Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AY9248

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
02-10-2006
Datum publicatie
02-10-2006
Zaaknummer
AWB 06/2464
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2006:AZ4283
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2007:BA5216, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Voor bepaling bebouwd oppervlak telt feitelijk aanwezige bebouwing. Ook bestaande kas die buiten het bebouwingsvak staat en onder het overgangsrecht valt telt mee.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummers: 06/2464 ONBEK en 06/1993 WW44

Uitspraak van de voorzieningenrechter

op grond van artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om opheffing van een voorlopige voorziening van:

[verzoeker],

wonende te [plaatsnaam],

gemachtigde mr. [X], advocaat te Arnhem,

en tevens op grond van artikel 8:86 van de Awb op het beroep van:

[eiser],

wonende te [plaatsnaam],

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaatsnaam],

verweerder,

gemachtigde [X], ambtenaar in dienst van de gemeente [plaatsnaam],

1. Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluiten van 24 augustus 2005 en 20 september 2005, verzonden op 21 september 2005, heeft verweerder, beslissende op een aanvraag van 29 juli 2005, aan [verzoeker] (hierna: [verzoeker]) respectievelijk vrijstelling ingevolge artikel 11, achtste lid, sub b, van het bestemmingsplan ‘[bestemmingsplan]’ in samenhang met artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een schuur op het perceel kadastraal bekend gemeente [plaatsnaam], sectie [X], nummer [X], plaatselijk bekend [adres] te [plaatsnaam].

Tegen deze besluiten heeft [eiser] (hierna: [eiser]) bij brief, door verweerder ontvangen op 1 november 2005, bezwaar gemaakt.

Bij brief van 26 januari 2006 heeft [eiser] de voorzieningenrechter verzocht om toepassing te geven aan artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij uitspraak van 17 februari 2006, registratienummer WW44 06/363, heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en de besluiten van 24 augustus en 20 september 2005 geschorst.

Bij besluit van 26 juni 2006 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de besluiten van 24 augustus en 20 september 2005, in afwijking van het advies van de commissie bezwaarschriften, gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft [eiser] bij brief van 6 juli 2006, per fax ontvangen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 22 augustus 2006, door de rechtbank ontvangen op 23 augustus 2006, heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht om de schorsing van de besluiten van 24 augustus en 20 september 2005 op te heffen.

Bij brief van 28 augustus 2006 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Vervolgens is het verzoek ter zitting van 18 september 2006 behandeld. [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. [X]. [eiser] is eveneens in persoon verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde [X].

2. Motivering

2.1 Ingevolge artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen.

Ingevolge artikel 8:87, tweede lid, van de Awb, voorzover hier van belang, is artikel 8:86 van overeenkomstige toepassing.

Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek een voorlopige voorziening te treffen de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Aangezien alle voor een beslissing relevante feiten en omstandigheden naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geding aan de orde zijn geweest meent de voorzieningenrechter dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter zal dan ook gebruik maken van de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2 Het geschil heeft betrekking op de bij besluiten van 24 augustus en 20 september 2005 aan [verzoeker] verleende binnenplanse vrijstelling en bouwvergunning voor het oprichten van een schuur van ongeveer 300 m² achter de woning en een bestaande koelcel op het perceel [adres].

2.3 Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘[bestemmingsplan]’ rust op het betreffende perceel de bestemming ‘Agrarische doeleinden en wonen c.a.’.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en sub a, van de bestemmingsplanvoorschriften zijn de op de plankaart ongekleurd aangegeven gronden bestemd voor agrarische bedrijven met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering en de daarbij behorende bouwwerken en open terreinen.

Ingevolge artikel 11, derde lid, sub c, van de planvoorschriften mogen in de agrarische bebouwingsvakken, zoals die zijn ingetekend in de bij deze voorschriften behorende bijlage A en overeenkomend met de bij g opgenomen tabel agrarische bedrijfsgebouwen, kassen en agrarische bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd volgens lid 7 en 8.

Ingevolge artikel 11, derde lid, sub g, van de planvoorschriften is het bedrijf van vergunninghouder aangemerkt als agrarisch deeltijdbedrijf (Wad).

Ingevolge artikel 11, zevende lid, sub a, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mogen agrarische bedrijfsgebouwen slechts worden gebouwd in de in lid 3 onder c omschreven agrarische bebouwingsvakken met de aanduidingen Wad.

Ingevolge artikel 11, zevende lid, sub d, van de planvoorschriften mogen ter hoogte van de aanduiding Wad of ad bedrijfsgebouwen en kassen worden gebouwd tot ten hoogste 250 m².

Ingevolge artikel 11, achtste lid, sub b, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in artikel 11, zevende lid, sub d voor een oppervlakte aan bedrijfsgebouwen en kassen van ten hoogste 500 m² .

2.4 Uit de van voornoemd bestemmingsplan deel uitmakende plankaart blijkt dat de op te richten schuur binnen het op de plankaart aangegeven bouwvak is voorzien. Vergunninghouder heeft binnen het bouwvak reeds 200 m² aan bedrijfsgebouwen gerealiseerd. Niet in geschil is dat op het perceel van [verzoeker] buiten het bebouwingsvak een kas met een oppervlakte van circa 1.000 m2 is gelegen, die onder het overgangsrecht valt. Op het perceel van [verzoeker] bevindt zich in totaal derhalve ongeveer 1.200 m² aan bedrijfsgebouwen en kassen.

2.5 De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak van 17 februari 2006 geoordeeld dat de buiten het bebouwingsvak gelegen bebouwde oppervlakte van de kas, die onder het overgangsrecht valt, bij de toetsing van het bouwplan aan de voorschriften omtrent het maximaal toegestane bebouwde oppervlak niet buiten beschouwing kan worden gelaten. Derhalve kon naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor het onderhavige bouwplan wegens overschrijding van het maximale bebouwde oppervlak geen vrijstelling als bedoeld in artikel 11, achtste lid, sub b, worden verleend. Hieruit volgde volgens de voorzieningenrechter dat verweerder de bouwvergunning op grond van het dwingend bepaalde in artikel 44 van de Woningwet wegens strijd met het bestemmingsplan had moeten weigeren.

2.6 Verweerder stelt zich op het standpunt dat het maximaal toegestane bebouwde oppervlak in het bestemmingsplan met realisering van het bouwplan weliswaar wordt overschreden, doch dat gebleven wordt binnen het met een binnenplanse vrijstelling maximaal te realiseren bebouwde oppervlak. In de beslissing op bezwaar heeft verweerder zijn standpunt dat de op het perceel aanwezige kas niet meetelt bij de bepaling van het bebouwde oppervlak, nader gemotiveerd. De norm voor het maximaal toegestane bebouwde oppervlak heeft naar het oordeel van verweerder slechts betrekking op de bebouwing binnen het bebouwingsvak. Bebouwing gelegen buiten het bebouwingsvak en vallend onder het overgangsrecht dient niet te worden meegerekend bij het bepalen van de maximale bebouwde oppervlakte. Bebouwing onder het overgangsrecht valt onder de overgangsrechtelijke planvoorschriften en niet onder de overige planvoorschriften. Verweerder heeft derhalve de reeds bij besluiten van 24 augustus en 20 september 2005 verleende vrijstelling ingevolge artikel 11, achtste lid, sub b, van de planvoorschriften en bouwvergunning voor het bouwplan gehandhaafd.

2.7 De voorzieningenrechter onderschrijft het oordeel van de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 17 februari 2006. Hiertoe overweegt hij als volgt.

2.7.1 Gezien artikel 11 van de planvoorschriften, dat geldt voor alle gronden van [verzoeker], moet bedrijfsbebouwing, waaronder kassen, ingevolge het zevende lid staan binnen het bebouwingsvak en mag bedrijfsbebouwing niet meer dan 250 m² beslaan, dan wel 500 m² met binnenplanse vrijstelling.

De vraag is wat er aan bedrijfsbebouwing aanwezig is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit de op de gronden van [verzoeker] feitelijk aanwezige bedrijfsbebouwing. In dit kader moet dus alle bedrijfsbebouwing worden bezien, binnen en buiten het bebouwingsvak, legaal en illegaal en wel of niet vallend onder het overgangsrecht.

Vast staat dat [verzoeker] ongeveer 1.200 m² bedrijfsbebouwing heeft. Dat hiervan 1.000 m² buiten het bebouwingsvak staat, maakt gelet op het voorgaande de beoordeling of wordt voldaan aan het maximaal te bebouwen oppervlak niet anders.

Nu de bebouwde oppervlakte aldus reeds vóór realisering van het bouwplan ongeveer 1.200 m² en dus meer dan 500 m² bedraagt, was verweerder niet bevoegd om voor het onderhavige bouwplan vrijstelling als bedoeld in artikel 11, achtste lid, sub b, van de planvoorschriften te verlenen. Hieruit volgt dat het bestreden besluit wegens strijd met de wet geen stand kan houden.

2.8 Aan bespreking van de overige beroepsgronden komt de voorzieningenrechter gelet op het voorgaande niet meer toe.

2.9 Het beroep van [eiser] is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Hiermee is echter nog niet gezegd dat realisering van een schuur op deze plek niet aanvaardbaar is vanwege de belangen van [eiser]. Verweerder dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.10 Het namens [verzoeker] gedane verzoek om opheffing van de bij uitspraak van 17 februari 2006 getroffen voorlopige voorziening kan reeds hierom niet worden ingewilligd.

De voorzieningenrechter ziet in het geconstateerde gebrek aanleiding om op grond van artikel 8:72, zesde lid, van de Awb te bepalen dat de bij uitspraak van 17 februari 2006 getroffen voorlopige voorziening vervalt op het tijdstip als hierna vermeld.

2.11 Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding nu niet is gebleken dat [eiser] daarvoor in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter,

- verklaart het beroep in de hoofdzaak gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de bij uitspraak van 17 februari 2006 getroffen voorlopige voorziening vervalt op het moment dat zes weken zijn verstreken na verzending van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar;

- wijst het verzoek om opheffing van de bij uitspraak van 17 februari 2006 getroffen voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat de gemeente [plaatsnaam] aan [eiser] het griffierecht ten bedrage van € 141,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 2 oktober 2006 door mr. M. Kraefft, voor-zieningen-rechter, in tegen-woordig-heid van mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, griffier.

griffier, voorzieningenrechter,

Tegen de uitspraak op het beroep kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening kan geen hoger beroep worden ingesteld.