voorgaande niet af. Ook de omstandigheid dat in mei 2005 de trap niet meer in de betreffende bungalow aanwezig was en soortgelijke trappen de kwalificatie "afgekeurd" hadden gekregen leidt niet tot een ander oordeel. Die trappen, waarvan [eiser] foto's heeft overgelegd, zijn aan te merken - en dat heeft zij zelf ook gedaan - als "doorsnee huishoudtrappen", blijkens de foto's voorzien van rubberen doppen onder aan de poten en profiel op de traptreden. [Eiser] heeft zelf aangegeven dat de door haar gebruikte trap voorzien was van een veiligheidskettinkje en dat zich in het plateau een uitsparing bevond om de trap in uitgeklapte toestand stevig te laten staan. Bovendien heeft zij gesteld dat zij de trap ook aldus had opgezet voordat zij ten val kwam.

12. Met Asito wordt geoordeeld dat het niet nodig is om specifieke instructies te geven omtrent het gebruik van de huishoudtrappen, nu hierover in redelijkheid geen enkele onduidelijkheid kan bestaan. Met name wordt geoordeeld dat Asito haar zorgplicht niet heeft geschonden doordat zij heeft nagelaten de huishoudtrappen te vervangen door middelen met een telescoopstok of doordat zij [eiser] en haar collega's niet heeft gewezen op het mogelijke gevaar van een gladde badkamervloer door een combinatie van water en schoonmaakmiddelen. In redelijkheid behoeft een werkgever niet te waarschuwen voor normale risico's die aan het dagelijks leven zijn verbonden en zich ook voordoen in veel voorkomende situaties buiten het werk. Dit laatste geldt ook voor het door [eiser] gestelde risico van de combinatie water, reinigingsmiddelen, schoenen en tijdsdruk. Dat de vloer van een badkamer die met een sopje van water en reinigingsmiddelen nat is gemaakt glad is, is een zo bekend verschijnsel dat daarvoor niet in het bijzonder behoeft te worden gewaarschuwd. Vaststaat dat [eiser] het bij die omstandigheden passende, stroeve schoeisel droeg en van onredelijke tijdsdruk is, zoals hierna nog zal worden overwogen en beslist, niet gebleken.

13. [Eiser] heeft betoogd dat Asito ook in haar zorgplicht tekort is geschoten omdat zij de werkzaamheden onder te grote tijdsdruk diende te verrichten. Ook hierin wordt zij niet gevolgd, omdat uit haar stellingen niet blijkt van het op onaanvaardbare wijze opvoeren van de druk. Dat werkzaamheden in enige mate onder tijdsdruk dienen te worden verricht is in elk geval niet onaanvaardbaar en laat de eigen verantwoordelijkheid van werknemers in gewone, niet risicovolle situaties als de onderhavige onverlet. Uit de verklaring van I. Bontes, in het geding gebracht bij conclusie van repliek, blijkt dat in dit geval er wel "enige snelheid was geboden" en meer in het algemeen dat er vooral discussie was tussen Asito en de schoonmaaksters over de beloning in relatie tot het aantal gewerkte uren. Indien de schoonmaaksters konden aantonen dat zij meer uren hadden gewerkt dan dat er uitbetaald waren, vond nabetaling plaats.

14. Voor zover [eiser] heeft gesteld dat de enkele omstandigheid dat Asito geen risico-inventarisatie had gedaan op het moment van het ongeval reeds moet leiden tot het oordeel dat zij is tekortgeschoten in haar zorgplicht wordt zij hierin niet gevolgd, alleen al omdat niet aannemelijk is dat een eventuele risico-inventarisatie als bedoeld het in dit geding bedoelde ongeval niet zou hebben kunnen voorkomen, gelet op hetgeen hiervoor onder 11 en 12 is overwogen.

15. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat Asito niet aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft gelopen tengevolge van het in dit geding bedoelde ongeval.

Derhalve behoeven de overige stellingen geen bespreking. De vorderingen worden derhalve afgewezen, met veroordeling van [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure.

De beslissing

De kantonrechter:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die tot heden voor Asito worden vastgesteld op een bedrag van € 400,00 voor salaris van de gemachtigde van Asito, waarover [eiser] geen btw verschuldigd is.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Smits, kantonrechter, en op 20 juli 2006 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier

De kantonrechter