Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AY4708

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
31-03-2006
Datum publicatie
20-07-2006
Zaaknummer
195960 CV EXPL 05-3218
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen zijn eigenaren van percelen bouwland die aan elkaar grenzen. Gedaagden hebben naar het oordeel van de kantonrechter onrechtmatig jegens eisers gehandeld, door zonder toestemming van eisers de tussen de percelen liggende greppel dicht te storten waardoor de waterhuishouding verstoort is geraakt en eisers schade hebben geleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Hoorn

Zaaknr/rolnr.: 195960 CV EXPL 05-3218

Uitspraakdatum: 31 maart 2006

Vonnis in de zaak van:

1. [eiser 1], en

2. [eiser 2]

beiden wonende te Opperdoes

eisende partijen

verder ook te noemen: [eisers]

gemachtigden: mr. M. Berenschot, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam, en C.Th. Snijder, gerechtsdeurwaarder te Beverwijk

tegen

1. de vennootschap onder firma [bedrijfsnaam], gevestigd en kantoorhoudende [adres] Medemblik;

2. [gedaagde 1], wonende [adres] Medemblik;

3. [gedaagde 2], wonende [adres] Opperdoes;

gedaagde partijen

verder ook te noemen: [gedaagden]

verschenen

Het procesverloop

[Eisers] heeft een vordering ingesteld, zoals omschreven in de dagvaarding d.d. 20 september 2005 met producties.

[Gedaagden] hebben bij antwoord met producties verweer gevoerd.

Vervolgens is onder overlegging van producties gediend van repliek en dupliek.

Na beraad heeft de kantonrechter een comparitie gelast, die is gehouden op 28 maart 2006, in aanwezigheid van partijen en mr. Berenschot voornoemd.

Van deze comparitie heeft de griffier aantekeningen gehouden.

De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

Ten slotte is heden uitspraak bepaald.

De uitgangspunten

[Eisers] zijn eigenaren van een perceel bouwland, gelegen aan de [adres] te Opperdoes, gemeente Noorder-Koggenland, kadastraal bekend [nummer].

[Gedaagden] zijn eigenaren van het aangrenzend perceel [nummer].

De standpunten van partijen

[Eisers] maken in rechte onder meer aanspraak op betaling door [gedaagden] aan hen van de navolgende bedragen, telkens te vermeerderen met rente.

- € 250,00 wegens begrote geleden oogstschade

- € 200,00 wegens begrote kosten voor het (in eigen beheer) frezen van een waterloop

- € 511,78 wegens kosten van het door [eisers] ingeschakelde agrarisch expertisebureau Veldboer Agrex BV.

- € 738,00 wegens inschakeling door [eisers] van het Kadaster

- € 1.200,77 wegens gemaakte kosten voor drainage

- € 1.125,28 wegens gemaakte kosten voor het laten uitvlakken van het perceel van [eisers].

Als grondslag voor het gevorderde is aangevoerd dat [gedaagden], zonder toestemming van [eisers] in 2002 hun perceel opgehoogd hebben waardoor een op de grens tussen de betreffende percelen liggende waterloop dichtgestort is. Een en ander heeft volgens [eisers] tot gevolg gehad dat de waterhuishouding verstoord is, waardoor de witlofoogst van [eisers] door rot verloren is gegaan.

[Eisers] hebben zich vanwege de betwisting van de aansprakelijkheid door [gedaagden] genoodzaakt gezien het Kadaster en een expertisebureau in te schakelen. Zij stellen zich op het standpunt dat [gedaagden] de kosten daarvan dienen te vergoeden ex artikel 6:98 BW als zijnde redelijk gemaakte kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade.

De oogstschade dient te worden vergoed als zijnde ontstaan door een onrechtmatige daad van [gedaagden].

Om verdere waterschade te voorkomen hebben [eisers] hun perceel van drainage laten voorzien en laten uitvlakken. Een en ander was niet nodig geweest als het land van [gedaagden] niet was opgehoogd en de waterloop zou zijn gehandhaafd. Ook voor de daarmee samenhangende kosten houden [eisers] [gedaagden] aansprakelijk.

[Gedaagden] hebben verweer gevoerd.

Aangegeven is dat de onderhavige greppel in 1989 door [gedaagden] gemaakt is in verband met het hoogteverschil tussen het naastgelegen land (thans) van [eisers] (hoger) en het land van [gedaagden] (lager). Het overtollige water van het land van (thans) [eisers] kon daarin weglopen. Omdat het land van [gedaagden] nu op gelijke hoogte ligt met het land van [eisers] is afvoer naar het land van [gedaagden] nu niet meer mogelijk. De noodzakelijke drainage en uitvlakking behoren volgens [gedaagden] tot de gewone bedrijfsvoering. Voor de kosten daarvan (€ 1.200,77 en € 1.125,80) achten zij zich niet aansprakelijk. Opgemerkt is nog dat de door [eisers] opgevoerde kosten vermoedelijk betrekking hebben op het gehele perceel en niet alleen op het gedeelte dat aan het perceel van [gedaagden] grenst.

Oorzakelijk verband terzake de oogstschade is volgens [gedaagden] niet aangetoond. Ook de hoogte van het schadebedrag wordt betwist.

[Gedaagden] achten niet aangetoond dat [eisers] schade zouden hebben geleden door hun handelen. Zij ontkennen een onrechtmatige daad te hebben verricht.

Door toedoen van [eisers] zou de oorspronkelijk op de grens tussen de percelen van partijen gelegen hebbende greppel steeds meer op het perceel van [gedaagden] zijn komen te liggen. Volgens het kadaster stonden de palen van [gedaagden] precies op de grens. Bij buren heeft het Kadaster wel verschil geconstateerd.

[Gedaagden] wijzen elke aansprakelijkheid af.

De beoordeling

Als grondslag voor het gevorderde is aangevoerd een door [gedaagden] gepleegde onrechtmatige daad, bestaande in het verstoren van de waterhuishouding door zonder toestemming van [eisers] een deels op het land van [eisers] liggende waterloop dicht te storten en/of het eigen terrein op te hogen.

Naar het oordeel van de kantonrechter behoefde [gedaagden] voor het ophogen van het eigen terrein geen toestemming van [eisers], zodat hieronder slechts beoordeeld zal worden het vraagstuk van een eventuele onrechtmatige daad, bestaande in het verstoren van de waterhuishouding door zonder toestemming van [eisers] een deels op het land van [eisers] liggende waterloop dicht te storten en de op grond daarvan eventueel aan te nemen aansprakelijkheid voor ten gevolge daarvan ontstane schade.

Partijen zijn het erover eens dat de greppel tussen de percelen van partijen in ieder geval oorspronkelijk op de grens heeft gelegen, zodanig dat het midden van de greppel op de erfgrens lag en op elk van de percelen een helft van de greppel liep.

Partijen verschillen van mening over de plaats van de greppel ten tijde van de ophoging van het eigen land door [gedaagden].

Naar het oordeel van de kantonrechter is tussen partijen niet in dispuut (geweest) de ligging van de erfgrens tussen de percelen.

Voor en na de meting door het (door [eisers] ingeschakelde kadaster) hebben de erfgrenspalen steeds op dezelfde lijn gestaan.

Naar het oordeel van de kantonrechter hebben [gedaagden] onzorgvuldig gehandeld door de greppel, waarvan vast is komen te staan dat deze in het verleden juist is gegraven ten behoeve van de waterhuishouding, dicht te storten.

Op grond van dit oordeel acht de kantonrechter [gedaagden] aansprakelijk voor de ten gevolge van die onzorgvuldigheid ontstane schade.

Op basis van het in de procedure overgelegde deskundigenrapport gaat de kantonrechter er van uit dat tussen de verstoorde waterhuishouding en de schade aan de witlof een oorzakelijk verband is aan te nemen. Deze schade is beraamd op € 250,00. Deze kosten zullen door [gedaagden] gedragen dienen te worden.

Bij gelegenheid van de gehouden comparitie van partijen hebben [eisers] erkend dat als de greppel er snel weer zou zijn gekomen de oorspronkelijke situatie hersteld zou zijn geweest.

Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat als gevolgschade van de onzorgvuldigheid wel de kosten gemoeid met het opnieuw graven van de greppel (begroot op € 200,00) kunnen worden beschouwd, maar niet de door [eisers] opgevoerde kosten van drainage en uitvlakken van het terrein. Van deze verstrekkende maatregelen is de noodzaak onvoldoende gebleken.

Het feit dat [gedaagden] in eerste instantie geen medewerking wilden verlenen aan het (bekostigen van het) graven van een nieuwe greppel doet aan bovenstaande niet af.

De kosten van inschakeling van het expertisebureau dient naar het oordeel van de kantonrechter in redelijkheid en billijkheid door beide partijen, ieder bij helfte gedragen te worden.

De kosten verbonden aan de inschakeling van het kadaster dient voor risico en rekening van [eisers] te blijven, nu vastgesteld is dat de ligging van de erfgrens tussen partijen nooit in dispuut is geweest.

Al het bovenstaande brengt de kantonrechter tot de slotsom dat [gedaagden] aan [eisers] als schadevergoeding wegens onrechtmatige daad zullen moeten betalen een bedrag van € 705,89.

Gelet op de uitkomsten in deze zaak zal de kantonrechter de proceskosten tussen partijen compenseren, zodanig dat iedere partij de eigen kosten zal moeten dragen.

De beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan [eisers] tegen kwijting te betalen € 705,89, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 januari 2004 tot de dag van betaling.

Compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. van Vollenhoven, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 31 maart 2006 in het openbaar uitgesproken.