Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AY2625

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
07-07-2006
Datum publicatie
07-07-2006
Zaaknummer
06/1405 WW44 en 06/1851 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Het bouwplan voor een appartementencomplex met 16 seniorenwoningen in Blokker is niet in strijd met het bestemmingsplan zoals eisers hebben aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 06/1405 WW44 en 06/1851 WW44

Uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van:

[naam, [naam] en [naam],

allen wonende te [woonplaats],

eisers,

tegen

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hoorn,

verweerder.

1. Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 31 januari 2006 heeft verweerder aan Stabo Ontwikkeling BV (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling als bedoeld in artikel 9, vierde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Eerste partiële herziening Westerblokker 1981” en bouwvergunning verleend voor de bouw van zestien appartementen voor senioren op het perceel, kadastraal bekend gemeente Hoorn, sectie L, nrs. 01184, 01185, 01186, 03697 en 03695, plaatselijk bekend [adres].

Tegen dit besluit hebben eisers bij brieven van 9 februari 2006 bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak van 3 maart 2006 heeft de voorzieningenrechter een onder meer door eisers ingediend verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

Bij brief van 29 april 2006 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op hun bezwaren.

Bij besluit van 18 mei 2006 heeft verweerder de bezwaren alsnog ongegrond verklaard.

Bij brief van 25 mei 2006 hebben eisers meegedeeld hun beroep tegen verweerders besluit van 18 mei 2006 te handhaven en dit nader gemotiveerd. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2006, waar eisers [naam] en [naam] in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door [naam], werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Ook vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. [naam], advocaat te Hoorn, en [naam], is verschenen.

2. Motivering

2.1. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij na de behandeling van het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Dat oordeel is de voorzieningenrechter in dit geval toegedaan en daarom doet hij meteen uitspraak in de hoofdzaak.

2.2. Niet is gebleken dat eisers nog enig belang hebben een beoordeling van hun beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op hun bezwaren. Daarbij moet het overigens gaan om een ander belang dan het vergoed krijgen van griffierecht of proceskosten. Daarom zal de voorzieningenrechter het beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaren. Nu eisers ervoor hebben gekozen hun beroep te handhaven voor zover het is gericht tegen verweerders besluit van 18 mei 2006 - en daarvoor niet apart griffierecht hebben betaald - zal de voorzieningenrechter aan de hand van zijn beslissing over dat deel van eisers beroep bezien of het griffierecht aan hen moet worden vergoed. Voor een proceskostenveroordeling in verband met het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op hun bezwaren is geen aanleiding nu niet is gebleken dat eisers daarvoor ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking komende kosten hebben gemaakt.

2.3. Het standpunt van vergunninghoudster dat eisers [naam] en [naam] geen belanghebbenden zijn bij de verlening van de bouwvergunning volgt de voorzieningenrechter niet. Deze eisers wonen op ongeveer 60 meter afstand van het bouwplan en hebben daarop vanuit hun woning direct zicht. Dit geeft hun naar het oordeel van de voorzieningenrechter een rechtstreeks bij de verlening van de bouwvergunning betrokken belang en daarom zijn zij belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4. Het geschil gaat over het bouwplan voor een appartementencomplex met 16 seniorenwoningen op een perceel nabij de woningen van eisers. Ingevolge het bestemmingsplan “Eerste partiële herziening Westerblokker 1981” heeft dat perceel de bestemmingen “Meergezinsbebouwing” en “Tuin”.

2.4.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor “Meergezinsbebouwing” aangewezen gronden bestemd voor woondoeleinden in gestapelde vorm.

In artikel 3, tweede lid, van de planvoorschriften is in hoofdlijnen beschreven op welke wijze de in het eerste lid genoemde bestemming zal worden gerealiseerd:

a. in totaal mogen niet meer dan 18 woningen worden gerealiseerd;

b. de woningen zullen gericht zijn op de zelfstandige huisvesting van ouderen;

c. de hoofdingang van het gebouw en de daarin opgenomen woningen zal gericht zijn op de Westerblokker;

d. het gebouw zal in twee bouwlagen met daarboven een kap(verdieping) worden gerealiseerd, waarbij de breedte van ieder gedeelte van de geleding maximaal 12 meter mag en minimaal 5 meter moet bedragen;

e. het gebouw zal ten opzichte van de Westerblokker niet één bouwmassa mogen vormen, maar zal geleed moeten worden gerealiseerd, waarbij de breedte van ieder gedeelte van de geleding maximaal 12 meter en minimaal 5 meter moet bedragen.

f. ten behoeve van deze woningen is één vrijstaand bijgebouw toegestaan.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de planvoorschriften gelden voor het bouwen met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid onder meer de volgende bepalingen:

a. de goothoogte mag niet meer dan 6 meter bedragen;

b. de dakhellingen van het gebouw mogen niet meer dan 55 en niet minder dan 40 graden bedragen;

c. de bouwhoogte mag met inachtneming van het bepaalde onder 3b niet meer dan 10 meter bedragen.

2.4.2. Ingevolge artikel 1, elfde lid, van de planvoorschriften wordt onder kapverdieping verstaan: een bijzondere bouwlaag, waarvan tenminste één zijde een dakhelling moet hebben van ten minste 40 graden.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften wordt bij de toepassing van deze voorschriften de goothoogte van een gebouw gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwdelen als goten van dakkapellen niet meegerekend.

2.5. Eisers hebben allereerst aangevoerd dat het bouwplan het op de plankaart aangegeven bestemmingsvlak overschrijdt. Uit de tekeningen bij de bouwvergunning blijkt immers dat het bouwplan een lengte van 44,5 meter heeft, terwijl de lengte van het op de plankaart aangegeven bestemmingsvlak 44 meter is.

De voorzieningenrechter stelt vast dat noch op de plankaart noch in de voorschriften de maten van het bestemmingsvlak zijn vermeld. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS) van 21 juli 2004, 200304911/1 en 200304880/1, over de beroepen tegen de goedkeuring van het bestemmingsplan zoals dit nu geldt, is aangenomen dat het bouwvlak 25 bij 44,5 meter groot is. Van deze maten moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden uitgegaan. Er is dus geen reden om te oordelen dat het bouwplan is voorzien buiten het aangewezen bestemmingsvlak.

2.6. Eisers hebben zich verder op het standpunt gesteld dat de goothoogte van het gebouw in strijd met artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften meer dan 6 meter bedraagt. Eisers hebben in dit verband ter zitting te kennen gegeven dat zij zich niet langer op het standpunt stellen dat de hoogte ten opzichte van het peil van de goot boven de eerste verdieping van het gebouw 6,15 meter is, zodat deze stelling geen bespreking behoeft. Eisers handhaven echter hun standpunt dat de kapverdieping waarin het bouwplan voorziet niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Deze is immers aan te merken als extra woonlaag, zodat het voor de hand ligt het platte dak van de kapverdieping, dat 9,30 meter hoog is, dan wel de 14 goten die zich vlak onder het platte dak bevinden, en die zorgen voor de afwatering naar de ondergelegen goot, als goothoogte aan te merken. Eisers beroepen zich op een tweetal uitspraken van de ABRS.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het bouwplan voorziet in een gebouw van twee bouwlagen met verticale muren tot een hoogte van 6 meter met daarbovenop een kapverdieping met aan alle zijden schuine wanden tot een hoogte van 9,23 meter. Deze schuine wanden zijn afgedekt met pannen en hebben een helling van 55 graden. Deze kapverdieping is op haar beurt voorzien van een plat dak. Anders dan eisers is de voorzieningenrechter van oordeel dat de kapverdieping in overeenstemming is met het bestemmingsplan. De begripsomschrijving van kapverdieping in artikel 1, elfde lid, van de planvoorschriften, de beschrijving in hoofdlijnen in artikel 3, tweede lid, van de planvoorschriften en de bebouwingsbepalingen in artikel 3, derde lid, van de planvoorschriften staan niet in de weg aan een kapverdieping als deze met een plat dak. Daarbij kan er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan voorbij worden gegaan dat, blijkens de “illustratieve uitwerking” die na pagina 8 van de toelichting bij het bestemmingsplan is gevoegd, de planvoorschriften zijn opgesteld met het oog op een bouwplan als dit. Ter zitting heeft vergunninghoudster toegelicht dat het platte dak afwatert via de hoeken van de schuine dakwanden. Het platte dak kan echter niet worden aangemerkt als boeiboord, druiplijn of goot, in de zin van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b van de planvoorschriften. Hetzelfde geldt voor de zogeheten envelopjes onder het platte dak, aangezien deze enkel als noodvoorziening zijn bedacht.

Gelet hierop moet de voorzieningenrechter concluderen dat de goothoogte van het bouwplan 6 meter is en dat de voorziene kapverdieping wat betreft goothoogte, bouwhoogte en overigens niet in strijd is met het bestemmingsplan. De uitspraken van de ABRS waar eisers zich op beroepen acht de voorzieningenrechter in dit geval niet van belang aangezien het in die gevallen ging om andere definities van “kap” en anders vormgegeven bouwplannen.

De voorzieningenrechter merkt hierbij nog op dat in dit kader moet worden uitgegaan van hoogtes ten opzichte van het peil zoals dat is gedefinieerd in de planvoorschriften. Het vaststellen van de hoogte van dat peil ter plaatse valt buiten het kader van dit geding. Maar alleen bouwen met inachtneming van dat peil is toegestaan op grond van de bij het bestreden besluit gehandhaafde vergunning.

2.7. Ook stellen eisers dat het bouwplan in strijd is met artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften niet geleed is.

Anders dan eisers betogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat de voorwaarde dat het gebouw geleed moet worden gerealiseerd, niet een afzonderlijk vereiste is naast de voorwaarde dat het gebouw ten opzichte van de Westerblokker niet één bouwmassa mag vormen. Ook in dit verband kan er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan worden voorbij gegaan dat als “illustratieve uitwerking” van een geleed uitgevoerd gebouw in de plantoelichting een bouwplan als dit is gegeven. Bovendien blijkt ook uit de hiervoor al genoemde uitspraak van de ABRS van 21 juli 2004 dat een bouwplan als dit naar het oordeel van de ABRS voldoet aan dit planvoorschrift. Deze stelling van eisers volgt de voorzieningenrechter dan ook niet.

2.8. Wat betreft het gericht zijn van de hoofdingang op de Westerblokker, zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, stelt de voorzieningenrechter vast dat zowel de functionele als de architectonische hoofdingang van het gebouw aan de zijde van de Westerblokker is gesitueerd. Aan dit voorschrift is dus voldaan.

2.9. Tenslotte overweegt de voorzieningenrechter dat afdoende is aangetoond dat de appartementen in relevant opzicht zijn aangepast voor senioren. Daarmee is voldoende aannemelijk dat de appartementen voor deze doelgroep zijn bedoeld; de voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de ABRS van 16 mei 2006, 200602635/2 (gepubliceerd op www.raadvanstate.nl). Hij merkt nog op dat gezien de ter zitting aanwezige kopers van appartementen de vrees voor bewoning daarvan door anderen dan senioren niet reëel lijkt.

2.10. Gezien de overwegingen hiervoor deelt de voorzieningenrechter het standpunt van eisers dat het bouwplan op de door hen aangevoerde punten in strijd is met het bestemmingsplan, niet. Het beroep is daarom ongegrond.

2.11. Bij deze beslissing is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.12. Bij deze beslissing is er ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter,

- verklaart het beroep, voor zover het is gericht tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing op de bezwaren van eisers,

niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, voor zover het is gericht tegen verweerders besluit van 18 mei 2006, ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 7 juli 2006 door mr. M. Kraefft, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, griffier.

griffier, voorzieningenrechter,

Tegen de uitspraak op het beroep kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening kan geen hoger beroep worden ingesteld.