Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AZ1122

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
24-10-2006
Datum publicatie
30-10-2006
Zaaknummer
14.018037-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van het verspreiden, openlijk ten toon stellen en in voorraad hebben van een gegevensdrager bevattende afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van 16 jaar en/of 18 jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer : 14.018037-03

Datum uitspraak: 24 oktober 2006

OP TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de Rechtbank Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

de vennootschap onder firma [verdachte],

gevestigd te [adres en woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 februari 2005 en 10 oktober 2006 en met inachtneming van hetgeen is overwogen in het interlocutoir vonnis van 17 februari 2005.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de gewijzigde vordering van de officier van justitie van 10 oktober 2006, die er thans toe strekt dat de rechtbank:

• de tenlastegelegde feiten 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen zal verklaren;

• de verdachte schuldig zal verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.

Voorts heeft de officier van justitie een ontnemingsvordering aangekondigd.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en mr. H. Teunisse, raadsman van de verdachte, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, ten laste gelegd, dat

1.

zij in de periode van 8 februari 2000 tot en met 30 september 2002 in de gemeente Den Helder en/of in de gemeente Uitgeest, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het verspreiden en/of openlijk ten toon stellen en/of vervaardigen en/of

invoeren en/of doorvoeren en/of uitvoeren en/of in voorraad hebben van (een) afbeelding(en), te weten (onder andere) (een) afbeelding(en) als voorkomende in het

proces-verbaal onder de bladnummers 379, 385, 388, 424, 429, 401, 412, 415, 418 en/of 421, zijnde (een) afbeelding(en) van sexuele gedragingen, waarbij (een) perso(o)n(en),

die kennelijk de leeftijd van 16 jaar nog niet heeft/hebben bereikt,

zijn/is betrokken, immers heeft/hebben verdachte en/of (een van) haar mededader(s)

een of meer internet-sites geopend en/of in stand gehouden en/of

hierop een of meer bovenbedoelde afbeeldingen geplaatst en/of geplaatst

gehouden (waarna het voor internet-gebruikers mogelijk was

{na het betalen van een bedrag via een zogenaamde internet-kassa}

deze afbeelding(en) te bekijken en/of te downloaden);

2.

zij in de periode van 1 oktober 2002 tot en met 3 oktober 2002 in de gemeente Den Helder en/of in de gemeente Uitgeest,in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het verspreiden en/of openlijk ten toon stellen en/of vervaardigen en/of

invoeren en/of doorvoeren en/of uitvoeren en/of in voorraad hebben van (een) afbeelding(en), te weten (onder andere) (een) afbeelding(en) als voorkomende in het

proces-verbaal onder de bladnummers 379, 385, 388, 424, 429, 401, 412, 415, 418 en/of 421, zijnde (een) afbeelding(en) van sexuele gedragingen, waarbij (een) perso(o)n(en), die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt, zijn/is betrokken, immers heeft/hebben verdachte en/of (een van) haar mededader(s) een of meer internet-sites geopend en/of in stand gehouden en/of hierop een of meer bovenbedoelde afbeeldingen geplaatst en/of geplaatst gehouden (waarna het voor internet-gebruikers mogelijk was {na het betalen van een bedrag via een zogenaamde internet-kassa} deze afbeelding(en) te bekijken en/of te downloaden);

3.

zij op 01 oktober 2002 in de gemeente Den Helder, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meermalen een gegevensdrager, bevattende één of meer afbeeldingen van seksuele gedragingen, te weten (onder andere) een of meer afbeelding(en) zoals aangetroffen in een computer op het adres [adres 2] en voorkomende in het proces-verbaal op de/het blad(en) 433 tot en met 440 en/of

een afbeelding zoals aangetroffen op een CD-rom op het adres [adres 1] en

voorkomende in het proces-verbaal op blad 2682, bij welke vorenbedoelde afbeelding(en) (telkens) een persoon, die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt,

was/waren betrokken of schijnbaar was/waren betrokken, (telkens) in bezit heeft gehad;

4.

zij in de periode van 4 oktober 2002 tot en met 30 januari 2003 in de gemeente

Den Helder en/of in de gemeente Uitgeest, in ieder geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het verspreiden en/of openlijk ten toon stellen en/of vervaardigen en/of invoeren en/of doorvoeren en/of uitvoeren en/of in voorraad hebben van (een) afbeelding(en), te weten (onder andere) (een) afbeelding(en) als voorkomende in het proces-verbaal onder de bladnummers 2170, 2178 en/of 2181, zijnde (een) afbeelding(en) van sexuele gedragingen, waarbij (een) perso(o)n(en), die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt, zijn/is betrokken, immers heeft/hebben verdachte en/of (een van) haar mededader(s) een of meer internet-sites geopend en/of in stand gehouden en/of hierop een of meer bovenbedoelde afbeeldingen geplaatst en/of geplaatst gehouden (waarna het voor internet-gebruikers mogelijk was {na het betalen van een bedrag via een zogenaamde internet-kassa}deze afbeelding(en) te bekijken en/of te downloaden);

5.

zij in de periode van 1 oktober 2000 tot en met 30 september 2002 in de

gemeente Den Helder tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van een minderjarige,

genaamd [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum [slachtoffer 1]] 1983, met een derde tegen betaling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een van) zijn mededader(s)

een of meer internet-sites geopend en/of in stand gehouden en/of hierop een of meer (voor [geboortedatum [slachtoffer 1]] 2001 gemaakte) afbeeldingen (waaronder afbeeldingen zoals afgedrukt op de bladen 1110 en/of 1112 van het pr van bovenbedoelde handelingen geplaatst en/of geplaatst gehouden en waarvoor die [SLACHTOFFER 1] (telkens) geld had ontvangen van de maker van die afbeeldingen (waarna het voor internet-gebruikers mogelijk was {na het betalen van een bedrag via een zogenaamde internet-kassa} deze afbeelding(en) te bekijken en/of te downloaden);

De feiten 1 t/m 4 zijn kennelijk toegespitst op het strafbare feit dat is omschreven in artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht (Sr). In de feiten 2 en 4 wordt aan verdachte - kort samengevat - verweten dat hij/zij tezamen en in vereniging, althans als feitelijk leidinggever een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het onder meer in voorraad hebben van kinderpornografische afbeeldingen, terwijl deze feiten betrekking hebben op perioden na 30 september 2002. Vanaf 1 oktober 2002 gold echter een nieuw artikel 240b Sr, waarbij in voorraad hebben is vervangen door in bezit hebben. Ten onrechte heeft de officier van justitie zich nog van de oude terminologie bediend.

De rechtbank leest de feiten 2 en 4 alsof was tenlastegelegd in bezit hebben en is van oordeel dat verdachte hierdoor niet in enig rechtens te respecteren belang wordt geschaad. In de memorie van toelichting bij de wet van 13 juli 2002, waarbij de terminologie is veranderd, wordt geschreven dat deze wetswijziging een legislatieve consequentie is van het arrest van de Hoge Raad van 21 april 1998 (NJ1998, 782) waarin de Raad heeft beslist dat het in voorraad hebben van een kinderpornografische afbeelding tevens inhoudt het bezit van een dergelijke afbeelding in de privésfeer. Bovendien blijkt uit de bewijsmiddelen in de zaak van verdachte dat de bewezenverklaarde afbeeldingen wel degelijk behoorden tot de bedrijfsvoorraad van verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VRIJSPRAKEN EN GEDEELTELIJKE VRIJSPRAKEN:

De rechtbank acht de volgende feiten en onderdelen van feiten niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte daarvoor vrijspreken:

feit 1: gedeeltelijke vrijspraak en wel van de foto’s van [slachtoffer 2] (blzn. 401 en 415), [slachtoffer 3] (blz. 412), [slachtoffer 4] (blz. 418) en [slachtoffer 5] (blz. 421);

feit 2: gedeeltelijke vrijspraak en wel van de foto’s van [slachtoffer 2] (blzn. 401 en 415) en [slachtoffer 3] (blz. 412);

feit 3: gedeeltelijke vrijspraak en wel van de foto’s van [slachtoffer 2] (blz.440) en [slachtoffer 1] (blzn. 433, 434, 436, 437, 438 en 439);

feit 4: integrale vrijspraak (foto’s van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1])

feit 5: integrale vrijspraak (opzettelijk voordeel trekken uit)

3. TOELICHTING OP VRIJSPRAKEN EN BEWEZENVERKLARING

Aan verdachte wordt in de feiten 1 tot en met 4 - kort samengevat - verweten dat zij in bepaalde perioden tezamen en in vereniging verboden gedragingen heeft verricht met betrekking tot kinderpornografische afbeeldingen van meisjes die kennelijk de leeftijd van 16 (bij feit 1) en 18 jaar (bij de feiten 2, 3 en 4) nog niet hebben bereikt.

Het is dikwijls niet mogelijk om de identiteit en dus ook de werkelijke leeftijd van een afgebeelde persoon te achterhalen. Volgens literatuur en jurisprudentie behoeft de leeftijd van de afgebeelde kinderen niet bewezen te worden indien zij blijkens hun lichamelijke kenmerken op de afbeeldingen kennelijk jonger zijn dan 16 resp. 18 jaar. Het moet dus gaan om duidelijke gevallen. Bij prepuberale kinderpornografie is het doorgaans zonneklaar dat het afgebeelde kind nog geen 16 of 18 jaar oud is. Bij postpuberale kinderpornografie hoeft de leeftijd niet bewezen te worden indien een verantwoorde schatting kan worden gemaakt van de leeftijd van de afgebeelde persoon.

Hoe moeilijk het is om een verantwoorde schatting te maken, is gebleken op de terechtzitting van 10 oktober 2006, bij welke gelegenheid de getuige-deskundige [betrokkene 1] een aantal foto’s heeft beoordeeld op basis waarvan hij een oordeel heeft geven over de leeftijden van de afgebeelde personen. Het merendeel van deze foto’s was al in het opsporingsonderzoek beoordeeld door twee combinaties van verbalisanten ([betrokkene 2] en [betrokkene 1] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4]) die op grond van trainingen en ervaring deskundig geacht worden met betrekking tot de schatting van leeftijden van minderjarigen op pornografische afbeeldingen. Van de foto’s van de hierna te bespreken meisjes [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 1] werd gerelateerd dat deze meisjes op deze foto’s kennelijk de leeftijd van 16 jaar nog niet hadden bereikt toen de foto’s werden gemaakt. Een deel van deze schattingen is weerlegd doordat de geboortedata van enkele meisjes bekend zijn geworden. Na het bekijken van deze kleurenfoto’s op de terechtzitting door de getuige-deskundige [betrokkene 1], voor een deel dezelfde foto’s die hij eerder had beoordeeld, kwam deze tot aanmerkelijk hogere schattingen. (Bij [slachtoffer 3] ca. 18 jaar, [slachtoffer 4] 16 à 17 jaar, [slachtoffer 2] ca. 18 jaar, [slachtoffer 5] 16 à 17 jaar, [slachtoffer 1] 16 à 17 jaar). Door deze ervaring is de rechtbank zich scherp bewust geworden van de betrekkelijkheid van de waarde van leeftijdschattingen door daarvoor opgeleide politiemensen en zal zij hiervan slechts terughoudend gebruik maken voor het bewijs.

Zoals de getuige-deskundige [betrokkene 1] op de terechtzitting heeft verklaard, kan bij postpuberale pornografie dikwijls geen verantwoorde schatting van de leeftijd worden gemaakt. In dergelijke gevallen zal de officier van justitie aanvullend bewijs voor de leeftijd moeten aandragen.

Met betrekking tot de Braziliaanse meisjes [slachtoffer 6], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] had de rechtbank al op de eerste inhoudelijke zitting de beschikking over bewijsstukken met betrekking tot de leeftijden. Uit deze stukken die de Braziliaanse autoriteiten hebben opgestuurd, zijn de leeftijd en de identiteit van deze meisjes bekend geworden. Hierover is geschreven door de Braziliaanse officier van justitie in een brief en door de Braziliaanse rechter in een vonnis. Voorts zijn van twee van deze meisjes geboorteakten voorhanden en hebben de meisjes zelf verklaringen afgelegd. Uit deze stukken blijkt dat zij resp. 15, 15 en 13 jaar oud waren. Anders dan de verdediging twijfelt de rechtbank niet aan de betrouwbaarheid van deze stukken en evenmin aan het feit dat zij betrekking hebben op de afgebeelde meisjes.

Op grond van deze stukken en op grond van de eigen waarneming van de rechtbank met betrekking tot de tenlastegelegde afbeeldingen zelf acht de rechtbank bewezen dat deze meisjes op de foto’s kennelijk de leeftijd van 16 jaar resp. 18 jaar nog niet hebben bereikt.

Van de Russische en Oekraïense meisjes waren tot de terechtzitting van 9 februari 2005 geen personalia bekend. In het dossier zijn diverse processen-verbaal aanwezig van leeftijdschattingen met betrekking tot deze meisjes door de hierboven genoemde koppels zedenrechercheurs, inhoudende dat deze meisjes kennelijk de leeftijd van 16 nog niet hadden bereikt. Op de zitting van 9 februari 2005 heeft de verdediging kopieën van legitimatiebewijzen met daarop pasfoto’s van deze meisjes overgelegd om aan te tonen dat deze meisjes niet kennelijk jonger waren dan 16 resp. 18 jaar. Geconfronteerd met deze stukken heeft de rechtbank gepoogd door middel van nader onderzoek in Rusland en de Oekraïne alsnog de juiste personalia van deze meisjes te achterhalen. Dit is slechts voor een klein deel gelukt.

met betrekking tot [slachtoffer 2]:

Uit de stukken die in antwoord op het rechtshulpverzoek zijn toegestuurd, blijkt dat de Sovjetautoriteiten op 29 januari 1999 het Sovjetpaspoort waarvan verdachte een kopie heeft overgelegd, heeft afgegeven aan [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum [slachtoffer 2]] 1982. De foto op de door verdachte overgelegde kopie is dezelfde foto als die bij de paspoortaanvraag van 1999 is gevoegd. Ook de geboortedatum en de overige gegevens zijn in overeenstemming met de aanvraag, hetgeen een aanwijzing vormt voor de echtheid en onvervalstheid van het document. Bovendien is in het dossier een verklaring van [slachtoffer 2] aanwezig. Zij verklaart dat zij vanaf ongeveer november 1999 onder de schuilnaam [slachtoffer 2] een aantal malen als naaktmodel heeft geposeerd voor de fotograaf [betrokkene 5] in de stad Perm. Tijdens deze fotosessies heeft zij ook sexuele handelingen verricht met [betrokkene 5], terwijl de vriendin van [betrokkene 5] daarvan foto’s maakte. Ook heeft zij uit vrije wil een overeenkomst ondertekend waarbij zij toestemming gaf voor het gebruik van de foto- en videobeelden. Deze verklaring wordt bevestigd door haar vriendin [betrokkene 6], die heeft verklaard dat zij en [SLACHTOFFER 2] zich in dezelfde periode door [betrokkene 5] naakt hebben laten fotograferen. Op grond van vorenstaande gegevens neemt de rechtbank aan dat het meisje [slachtoffer 2] dat is afgebeeld op de tenlastegelegde foto’s de bovengenoemde [slachtoffer 2] is en dat zij is geboren op [geboortedatum [slachtoffer 2]] 1982.

Hieruit volgt dat [slachtoffer 2] op [geboortedatum [slachtoffer 2]] 1998 16 jaar en op [geboortedatum [slachtoffer 2]] 2000 18 jaar oud werd.

met betrekking tot feit 1:

Er is geen enkele aanwijzing in het dossier dat de in feit 1 bedoelde foto’s van [slachtoffer 2] zijn gemaakt voor [geboortedatum [slachtoffer 2]] 1998, de dag waarop [slachtoffer 2] 16 jaar werd. [slachtoffer 2] en [betrokkene 6]hebben verklaard dat de eerste foto’s pas vanaf ongeveer november 1999 zijn gemaakt. Mede op grond van de eigen waarneming van de rechtbank acht de rechtbank niet bewezen dat [slachtoffer 2] op de in feit 1 genoemde foto’s op de blzn. 401 en 415 kennelijk de leeftijd van 16 jaar nog niet heeft bereikt.

met betrekking tot feit 2 en 3:

Voor de bewezenverklaring met betrekking tot de feiten 2 en 3 is het van belang vast te stellen of de foto’s op de blzn. 401, 415 en 440 zijn gemaakt voor [geboortedatum [slachtoffer 2]] 2000, de dag waarop [slachtoffer 2] 18 jaar oud werd. Volgens de verklaringen van [slachtoffer 2] en haar vriendin [betrokkene 6]hebben zij rond november 1999 voor het eerst geposeerd. Zij was toen ruim 17 jaar oud. Er hebben in de periode daarna verscheidene fotosessies plaatsgevonden, maar noch [slachtoffer 2] noch [betrokkene 6]heeft verklaard wanneer zij voor het laatst zijn gefotografeerd. Het is uit deze verklaringen niet duidelijk geworden wanneer de foto’s op de blzn. 401, 415 en 440 zijn gemaakt.

Uit het aanvullend proces-verbaal van brigadier [betrokkene 7] van 28 november 2005 is evenmin komen vast te staan dat deze foto’s zijn gemaakt voordat [slachtoffer 2] 18 jaar oud was. [betrokkene 7] noemt als vroegst mogelijk vast te stellen datum van een opname van [slachtoffer 2] 20 november 2001, deze datum ligt ruim na de 18e verjaardag van [slachtoffer 2].

Ook wat de afbeeldingen zelf betreft is het niet evident dat [slachtoffer 2] op die foto’s kennelijk nog geen 18 jaar oud is. Immers de getuige-deskundige [betrokkene 1] heeft op de terechtzitting de kleurenfoto’s van [slachtoffer 2] op blzn. 401, 1119 (=415) en 334 beoordeeld. Hij schatte dat [slachtoffer 2] op deze foto’s rond de 18 jaar is.

Op grond van het vorenstaande en op grond van de eigen waarneming van de rechtbank kan niet bewezen worden dat [slachtoffer 2] op de in de feiten 2 en 3 genoemde foto’s op de blzn. 401, 415 en 440 kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.

met betrekking tot [slachtoffer 3]:

Uit de stukken die in antwoord op het rechtshulpverzoek zijn toegestuurd, blijkt dat de Russische Federatie op 27 september 2000 het paspoort waarvan verdachte een kopie heeft overgelegd heeft afgegeven aan [betrokkene 8], geboren op [geboortedatum [betrokkene 8]] 1982. De foto van het model [slachtoffer 3] op de door verdachte overgelegde kopie is niet dezelfde als de foto die bij de paspoortaanvraag van 2000 is gevoegd. Dit wijst erop dat met de door verdachte overgelegde kopie is geknoeid. Deze aanwijzing wordt versterkt door de verklaring van bovengenoemde [betrokkene 8] dat zij haar paspoort heeft uitgeleend aan haar vriendin [betrokkene 9]. die zich voor geld wilde laten fotograferen, maar die nog geen 18 jaar oud was. Vervolgens heeft deze [betrokkene 9]., geboren op [geboortedatum [betrokkene 9].] 1982, verklaard dat zij tegen betaling foto’s voor internet wilde laten maken, maar dat zij nog geen 18 jaar oud was. Daarom heeft zij gebruik gemaakt van het paspoort van een vriendin. Zij heeft dit paspoort aan de fotograaf [betrokkene 5] gegeven en heeft het later van hem terug ontvangen. [betrokkene 5] heeft gedurende ongeveer zeven maanden een aantal fotoseries in ondergoed van haar gemaakt. Zij verklaart dat zij, toen hij haar voorstelde te poseren voor naaktfoto’s, is weggegaan en niet meer is teruggekomen.

Het is de vraag of deze [betrokkene 9] het model [slachtoffer 3] is dat is afgebeeld op de tenlastegelegde naaktfoto op blz. 412. Volgens haar eigen verklaring heeft zij niet geposeerd voor naaktfoto’s. Een onderzoek naar overeenkomsten tussen de pasfoto van [betrokkene 9] en de pasfoto van het model [slachtoffer 3] op de door verdachte overgelegde kopie van een paspoort leverde door de slechte kwaliteit van de foto’s geen positief resultaat op. Een vergelijking door de rechtbank van twee door Rusland verstrekte pasfoto’s (een oude en een recente) van [betrokkene 9] met de tenlastegelegde foto van het model [slachtoffer 3] leverde evenmin een volledige herkenning op. Dat betekent dat het model [slachtoffer 3] mogelijk een ander nog onbekend meisje is voor wie nogmaals het paspoort of een kopie daarvan van [betrokkene 8] is gebruikt.

---Indien men echter aanneemt dat [betrokkene 9] wel is afgebeeld op de foto op blz. 412, geldt het volgende:

Het feit dat de door verdachte overgelegde kopie van het paspoort is afgegeven op 27 september 2000 vormt een aanwijzing dat de foto van het model [slachtoffer 3] op of na deze datum is gemaakt. Toen was [betrokkene 9] op twee maanden na 18 jaar.

Dit betekent dat van de in feit 1 genoemde foto op blz. 412 van [betrokkene 9] niet vaststaat dat deze is gemaakt op een moment dat [slachtoffer 3] nog geen 16 jaar oud was. Op grond van het vorenstaande is het mogelijk dat de foto op blz. 412 is gemaakt voor 16 november 2000, dus voor de 18e verjaardag van [slachtoffer 3]. In zijn aanvullend proces-verbaal van 28 november 2005 noemt brigadier [betrokkene 7] als vroegst mogelijk vast te stellen opnamedatum van een foto van [slachtoffer 3] 24 september 2000. Het is echter niet duidelijk of dit de tenlastegelegde foto is. Het is evenzeer mogelijk dat de foto bij een latere fotocessie na haar 18e verjaardag is gemaakt.

---Indien men aanneemt dat het model [slachtoffer 3] op de foto op blz. 412 een meisje is waarvan wij de personalia niet kennen, zal de rechtbank de leeftijd van het meisje op de foto moeten vaststellen aan de hand van de foto zelf.

Wat de afbeelding zelf betreft is het naar het oordeel van de rechtbank niet evident dat [slachtoffer 3] op de foto op blz. 412 kennelijk nog geen 16 resp. 18 jaar oud is. Voorts heeft de getuige-deskundige [betrokkene 1] op de terechtzitting de kleurenfoto’s van [slachtoffer 3] op blzn. 1116 (=412), 1117 (=413) en 331 beoordeeld. Hij schatte dat [slachtoffer 3] op deze foto’s rond de 18 jaar is.

Met betrekking tot de feiten 1 en 2:

Op grond van het bovenstaande en op grond van de eigen waarneming van de rechtbank kan niet bewezen worden dat het model [slachtoffer 3] op de foto op blz. 412 kennelijk de leeftijd van 16 jaar resp. 18 jaar nog niet heeft bereikt.

met betrekking tot [slachtoffer 4]:

Uit de stukken die in antwoord op het rechtshulpverzoek zijn toegestuurd, blijkt dat Oekraïne op 9 februari 1999 het paspoort waarvan verdachte een kopie heeft overgelegd heeft afgegeven aan [betrokkene 10], geboren op [geboortedatum [betrokkene 10]] 1982. De foto van het model [slachtoffer 4] op de door verdachte overgelegde kopie is niet dezelfde als de foto die bij de paspoortaanvraag van 1999 is gevoegd. Dit wijst erop dat met de door verdachte overgelegde kopie is geknoeid.

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek niet duidelijk is geworden wie het model [slachtoffer 4] is, zodat de leeftijd van dit meisje niet bekend is geworden. De rechtbank zal daarom bij de beoordeling of er sprake is van kinderpornografie moeten afgaan op de afbeelding op blz. 418 zelf. De verbalisanten [betrokkene 2] en [betrokkene 1] schatten in hun proces-verbaal van 23 april 2003 de leeftijd van [slachtoffer 4] gezien haar lichamelijke kenmerken op onder de zestien jaar (blz.1018=320 eerste alinea). De getuige-deskundige [betrokkene 1] heeft op de terechtzitting de kleurenfoto’s op de blzn. 1122 (=418) en 333 van het model [slachtoffer 4] beoordeeld en hij schatte de leeftijd van [slachtoffer 4] op 16 à 17 jaar.

met betrekking tot feit 1:

Dit betekent dat niet bewezen kan worden dat [slachtoffer 4] op de in feit 1 genoemde foto op blz. 418 kennelijk de leeftijd van 16 jaar nog niet heeft bereikt.

met betrekking tot feit 2:

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het proces-verbaal van de verbalisanten [betrokkene 2] en [betrokkene 1] (p.1007, 1018), de beoordeling van de getuige deskundige [betrokkene 1] op de terechtzitting en de eigen waarneming van de rechtbank worden bewezen dat [slachtoffer 4] op de foto op blz. 418 kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.

met betrekking tot [slachtoffer 5]:

Uit de stukken die in antwoord op het rechtshulpverzoek zijn toegestuurd, blijkt dat Oekraïne op 20 april 2001 het paspoort met het nummer [PASPOORTNUMMER] waarvan verdachte een kopie heeft overgelegd heeft afgegeven aan [betrokkene 11], geboren op [geboortedatum [betrokkene 11]] 1983. De foto van [slachtoffer 5] op de door verdachte overgelegde kopie is op het eerste gezicht gelijk aan de foto op de paspoortaanvraag. De geboortedatum op de door verdachte overgelegde kopie is de 21e van een maand in cyrillisch schrift van het jaar 1982. Deze geboortedatum wijkt af van de geboortedatum van degene aan wie dit paspoort is verstrekt. Dit wijst erop dat met de door verdachte overgelegde kopie is geknoeid.

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek niet duidelijk is geworden wie het model [slachtoffer 5] is, zodat geen leeftijd van dit model bekend is geworden. De rechtbank zal daarom bij de beoordeling of er sprake is van kinderpornografie moeten afgaan op de afbeelding op blz. 421 zelf. De verbalisanten [betrokkene 2] en [betrokkene 1] schatten in hun proces-verbaal van 23 april 2003 de leeftijd van [slachtoffer 5] gezien haar lichamelijke kenmerken op onder de zestien jaar (blz.1018=320 eerste alinea). De getuige-deskundige [betrokkene 1] heeft op de terechtzitting de kleurenfoto’s op blzn. 1125 (=421) en 332 van het model [slachtoffer 5] beoordeeld en hij schatte de leeftijd van [slachtoffer 5] op 16 à 17 jaar.

met betrekking tot feit 1:

Dit betekent dat niet bewezen kan worden dat [slachtoffer 5] op de in de feit 1 genoemde foto op blz. 421 kennelijk de leeftijd van 16 jaar nog niet heeft bereikt.

met betrekking tot feit 2:

Op grond van het proces-verbaal van de verbalisanten [betrokkene 2] en [betrokkene 1] (p.1007, 1018=320), de beoordeling van de getuige deskundige [betrokkene 1] op de terechtzitting en de eigen waarneming van de rechtbank acht de rechtbank bewezen dat [slachtoffer 5] op de foto op blz. 421 kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.

met betrekking tot [slachtoffer 1]:

Uit onderzoek door de rechter-commissaris in Omsk in Rusland is komen vast te staan dat het model [slachtoffer 1], dat op vele fotoseries in het dossier voorkomt, het meisje [slachtoffer 1] is. Volgens een bij verdachte in bezit zijnde kopie van een identiteitsbewijs met daarop de foto van het model [slachtoffer 1] zou zij geboren zijn op [geboortedatum [slachtoffer 1]]1982. Bij onderzoek bleek echter dat in deze kopie was geknoeid met de geboortedatum en dat [slachtoffer 1] in werkelijkheid geboren was op [geboortedatum [slachtoffer 1]] 1983. Dit betekent dat zij op [geboortedatum [slachtoffer 1]] 1999 16 jaar en op [geboortedatum [slachtoffer 1]] 2001 18 jaar oud werd.

Volgens de verklaringen van [slachtoffer 1] en de fotograaf [betrokkene 5] ten overstaan van de rechter-commissaris zijn de eerste foto’s door [betrokkene 5] van [slachtoffer 1] gemaakt in de zomer van 1999, dus kort na haar zestiende verjaardag. Uit het opsporingsonderzoek (blzn. 1014 en 1221) blijkt dat de politie Groningen in juni 1999 een fotoserie van [slachtoffer 1] (blz. 1216 t/m 1219) op de site [site 1], die bij [betrokkene 5] in gebruik was, op internet heeft aangetroffen. Op grond van dit gegeven, mag worden aangenomen dat de eerste foto’s van [slachtoffer 1] in of voor juni 1999 zijn gemaakt. Deze serie is overigens niet op een website van verdachte aangetroffen.

In het proces-verbaal van 23 januari 2006 relateert brigadier [betrokkene 7] dat de vroegst mogelijke foto van [slachtoffer 1] werd aangetroffen op de cd-rom [Cd-rom 1]. In de map Zips stonden ingepakte fotobestanden die op 26 juni 2000 op deze cd-rom waren gezet. Nadat de gezipte bestanden waren uitgepakt, bleken het dezelfde afbeeldingen te zijn als in de map [slachtoffer 1] die het complete fotoalbum bevatte. De vroegste datum ‘datum modified’ van het eerste gezipte bestand bleek 15 juni 2000 te zijn. Het is overigens niet duidelijk of dit de in de tenlastelegging genoemde foto’s zijn.

Volgens de verklaring van [slachtoffer 1] zijn vele fotoseries door [betrokkene 5] van haar gemaakt, de laatste in juli 2001. Ook [betrokkene 5] verklaart dat de laatste fotoserie is gemaakt in de zomer van 2001. Toen was [slachtoffer 1] ongeveer een maand 18 jaar oud. Hieruit leidt de rechtbank af dat het merendeel van de foto’s van [slachtoffer 1] gemaakt is tussen haar 16e en 18e jaar en slechts een klein gedeelte na haar 18e verjaardag. Dit sluit ook aan bij de verklaring van de getuige-deskundige [betrokkene 1] op de terechtzitting bij de beoordeling van de foto’s op de blzn. 393, 1111 (=407), 330 en 1110 (=406). Hij schatte de leeftijd van [slachtoffer 1] op deze foto’s op rond de 16 jaar.

met betrekking tot feit 2:

Op grond van vorenstaande bevindingen en de eigen waarneming van de rechtbank acht de rechtbank bewezen dat [slachtoffer 1] op de foto’s op blzn. 393 en 407 kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.

met betrekking tot feit 3:

De datum van de tenlastelegging 1 oktober 2002 was de eerste dag dat de leeftijdsgrens van artikel 240b Sr was verhoogd van 16 naar 18 jaar. Met betrekking tot de tenlastegelegde fotoserie op de blzn. 433, 434, 436, 437, 438 en 439, de zg. [serie 1], zijn er meer gegevens voorhanden die informatie kunnen verschaffen met betrekking tot de datum van vervaardiging van deze foto’s. De verdediging wijst op blz.2795 van het dossier, een e-mail van 26 januari 2001 van [MEDEVERDACHTE]aan [betrokkene 5], waarin door [MEDEVERDACHTE] aan [betrokkene 5] wordt voorgesteld een fotoserie te maken van drie meisjes, waaronder [slachtoffer 1], kinderlijk gekleed in jurkjes en met het haar in vlechtjes. Deze meisjes zouden met een lolly over en in elkaar vagina moeten wrijven. Dit betekent volgens de verdediging dat de serie na 26 januari 2001 is gemaakt. In een betalingsoverzicht van 11 oktober 2001 van [betrokkene 5] aan [MEDEVERDACHTE] (stuk 1-17 bij pleidooi) is sprake van betaling van $ 100,- voor 76 pics met de omschrijving ‘[omschrijving]’. Hieruit kan volgens de verdediging worden afgeleid dat de serie voor 11 oktober 2001 is gemaakt. In een e-mail van 12 maart 2004 schrijft [betrokkene 5] dat deze serie is gemaakt in juli 2001, dus kort na de 18e verjaardag van [slachtoffer 1].

Bij de hiervoor beschreven stand van zaken dient ernstig rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat de betreffende foto’s na [slachtoffer 1]’s 18e verjaardag zijn gemaakt. Daarom acht de rechtbank niet bewezen dat [slachtoffer 1] op de in feit 3 genoemde foto’s kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.

met betrekking tot feit 4:

Ook met betrekking tot de foto’s op de blzn. 2170 en 2178 in feit 4 acht de rechtbank niet bewezen dat [slachtoffer 1] op die foto’s kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt. Omtrent deze foto’s bevat het proces-verbaal van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] (blz.1007 ev) geen specifieke beoordeling. Evenmin heeft de getuige-deskundige [betrokkene 1] zich ter terechtzitting over deze foto’s uitgelaten. De rechtbank stelt vast dat een beoordeling van [slachtoffer 1]’s leeftijd op deze foto’s sterk wordt bemoeilijkt doordat zij op deze foto’s gedeeltelijk is gekleed.

met betrekking tot het opzetverweer:

De verdachte heeft betoogd dat zij en haar medeverdachten nimmer de bedoeling hebben gehad kinderpornografisch materiaal te verspreiden of in voorraad of in bezit te hebben. Zij gingen er vanuit dat alle modellen de vereiste leeftijd hadden. Zij vertrouwden erop dat de leveranciers van de foto’s juiste informatie gaven over de leeftijden. [betrokkene 11] uit Brazilië had bewijsstukken met betrekking tot de leeftijden toegezegd en toen deze niet kwamen, is verdachte [VERDACHTE] zelf naar Brazilië gereisd om deze stukken op te halen. Van een aantal modellen beschikte verdachte over kopieën van identiteitsbewijzen waaruit moest blijken dat zij de juiste leeftijd hadden. Bovendien gaven de afbeeldingen zelf de vennoten geen aanleiding te vrezen dat de modellen niet de vereiste leeftijd hadden. Verdachte is van oordeel dat zij mochten afgaan op de door de leveranciers gedane mededelingen en de toegezonden stukken, in combinatie met hun eigen oordeel over de leeftijd van de afgebeelde meisjes.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Voor zover verdachte ontkent dat zij opzet heeft gehad op de te jonge leeftijd van de afgebeelde meisjes, stelt de rechtbank voorop dat dit opzet op de leeftijd niet gesteld en ook niet bewezen behoeft te worden. Vrijspraak van het tenlastegelegde kan slechts volgen indien het de verdachte aan ieder bewustzijn van het bezit van de afbeeldingen heeft ontbroken. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende. De rechtbank is van oordeel dat verdachte niet zonder meer mocht afgaan op mededelingen van de producenten en de toegezonden fotokopieën van identiteitsbewijzen. Verdachte heeft zich beroepsmatig met pornografische afbeeldingen op internet begeven. Zoals de verdachten [VERDACHTE] en [MEDEVERDACHTE]hebben verklaard, richtten zij zich op een publiek dat afbeeldingen van jonge modellen zoekt. Uit een aantal e-mail berichten en uit de Braziliaanse stukken leidt de rechtbank af dat met name de verdachte [VERDACHTE] bereid was risico’s te nemen met betrekking tot de minimumleeftijden. Van [betrokkene 12] waren na maanden nog geen bewijsstukken ontvangen, maar desondanks werden de afbeeldingen van [slachtoffer 6], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] al op internet geplaatst. De fotokopieën van identiteitsbewijzen boden geen enkele garantie voor de echtheid en onvervalstheid van deze documenten. Het lag op de weg van verdachte om hetzij waterdichte garanties te vragen, hetzij geen foto’s te kopen en te verspreiden waarbij twijfel zou kunnen ontstaan over de leeftijd van de modellen. Verdachte heeft welbewust het risico genomen dat zij materiaal van te jonge modellen zou verspreiden of in voorraad / in bezit zou krijgen.

met betrekking tot foto op blz. 2682 meisje uit [serie 2]:

Met betrekking tot de foto op blz. 2682 van het meisje uit de zg. [serie 2] is er volgens de rechtbank, de officier van justitie en de verdediging evident sprake van een foto van een prepuberaal meisje dat kennelijk de leeftijd van 16 jaar nog niet had bereikt toen deze foto werd gemaakt. De identiteit van dit meisje is uit een Brits onderzoek naar voren gekomen. Zij was op de foto 12 jaar oud.

De verdediging heeft echter aangevoerd dat toch geen bewezenverklaring kan volgen, aangezien verdachte deze foto niet in bezit heeft gehad als bedoeld in artikel 240b Sr. Immers het opzet en het voorwaardelijk opzet ontbrak om deze afbeelding in bezit te hebben. De 18 foto’s waarvan de foto op p.2682 deel uitmaakte, zijn zeer waarschijnlijk bij het downloaden van afbeeldingen uit een nieuwsgroep meegekomen en niet opgemerkt. De verdachte had niet de intentie om deze foto’s op enigerlei wijze te gebruiken. De verdediging wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2006 (LJN: AU9104), waarin de Raad heeft overwogen: ‘In aanmerking genomen dat de in artikel 240 Sr strafbaar gestelde gedraging een misdrijf opleveren, moet worden aangenomen dat het in bezit hebben van een afbeelding of gegevendrager als daar bedoeld slechts strafbaar is indien sprake is van opzet.'

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Uit dit arrest van de Hoge Raad blijkt immers ook dat de casus uit dit arrest sterk afwijkt van de casus in deze strafzaak. In de zaak waarover de Hoge Raad zich heeft uitgelaten gaat het om een verdachte van wie niet is vastgesteld dat hij de afbeeldingen zelf heeft gedownload en die, zodra hij deze ontdekte, een opdracht tot verwijdering heeft gegeven, niet wetende dat kopieën van de afbeeldingen elders in de computer werden bewaard.

Daarentegen gaat het in de zaak van verdachte over een ondernemer die beroepsmatig en bewust grote hoeveelheden pornografisch materiaal van jonge modellen binnenhaalt uit nieuwsrubrieken op internet en die zich ervan bewust moet zijn dat hij een groot risico loopt ook kinderpornografisch materiaal binnen te halen. Daarmee heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zij kinderpornografische afbeeldingen in zijn bezit zou krijgen.

De tenlastelegging vermeldt slechts één foto uit de zg. [serie 2]. Uit blz.2646 van het dossier blijkt dat er bij verdachte 18 kinderpornografische afbeeldingen uit deze serie zijn aangetroffen. Deze afbeeldingen waren op een cd-rom gebrand en bewaard.

Vrijspraak feit 5:

In dit feit wordt aan verdachte - kort samengevat - verweten dat hij/zij in de periode van 1 oktober 2000 tot en met 30 september 2002 tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van de minderjarige [slachtoffer 1] ([slachtoffer 1]) met een derde tegen betaling. Dit opzettelijk voordeel trekken heeft volgens de tenlastelegging daaruit bestaan dat verdachte en zijn medeverdachten een of meer internet-sites hebben geopend en in stand gehouden en hierop in de tenlastelegging genoemde foto’s 1110 en 1112 van de minderjarige [slachtoffer 1] hebben geplaatst, op welke foto’s [slachtoffer 1] seksuele handelingen pleegt met een derde tegen betaling. Die betaling heeft bestaan uit de beloning die [slachtoffer 1] hiervoor van de maker van de foto’s ontving en {tussen accolades geplaatst} uit de betalingen die internetgebruikers betaalden voor het bekijken van deze foto’s.

De rechtbank ziet zich bij dit feit gesteld voor twee vragen:

---De eerste vraag is of kan worden bewezen dat [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum [slachtoffer 1]] 1983, minderjarig was toen de tenlastegelegde foto’s werden gemaakt.

De foto op blz. 1110 is bij onderzoek van een server van verdachte op 3 oktober 2002 aangetroffen op een betaalsite ‘[site 2]’. Toen was [slachtoffer 1] ruim 19 jaar oud. Blijkens blz. 1516 van het opsporingsdossier maakt deze foto onderdeel uit van de serie ‘[serie 3]’ die is afgebeeld op blz.1535. Deze serie komt voor op een prijslijst van 15 februari 2001 onder vermelding van [vermelding] (zie blz.1570). Hieruit leidt de rechtbank af dat de foto op blz.1110 voor 15 februari 2001 is gemaakt en [slachtoffer 1] derhalve nog niet meerderjarign was.

Van de foto op blz. 1112, die ook op 3 oktober 2002 is aangetroffen, kan niet worden vastgesteld wanneer deze is gemaakt. Van het model [slachtoffer 1] zijn in juni 1999 voor het eerst afbeeldingen op internet aangetroffen. [slachtoffer 1] en de fotograaf [betrokkene 5] verklaren dat [slachtoffer 1] in de zomer 1999 voor het eerst en in juli 2001 voor het laatst voor de fotograaf [betrokkene 5] heeft geposeerd. In juli 2001 was [slachtoffer 1] net 18 jaar oud. Het is derhalve niet onmogelijk dat deze foto na de meerderjarigheid is gemaakt. Omtrent deze foto bavat het proces-verbaal van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] (blz.1007 ev) geen specifieke beoordeling. Evenmin heeft de getuige-deskundige [betrokkene 1] zich ter zitting over deze foto uitgelaten. Tenslotte leidt ook de eigen waarneming door de rechtbank niet tot de overtuiging dat [slachtoffer 1] op deze foto jonger is dan 18 jaar. Dat betekent dat met betrekking tot deze foto geen bewijs voorhanden is.

---De tweede vraag is of kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken van seksuele handelingen van [slachtoffer 1] met een derde tegen betaling, zoals bedoeld in artikel 250a lid 1 onder 5e van het Wetboek van Strafrecht (Sr), zoals deze bepaling gold gedurende tenlastegelegde periode.

Deze vraag moet naar het oordeel van de rechtbank ontkennend worden beantwoord. Op de foto blz. 1110 ziet de rechtbank de meisjes [slachtoffer 1] en [betrokkene 13] naakt afgebeeld, waarbij [betrokkene 13] met haar vinger de vagina van [slachtoffer 1] aanraakt. Op de fotoserie op blz. 1112 ziet de rechtbank [slachtoffer 1] en een blonde vrouw naakt afgebeeld, waarbij de blonde vrouw onder meer een dildo in de anus en/of de vagina van [slachtoffer 1] brengt. Er is dus zeker sprake van seksuele handelingen van [slachtoffer 1] met een derde, maar naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden bewezen dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit deze seksuele handelingen van [slachtoffer 1] met een derde tegen betaling, zoals bedoeld in artikel 250a Sr (oud).

Artikel 250a Sr (oud) is bij wet van 28 oktober 1999 op 1 oktober 2000 in werking getreden en heeft in die redactie gegolden tot en met 30 september 2002. Dit is exact dezelfde periode als de tenlastegelegde periode. Uit de memorie van toelichting kan het volgende worden afgeleid: Deze wet maakt een eind aan het algemene bordeelverbod en vervangt dit door een aantal strafbepalingen die schadelijke vormen van (exploitatie van) prostitutie moeten tegengaan. Onder prostitutie wordt, aldus de memorie van toelichting, verstaan ‘het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling.’ Een van die schadelijke vormen van prostitutie is de prostitutie waarbij minderjarigen zijn betrokken. Artikel 250a lid 1 onder 3e en 5e Sr richt zich op de prostitutie door minderjarigen. Deze bepalingen richten zich niet op de klant die seksuele handelingen pleegt met de minderjarige, maar op degene die de minderjarige ertoe brengt zich voor prostitutie beschikbaar te stellen (onder 3e) of degene die opzettelijk voordeel trekt uit die prostitutie (onder 5e).

Dat het oude artikel 250a Sr, zoals dat gold in de tenlastegelegde periode, betrekking had op prostitutie blijkt ook uit de wet van 13 juli 2002 waarbij een wijziging van art. 250a Sr met ingang van 1 oktober 2002 (dit is één dag na de tenlastegelegde periode) is ingevoerd. De woorden ‘seksuele handelingen met een derde’ worden vervangen door ‘seksuele handelingen met of voor een derde’. Deze wijziging bedoelt met ingang van 1 oktober 2002 ook de uitbuiting van andere seksuele dienstverlening dan prostitutie strafbaar te stellen. Blijkens de memorie van toelichting bij deze wet denkt de wetgever hierbij onder meer aan jeugdigen die seksuele handelingen verrichten waar derden tegen betaling naar kijken, bijvoorbeeld het optreden in seksshows.

Uit het vorenstaande concludeert de rechtbank dat de wetgever bij artikel 250a lid 1 onder 5e Sr (oud), zoals dat gold in de tenlastegelegde periode, kennelijk het oog heeft gehad op een persoon die opzettelijk voordeel trekt uit het geld dat een derde als klant betaalt voor de seksuele diensten van de minderjarige persoon die zich prostitueert.

De officier van justitie heeft in feit 5 echter het oog op een andere situatie die mogelijk wel onder het nieuwe (en inmiddels vervallen) artikel 250a Sr valt, maar niet onder bovengenoemde oudere versie, zoals die in de tenlastegelegde periode gold. De officier van justitie beschrijft de situatie waarin een minderjarige [slachtoffer 1] seksuele handelingen pleegt met een andere vrouw ten behoeve van het maken van pornografische foto’s en waarbij deze minderjarige door de fotograaf wordt betaald en waarbij verdachte opzettelijk voordeel trekt uit die situatie doordat hij betalingen ontvangt van internetgebruikers die betalen voor het bekijken van deze foto’s. Dat laatste kan overigens slechts gelden voor de foto op blz. 1110 die op een betaalsite [site 2] stond. De andere afbeelding van blz. 1112 stond op een zg. vrije website. De officier heeft hiermee kennelijk ook rekening gehouden door de woorden ‘na het betalen van een bedrag via een zg. internetkassa’ tussen accolades {…} te plaatsen.

Indien wordt uitgegaan van de door de officier van justitie bedoelde situatie, kan naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen worden dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van de minderjarige [slachtoffer 1] met een ander tegen betaling, zoals bedoeld in het toen geldende artikel 250a Sr .

4. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande,

1.

dat zij in de periode van 8 februari 2000 tot en met 30 september 2002 in de gemeente Den Helder en in de gemeente Uitgeest, tezamen en in vereniging met anderen, een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het verspreiden en openlijk ten toon stellen

en in voorraad hebben van afbeeldingen, te weten afbeeldingen voorkomende in het proces-verbaal onder de bladnummers 379, 385, 388, 424, 429, zijnde afbeeldingen van sexuele gedragingen, waarbij personen, die kennelijk de leeftijd van 16 jaar nog niet hebben bereikt, zijn betrokken, immers hebben verdachte en haar mededaders internet-sites geopend en in stand gehouden en hierop bovenbedoelde afbeeldingen geplaatst en geplaatst gehouden (waarna het voor internet-gebruikers mogelijk was, al dan niet na het betalen van een bedrag via een zogenaamde internet-kassa, deze afbeelding te bekijken en te downloaden);

2.

dat zij in de periode van 1 oktober 2002 tot en met 3 oktober 2002 in de gemeente Den Helder en in de gemeente Uitgeest, tezamen en in vereniging met anderen, een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het verspreiden en openlijk ten toon stellen en

in bezit hebben van afbeeldingen, te weten afbeeldingen voorkomende in het proces-verbaal onder de bladnummers 379, 385, 388, 393, 407, 418, 421,424 en 429, zijnde afbeeldingen van sexuele gedragingen, waarbij personen, die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt, zijn betrokken, immers hebben verdachte en haar mededaders internet-sites geopend en in stand gehouden en hierop bovenbedoelde afbeeldingen geplaatst en geplaatst gehouden (waarna het voor internet-gebruikers mogelijk was, al dan niet na het betalen van een bedrag via een zogenaamde internet-kassa, deze afbeeldingen te bekijken en te downloaden);

3.

dat zij op 01 oktober 2002 in de gemeente Den Helder, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen een gegevensdrager, bevattende een afbeelding van seksuele gedraging, te weten een afbeelding aangetroffen in een computer op het adres [adres 2] en voorkomende in het proces-verbaal op het blad 435

en een afbeelding aangetroffen op een CD-rom op het adres [adres 1] en

voorkomende in het proces-verbaal op blad 2682, bij welke vorenbedoelde afbeelding

telkens een persoon, die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt,

was betrokken, in bezit heeft gehad;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

6. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van het verspreiden, openlijk ten toon stellen en in voorraad hebben van een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van 16 jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, meermalen gepleegd.

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van het verspreiden, openlijk ten toon stellen en in bezit hebben van een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, meermalen gepleegd.

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van het in bezit hebben van een gegevensdrager bevattende afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, meermalen gepleegd.

7. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8. GEEN STRAF OF MAATREGEL

Verdachte en zijn/haar medeverdachten hebben in het kader van hun internetbedrijf kinderpornografische afbeeldingen vanuit Brazilië en Oost-Europa aangekocht, vanuit Nederland op internet gepubliceerd en grotendeels ook via internet te koop aangeboden. Verdachten hebben zowel in Brazilië als in Oost-Europa bij de producenten foto’s besteld en over de te maken foto’s contact gehad. Gebleken is dat drie van de Braziliaanse meisjes jonger dan 16 jaar waren en dat drie Oost-Europese meisjes jonger dan 18 jaar waren toen zij werden gefotografeerd. Daarnaast is een ook uit andere onderzoeken bekende foto van een zeer jong meisje aangetroffen. Deze foto is aangetroffen op een cd-rom. Van verdere handelingen van verdachten met deze foto is niet gebleken.

De strafbepaling van artikel 240b Sr beoogt seksueel misbruik van jeugdigen en de commerciële uitbuiting daarvan tegen te gaan. Het artikel is de laatste tien jaren regelmatig aangepast aan actuele ontwikkelingen en veranderde inzichten. In 1996 is de maximum straf drastisch verhoogd van drie maanden naar vier jaren. Indien een pleger van dit delict een beroep of een gewoonte maakt, is de maximumstraf zelfs 6 jaren. In de loop der tijd is een aantal begrippen uit deze bepaling ruimer geformuleerd of uitgelegd. Tenslotte is bij de wetswijziging die op 1 oktober 2002 in werking trad, de leeftijdsgrens verhoogd van 16 naar 18 jaren en is ook virtuele kinderpornografie strafbaar gesteld. Uit deze ontwikkeling is duidelijk dat de wetgever steeds actiever en harder wenst op te treden tegen het verschijnsel kinderpornografie.

professioneel optreden:

De verdachte en zijn/haar medeverdachten hebben zich beroepshalve bezig gehouden met de aankoop en verspreiding via internet van pornografische afbeeldingen. Uit het onderzoek is gebleken dat de verdachten met behulp van drie servers een groot aantal pornografische websites in werking hadden. Voorts bleken zij meer dan een miljoen pornografische afbeeldingen in bezit te hebben. Deze sites leverden aanmerkelijke inkomsten op. De verdachte [VERDACHTE] reisde in verband met deze zakelijke activiteiten naar zijn leveranciers in Brazilië en Rusland.

Dit brengt met zich mee dat van de verdachten een grotere verantwoordelijkheid mag worden verwacht dan van de gemiddelde internetgebruiker die al surfend pornografie downloadt en daarbij mogelijk kinderpornografische foto’s binnenhaalt. De verdachten behoren bij hun inbreng in deze wereldwijde pornomarkt de door de wetgever getrokken grenzen te bewaken door daaraan niet bewust of uit slordigheid kinderpornografie toe te voegen. Van hen mag worden verwacht dat ze een veilig beleid voeren en niet gemakkelijk vertrouwen op mededelingen van leveranciers of op toegezonden kopieën van identiteitsdocumenten, waarmee heel eenvoudig geknoeid kan worden. Hoe groot het risico op dergelijke knoeierijen is, mag blijken uit het feit dat in deze strafzaak het merendeel van de onderzochte kopieën van identiteisbewijzen vervalst bleek te zijn. De verantwoordelijkheid was des te groter nu verdachten niet alleen al bestaande foto’s kochten, maar ook met de producenten overleg voerden over nog te maken foto’s. Zij moeten zich er voorts van bewust zijn geweest dat de foto’s gemaakt werden in landen waar de sociaal economische omstandigheden minder gunstig zijn dan in West-Europa.

omvang van de zaak:

In deze zaak doet zich de toevallige omstandigheid voor dat de doorzoekingen van de woning van de medeverdachten [VERDACHTE] en [MEDEVERDACHTE]en de bedrijfsruimte van de vof op 3 oktober 2002 hebben plaatsgevonden, terwijl slechts twee dagen eerder de leeftijdgrens van artikel 240b Sr was verhoogd van 16 naar 18 jaar. Dat betekent dat veel pornografische afbeeldingen die tot en met 30 september 2002 legaal waren, de volgende dag illegaal waren.

Dit brengt met zich mee dat voor de foto’s genoemd in feit 1, welk feit ziet op de langste periode van 8 februari 2000 tot en met 30 september 2002, het oude recht gold en moet worden bewezen dat de zeven meisjes op de foto’s kennelijk de leeftijd van 16 jaar nog niet hebben bereikt. Alleen bij de foto’s van de drie Braziliaanse meisjes [slachtoffer 6], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] is de rechtbank tot die bewezenverklaring gekomen.

Feit 2 heeft betrekking op een korte periode van drie dagen na de wetswijziging, de periode van 1 tot en met 3 oktober 2002. Bij dit feit is de rechtbank tot bewezenverklaring gekomen met betrekking tot de foto’s van zes van de acht meisjes, nl. de foto’s van van [slachtoffer 6], [slachtoffer 7], [slachtoffer 8], [slachtoffer 1], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5].

Feit 3 heeft als pleegdatum 1 oktober 2002, de dag waarop de wet is veranderd. De rechtbank is tot bewezenverklaring gekomen van twee van de negen foto’s, nl. de foto van [slachtoffer 6] en het kleine meisje uit de zg. [serie 2].

De feiten 4 en 5 heeft de rechtbank niet bewezenverklaard.

Hoewel het dossier een aanmerkelijke omvang heeft en het onderzoek veel tijd in beslag heeft genomen, heeft het onderzoek op de terechtzitting uiteindelijk geleid tot een bewezenverklaring met betrekking tot de foto’s van de zeven minderjarige meisjes.

De rechtbank heeft vastgesteld dat dit niet het gevolg is van een ongelukkige selecties van foto’s, want vrijwel alle foto’s in het dossier - en dat zijn er zeer vele - tonen meisjes in de postpuberale fase waarvan moeilijk aan de hand van lichaamskenmerken kan worden beoordeeld of ze 15, 16, 17 of wellicht al 18 jaar zijn. Uit de verklaringen van verdachte [VERDACHTE] en [MEDEVERDACHTE]valt af te leiden dat de vof zich bewust richtte op dit segment van de markt en dat zij zich realiseerden dat zij daarmee risico liepen.

Tijdsverloop:

Voorts moet worden vastgesteld dat het onderzoek veel tijd in beslag heeft genomen. Na de eerste confrontatie van verdachte met het onderzoek in oktober 2002 is de zaak op 17 maart 2004 voor het eerst op de terechtzitting aangebracht. Vanwege een langdurige detentie in Brazilië was de verdachte [VERDACHTE] nog niet gehoord. De behandeling van de zaak is toen op verzoek van de officier van justitie en de verdediging geschorst onder meer om de verdachte [VERDACHTE] alsnog door de rechter-commissaris te doen verhoren en om nader onderzoek te doen in Brazilië. Op 9 februari 2005 is de zaak op de terechtzitting inhoudelijk behandeld. Op deze zitting presenteerde de verdediging fotokopieën van identiteitsbewijzen van de Russische en Oekraïense meisjes. Dit heeft ertoe geleid dat de rechtbank de behandeling nogmaals heeft geschorst, maar nu onder meer om nader onderzoek te doen in Rusland en de Oekraïne. Het heeft lang geduurd voor alle resultaten van dit onderzoek waren ontvangen. Toen in juni 2006 werd voorgesteld om de zaak weer op zitting aan te brengen, bleek dat behandeling voor 1 oktober 2006 vanwege de gezondheidstoestand van de verdachte [VERDACHTE] onmogelijk was. Tenslotte heeft de laatste behandeling op 10 oktober 2006 plaatsgevonden. De rechtbank zal met dit lange tijdsverloop rekening houden bij het bepalen van de strafmaat.

Het lange tijdsverloop heeft ook nadelige neveneffecten gehad voor de verdachten [VERDACHTE] en [MEDEVERDACHTE]door de lange duur van de gelegde beslagen. Er in oktober 2002 strafrechtelijk beslag gelegd op alle computers, servers en gegevensdragers. Bovendien is er conservatoir beslag gelegd op de woning en de bankrekeningen van de verdachten [VERDACHTE], [MEDEVERDACHTE]en de vof in verband met een ter terechtzitting aangekondigde ontnemingsvordering. Tenslotte heeft de bank naar aanleiding van deze zaak de hypothecaire lening opgezegd en moest de woning worden verkocht.

De zaak heeft ook veel publiciteit gehad. Deze publiciteit werd overigens voornamelijk veroorzaakt door het diplomatieke ongenoegen dat ontstond bij de Braziliaanse autoriteiten toen bleek dat de verdachte [VERDACHTE] tijdens een schorsing van de voorlopige hechtenis naar Nederland was gereisd met een door het Nederlands consulaat verstrekt vervangend reisdocument. De publiciteit over deze zaak doet een grotere en ernstiger zaak vermoeden dan er uiteindelijk na veel onderzoek is overgebleven.

Gelet op het vorenstaande en met name de financiële gevolgen voor beide vennoten [VERDACHTE] en [MEDEVERDACHTE] en de in het vooruitzichtgestelde ontnemingsvordering is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte conform de eis van de officier van justitie geen straf of maatregel dient te worden opgelegd.

9. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9a, 47, 57, 240b (oud), 240b van het Wetboek van Strafrecht.

10. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1, 2, en 3 ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. van der Perk, voorzitter,

mr. A.J. Dondorp en mr. Y.M.I. Greuter-Vreeburg, rechters,

in tegenwoordigheid van D.H. Geuze, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 oktober 2006. Mr. A.J. Dondorp is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.