Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AZ1625

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
08-06-2006
Datum publicatie
07-11-2006
Zaaknummer
201771-05-1614 WG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kantonrechter ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. De kantonrechter beperkt de aan verweerder toe te kennen vergoeding omdat de beslissing in deze zaak enige tijd is uitgesteld aangezien verzoeker ermee heeft ingestemd om nog hangende deze procedure een arbeidsdeskundig onderzoek te laten plaatsvinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Den Helder

Zaaknr/repnr.: 201771-05-1614 WG

Uitspraakdatum: 8 juni 2006

Beschikking in de zaak van:

de rechtspersoon Stichting Camphillgemeenschap Maartenhuis te De Koog, gemeente Texel

verzoekende partij

verder ook te noemen: Maartenhuis

gemachtigde: mr. P. van den Berg, advocaat te Utrecht

tegen

[verweerder] te De Koog, gemeente Texel

verwerende partij

verder ook te noemen: [verweerder]

[toev. 4FL5452]

gemachtigde: mr. A.J.J. Sweens, advocaat te Den Helder.

Het procesverloop

Maartenhuis heeft op 28 december 2005 een verzoekschrift ingediend.

Daar heeft [verweerder] bij verweerschrift op gereageerd.

De mondelinge behandeling heeft in deze plaatsgevonden op 9 februari 2006, alwaar zijn verschenen namens Maartenhuis, de heren [directeur], directeur, en [leidinggevende], leidinggevende dagbesteding, en [verweerder]; partijen werden bijgestaan door hun gemachtigden.

Op de zitting hebben partijen hun verzoek- respectievelijk verweerschrift nader toegelicht, mr. Van den Berg aan de hand van pleitnotities en producties.

Na aanhouding is de mondelinge behandeling voortgezet op 18 mei 2006, alwaar zijn verschenen namens Maartenhuis, de heer [directeur], en [verweerder]; partijen werden bijgestaan door hun gemachtigden, mr. M.E. Frank-Kleijne, advocaat te Den Helder, verving mr. A.J.J. Sweens.

De inhoud van deze processtukken geldt als hier ingelast.

Vervolgens is heden uitspraak bepaald.

Het geschil en de beoordeling daarvan

1. [Verweerder], geboren op 8 december 1960, is op 7 januari 2003 bij Maartenhuis in dienst getreden als houtwerkmeester tegen een salaris van laatstelijk € 2.069,00 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag.

2. Maartenhuis heeft bij verzoekschrift van 28 december 2005 verzocht om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, zulks op de voet van artikel 7:685 BW stellende dat sprake is van gewichtige redenen in de zin van gewijzigde omstandigheden welke van dien aard zijn dat het dienstverband met [verweerder] billijkheidshalve zo spoedig mogelijk behoort te eindigen.

3. Maartenhuis heeft haar ontbindingsverzoek - kort en zakelijk samengevat - gebaseerd op het volgende. Maartenhuis is een op Texel gevestigde heilpedagogische en sociaal therapeutische gemeenschap voor verstandelijk gehandicapten. [Verweerder] is in zijn functie verantwoordelijk voor de houtbewerkingswerkplaats hetgeen in de eerste plaats bedoeld is om de verstandelijk gehandicapten een zinvolle tijdsbesteding te bieden. Het gaat om machinaal werk dat uitgevoerd wordt met gebruikmaking van elektrische machines zoals boor- en schuurmachines. Maartenhuis acht [verweerder] niet meer geschikt voor zijn functie. Hij is in toenemende mate geconfronteerd geworden met problemen in de relationele sfeer alsmede op het gebied van alcoholgebruik hetgeen zijn functioneren in ernstige mate heeft belemmerd. Thans heeft Maartenhuis het vertrouwen in [verweerder] volledig verloren en acht zij hem niet meer in staat om de verantwoordelijkheden welke gepaard gaan met het werk met verstandelijk gehandicapten, nog langer adequaat te dragen.

4. Namens [verweerder] is gemotiveerd verweer gevoerd. Primair staat [verweerder] op het standpunt dat Maartenhuis in haar verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard aangezien het ontbindingsverzoek verband houdt met het opzegverbod bij ziekte. [Verweerder] heeft dienaangaande aangevoerd dat hij sedert 26 mei 2005 arbeidsongeschikt is, dat Maartenhuis vanaf juni 2005 geen enkele reïntegratiepoging heeft ondernomen, en dat Maartenhuis ook middels een ontslagvergunning heeft getracht om het dienstverband te beëindigen, doch in dat kader nul op rekest heeft gekregen. De argumenten van Maartenhuis om thans ontbinding te verzoeken zijn niet wezenlijk anders dan hetgeen zij in de CWI-procedure heeft aangedragen. [Verweerder] betwist voorts dat hij niet meer in staat zou moeten worden geacht om zinvol terug te keren in zijn functie. [Verweerder] heeft, naar eigen zeggen, geen bijzondere problemen in de privé-sfeer die van invloed zijn op zijn dienstverband met Maartenhuis. Ook ontkent [verweerder] dat hij alcoholproblemen heeft. Hetgeen Maartenhuis aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag heeft gelegd acht [verweerder] derhalve niet toereikend. Maartenhuis hanteert naar de mening van [verweerder] ondeugdelijke argumenten en zij tracht een vertrouwensbreuk te forceren. [Verweerder] is dan ook van mening dat Maartenhuis handelt in strijd met de eisen van goed werkgeverschap. Indien niettegenstaande het vorenstaande tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt besloten acht [verweerder] een ontbindingsvergoeding conform de kantonrechtersformule op zijn plaats met inachtneming van een C-factor 2.

5. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het ontbindingsverzoek op 9 februari 2006 is de zaak aangehouden teneinde Maartenhuis - onder meer - in de gelegenheid te stellen om een arbeidskundig onderzoek te laten plaatsvinden. Dit onderzoek is uitgevoerd door Aob Compaz. Partijen hebben kennisgenomen van het terzake opgemaakte rapport en hebben daarop gereageerd. Vervolgens is de behandeling van de zaak op 18 mei 2006 voortgezet ter gelegenheid waarvan partijen bij hun hiervoor kort samengevatte standpunten hebben gepersisteerd.

6. De kantonrechter overweegt in de eerste plaats dat de kantonrechter zich op de voet van artikel 7:685 lid 1 BW ervan dient te vergewissen of het ontbindingsverzoek verband houdt met het bestaan van een opzegverbod. In artikel 7:670 lid 1 BW is bepaald dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet kan opzeggen wegens de omstandigheid dat de werknemer ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. De kantonrechter stelt vast dat [verweerder] weliswaar arbeidsongeschikt is, doch hij ziet hierin onvoldoende reden om Maartenhuis niet-ontvankelijk te achten in haar ontbindingsverzoek. Gelet op hetgeen uit de stukken is gebleken en mede in aanmerking genomen de uitgebreide toelichting ter zitting acht de kantonrechter voldoende aannemelijk geworden dat de wens van Maartenhuis om tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst te komen in een veel breder perspectief dient te worden geplaatst. De kantonrechter kan niet anders dan tot de conclusie komen dat Maartenhuis onder geen enkele voorwaarde het dienstverband met [verweerder] nog langer wenst voor te zetten en dat daarbij van doorslaggevende aard is dat het vertrouwen in het functioneren van [verweerder] - gegeven ook op de bijzondere eisen die worden gesteld aan zijn functie aangezien hij dagelijks moet werken met verstandelijk gehandicapten - is komen te ontbreken.

7. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden moet worden geconcludeerd dat sprake is van een verandering in de omstandigheden welke van dien aard is dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op korte termijn zal moeten worden ontbonden.

8. De kantonrechter zal de ontbindingsdatum vaststellen op 1 juli 2006.

9. Vervolgens is aan de orde de beantwoording van de vraag of en zo ja welke vergoeding aan [verweerder] valt toe te kennen. In dit verband overweegt de kantonrechter als volgt.

10. De kantonrechter stelt voorop dat in de onderhavige procedure niet met voldoende zekerheid kan worden beoordeeld wat er nu feitelijk waar is van de verwijten die door Maartenhuis aan het adres van [verweerder] zijn geuit. In zijn algemeenheid valt dit binnen de risicosfeer van Maartenhuis. Enerzijds moet aan [verweerder] worden toegegeven dat de verwijten door of namens Maartenhuis niet of nauwelijks met concrete informatie zijn onderbouwd, anderzijds valt in dit kader evenwel ook begrip ervoor op te brengen dat Maartenhuis daarin terughoudend heeft willen opereren. Dat een en ander volstrekt uit de duim zou zijn gezogen teneinde - gelijk namens [verweerder] is betoogd - een ontbinding te forceren acht de kantonrechter evenwel niet geloofwaardig. Dat de resultaten van het uitgevoerde arbeidskundig onderzoek niet de gevolgtrekking rechtvaardigen dat [verweerder] vanuit een arbeidskundig perspectief ongeschikt zou moeten worden geacht voor de functie, maakt dit niet anders.

11. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden zal de kantonrechter aan de ontbinding een beperkte vergoeding toekennen van € 1.000,00 bruto. Daarbij heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat de beslissing in deze zaak enige tijd is uitgesteld aangezien Maartenhuis ermee heeft ingestemd om nog hangende deze procedure een arbeidskundig onderzoek te laten plaatsvinden. De kantonrechter ziet geen reden om het daarmee gemoeide tijdsverloop uitsluitend voor rekening van Maartenhuis te brengen.

12. De kantonrechter zal Maartenhuis op de voet van artikel 7:685 lid 9 BW de gelegenheid bieden om haar ontbindingsverzoek binnen de hierna genoemde termijn in te trekken.

13. Er zijn termen aanwezig de proceskosten tussen partijen te compenseren. Ingeval Maartenhuis evenwel haar verzoek intrekt, zal zij de proceskosten van [verweerder] dienen te dragen.

De beslissing

De kantonrechter:

Bepaalt dat de termijn, waarbinnen Maartenhuis haar verzoek zal kunnen intrekken [i.c. door middel van een schriftelijke mededeling (eventueel bij faxbericht) aan de griffier en in afschrift aan de (gemachtigde van de) wederpartij], zal lopen tot en met 30 juni 2006.

Voor het geval Maartenhuis haar verzoek niet binnen die termijn zal hebben ingetrokken:

Ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2006.

Kent aan [verweerder] ten laste van Maartenhuis een vergoeding toe van € 1.000,00 bruto.

Bepaalt dat beide partijen de eigen kosten dragen.

Wijst het meer of anders verzochte af.

Voor het geval Maartenhuis haar verzoek binnen die termijn zal hebben ingetrokken:

Veroordeelt Maartenhuis in de proceskosten, die aan de zijde van [verweerder] worden vastgesteld op € 600,00 voor salaris gemachtigde, waarover Maartenhuis geen BTW verschuldigd is en welk bedrag op de voet van artikel 243 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de griffier betaald dient te worden na toezending van de daarvoor bestemde acceptgiro.

Deze beschikking is gegeven door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 8 juni 2006 in het openbaar uitgesproken.

De griffier

De kantonrechter