Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AZ1643

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
18-04-2006
Datum publicatie
07-11-2006
Zaaknummer
207631 EJ VERZ 06-1164
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoekster vraagt om herziening van de beschikking waarin de kantonrechter de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden en ten laste van verzoekster vergoeding heeft toegekend. Zij voert daartoe aan dat de medewerker ten tijde van de onderhandelingen heeft verzwegen dat hij uitzicht had op een andere baan, die hij nadien ook gekregen heeft. De kantonrechter laat verzoekster toe te bewijzen dat verweerder een zodanig concreet zicht had op een nieuwe baan dat hij dit in de onderhandelingen over de ontbindingsvergoeding had behoren mee te delen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Alkmaar

Zaaknr/repnr.: 207631 EJ VERZ 06-1164

Uitspraakdatum: 18 april 2006

Beschikking in de zaak van:

de Stichting Grote Sint Laurenskerk Alkmaar

gevestigd te Alkmaar

verder te noemen: De Stichting

verzoekende partij [verder ook te noemen: de Stichting]

gemachtigde: mr. R. Muurlink, advocaat te Alkmaar

tegen

[verweerder]

wonend te Zaandam

verder te noemen: [verweerder]

verwerende partij [verder ook te noemen: [verweerder]]

gemachtigde: mr. J. de Groot, advocaat te Amstelveen

Het procesverloop

De Stichting heeft op 9 maart 2006 het verzoek ex art.390 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering gedaan strekkende tot herroeping van de ontbindingsbeschikking d.d. 24 maart 2005, rolnummer 184519 EJ VERZ 05-1573. [Verweerder] heeft verweer gevoerd. De mondelinge behandeling in deze heeft plaatsgevonden op 4 april 2006, waarbij zijn verschenen partijen - namens de Stichting de heer P. Heisterkamp - bijgestaan door hun gemachtigden. Aan de hand van pleitaantekeningen hebben beide partijen hun verzoek - respectievelijk verweerschrift nader toegelicht. Van de zitting heeft de griffier aantekeningen gehouden.

De processtukken gelden als hier ingelast.

De uitgangspunten

1. [Verweerder] heeft vanaf 15 maart 2000 als beheerder gewerkt in dienst van De Stichting.

2. Op 22 maart 2005 hebben partijen een overeenkomst bereikt met betrekking tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst en (de hoogte van) een ontbindingsvergoeding.

3. De overeenkomst is op 24 maart 2005 ontbonden, onder toekenning van een vergoeding aan [verweerder], ten laste van De Stichting, ad € 15.000,00. Daarbij werd [verweerder] vrijgesteld van werkzaamheden, de ontbinding vond plaats per 1 mei 2005.

4. Vanaf 1 april 2005 is [verweerder] elders werkzaam. Inmiddels heeft hij bij deze werkgever zijn tweede halfjaarcontract.

5. Op 20 juli 2005 heeft het UWV een brief geschreven aan de Belastingdienst Holland Noord. Daarin staat, voor zover hier relevant: 'Zoals u in de bijgaande stukken kunt lezen heeft de werkgever een vermoeden dat de heer [verweerder] tijdens de periode dat hij bij hun fulltime in dienst was, en ook ziek was, ook een dienstverband had bij een andere werkgever. Dit blijkt, volgens onze gegevens, ook zo te zijn. Omdat wij de informatie, of er een nadere werkgever bekend is, niet mogen verschaffen hebben wij deze voorgelegd bij de afdeling Fraude en opsporing van het UWV maar die kunnen ook niets doen voor deze werkgever'.

6. Op 11 januari 2006 heeft de belastingdienst/Holland-Noord/kanoot Zaandam een brief gestuurd aan de Stichting. Daarin staat, voor zover hier relevant: 'Wij hebben de brief van het UWV van 20 juli 2005, met bijlagen van uw correspondentie met het UWV, gedeponeerd in het belastingdossier van de heer [verweerder]....Wij hebben uit de brief van 20 juli niet begrepen dat u of het UWV een reactie van ons verwachtte. Uit de brief van het UWV blijkt immers dat het UWV zelf over gegevens beschikt om een mogelijke uitkeringsfraude door de heer [verweerder] aan te pakken... Ook de belastingdienst heeft een geheimhoudingsplicht tegenover u.'

Het geschil

Op 11 januari 2006 is de Stichting te weten gekomen dat [verweerder] reeds sinds 1 april 2005 een andere baan heeft. Dit, terwijl [verweerder] tijdens de onderhandelingen ter zake van de arbeidsontbinding nog op 22 maart 2005 desgevraagd meedeelde geen uitzicht te hebben op een nieuwe functie, hetgeen de hoogte van de aangeboden vergoeding aanmerkelijk heeft beïnvloed. De Stichting verzoekt nu heropening van de ontbindingsprocedure teneinde de ontbindingsbeschikking te herroepen wegens bedrog van [verweerder], op de voet van art. 390 Wetboek van Burgerlijk rechtsvordering.

[Verweerder] heeft verweer gevoerd dat, voor zover relevant, bij de beoordeling zal worden betrokken.

De beoordeling

Het eerste verweer van [verweerder] betreft de ontvankelijkheid van het verzoekschrift, vanwege het overschrijden van de termijn van drie maanden, genoemd in art. 383 RV. [Verweerder] heeft aangevoerd dat de Stichting reeds in juli 2005 wist dat [verweerder] elders was gaan werken. Hij baseert zich daarbij op de brief van UWV aan de Belastingdienst hierover d.d. 20 juli 2005, en stelt dat de Stichting deze brief ook kent. Dat laatste leidt hij af uit de brief d.d.11 januari 2006 van de UWV aan de Stichting, waarin aan deze brief wordt gerefereerd.

De Stichting, op haar beurt, stelt dat zij de in juli verzonden brief niet heeft ontvangen (en die was ook niet aan haar, maar aan de Belastingdienst gericht), en dat zij tot ontvangst van de brief d.d. 11 januari 2006 niet wist dat [verweerder] reeds op 1 april 2005 een andere betaalde baan had, doch dit slechts vermoedde.

Uit de brief d.d. 11 januari 2006 blijkt niet dat de Stichting in juli 2005 op de hoogte is gesteld van de nieuwe baan van [verweerder]. Ook de andere door [verweerder] naar voren gebrachte relevante signalen dat hij vanaf 1 april 2005 elders werkte, zoals dat [verweerder] om omzetting in een stamrecht vroeg en de UWV geen contact met de Stichting zocht, acht de kantonrechter onvoldoende om te concluderen dat de Stichting eerder dan bij brief van 11 januari 2006 met zekerheid wist dat [verweerder] per 1 april 2005 reeds in een nieuwe functie was begonnen.

Het verzoek is derhalve ontvankelijk.

Vervolgens dient te worden vastgesteld of er grond is (i.c. of er sprake is van bedrog) om de zaak te heropenen.

Volgens De Stichting is het enkele feit dat [verweerder] reeds op 1 april 2005 een andere baan had al voldoende om aan te nemen dat hij op 22 maart 2005 zich schuldig heeft gemaakt aan bedrog in de onderhandelingen over de ontbindingsvergoeding.

[Verweerder] heeft aangevoerd dat hij op 22 maart 2005 geen enkele concreet uitzicht had op de baan waar het in dit geding om gaat. Hij had al wel gesolliciteerd (via het internet), maar nog geen gesprek gehad. Bovendien kon hij de onderhandelingen over deze baan pas echt serieus gaan voeren toen hij wist hoe hoog de ontbindingsvergoeding zou zijn, omdat hij in deze baan beduidend minder zou gaan verdienen. Het is na het eerste sollicitatiegesprek op 24 maart 2005 heel snel gegaan, aldus [verweerder].

De kantonrechter volgt De Stichting niet in haar stelling dat de enkele omstandigheid dat [verweerder] reeds op 1 april 2005 een nieuwe baan had al voldoende is om aan te nemen dat hij concreet zicht op deze baan in de onderhandelingen op 22 maart 2005 opzettelijk heeft verzwegen. Die omstandigheid is weliswaar een aanwijzing, maar voor het aannemen van bedrog is nodig dat [verweerder] reëel uitzicht had op deze nieuwe baan. Dat staat - gelet op hetgeen [verweerder] daarover heeft aangevoerd - niet vast. Evenmin is de omstandigheid dat [verweerder] weinig tot geen openheid heeft gegeven over de identiteit van zijn nieuwe werkgever thans aanleiding om voorshands aan te nemen dat er sprake is van bedrog aan de zijde van [verweerder]. De Stichting wordt derhalve, overeenkomstig de hoofdregel van de bewijslastverdeling, in de gelegenheid bewijs te leveren van de door haar aangevoerde feiten.

Alvorens De Stichting tot bewijslevering wordt toegelaten dient [verweerder] een volledig exemplaar -derhalve zonder dat de tekst is weggelakt- van de arbeidsovereenkomst met zijn nieuwe werkgever in het geding te brengen.

De beslissing

De kantonrechter:

gelast [verweerder] bovengenoemde overeenkomst in het geding te brengen vóór of uiterlijk op 2 mei 2006;

laat De Stichting toe te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [verweerder] op 22 maart 2005 een zodanig concreet zicht had op een nieuwe baan dat hij dit in de onderhandelingen over de ontbindingsvergoeding had behoren mee te delen;

bepaalt dat De Stichting daartoe vóór of uiterlijk op 16 mei 2006 kan mededelen of van die bewijsopdracht gebruik wordt gemaakt. Wanneer hij/zij daarvoor getuigen wil doen horen, moeten het aantal, de personalia en de verhinderdata van betrokkenen worden opgegeven, waarna dag en uur voor het getuigenverhoor zullen worden vastgesteld.

Uitstel wordt in beginsel niet verleend.

Bij gebreke van tijdig bericht van De Stichting wordt er van uitgegaan dat zij geen gebruik wenst te maken van de gelegenheid tot bewijslevering.

Houdt verder iedere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.C. Smits, kantonrechter, en op 18 april 2006 in het openbaar in bijzijn van de griffier uitgesproken.