Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AX9686

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
29-06-2006
Datum publicatie
30-06-2006
Zaaknummer
Awb 05/3139
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2007:BA2436, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres behoort tot een - op grond van ervaringsgevens gevormde - risicogroep hetgeen redelijke grond vormt om haar medewerking te verlangen aan een onaangekondigd huisbezoek. De wetgever heeft bedoeld dat verweerder zich bij zijn onderzoek naar de rechtmatigheid van verleende bijstanduitkeringen op dergelijke risicoprofielen mag baseren. Het onaangekondigd huisbezoek was voorts noodzakelijk voor het vaststellen van het recht op bijstand en kon niet op een minder ingrjipende wijze worden bereikt. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is niet onevenredig in verhouding tot het met de controle en verificatie van de verstrekte gegevens nagestreefde doel, te weten de vaststelling of toekenning van het recht op en de hoogte van de bijstand op basis van de juiste gegevens plaatsvindt. Nu eiseres voorts is gewezen op de mogelijke gevolgen van het niet meewerken aan het noodzakelijk geachte huisbezoek voor het recht op uitkering en niet is gebleken van een zeer dringende reden die aan de onmiddellijke uitvoering van een onaangekondigd huisbezoek in de weg staat, is sprake van een schending van de inlichtingen- en medewerkingsplicht en heeft verweerder, nu het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld, de uitkering in redelijkheid kunnen beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2006, 240
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: WWB 05/3139

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [plaatsnaam],

eiseres,

gemachtigde mr. [X],

tegen

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente [plaatsnaam],

verweerder,

gemachtigde [X], werkzaam bij verweerder.

1. Ontstaan en loop van de zaak

Eiseres ontvangt sinds omstreeks 1978 een bijstanduitkering, laatstelijk toegekend op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB). In verband met een themacontrole-onderzoek, waarbij risicogevoelige zaken worden gecontroleerd, heeft verweerders consulent verzoekster bij een rechtmatigheidsonderzoek op 21 juli 2005 verzocht mee te werken aan een huisbezoek. Verzoekster heeft niet de gevraagde medewerking verleend waarop verweerders consulent eiseres mondeling een hersteltermijn van 10 minuten heeft geboden. Aangezien eiseres niet alsnog de gevraagde medewerking heeft verleend, heeft verweerder bij besluit van 25 augustus 2005 de aan eiseres toegekende uitkering met ingang van 21 juli 2005 beëindigd.

Bij brief van 26 augustus 2005 heeft eiseres tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 15 september 2005 heeft eiseres de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht toepassing te geven aan artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bij uitspraak van 11 oktober 2005 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het verzoek afgewezen.

Bij besluit van 31 oktober 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 1 december 2005 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dat besluit.

Bij brief van 5 januari 2006 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De zaak is vervolgens op 12 april 2006 ter zitting behandeld. Eiseres is aldaar verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

2. Motivering

2.1 In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of verweerders besluit tot handhaving van de intrekking van de aan eiseres verleende bijstanduitkering de rechterlijke toets kan doorstaan.

2.2 Ingevolge artikel 8a van de WWB stelt de gemeenteraad in het kader van het financiële beheer bij verordening regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

2.3 Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB, heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

2.4 Ingevolge het bepaalde in artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is de belanghebbende verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

2.5 Ingevolge artikel 53a, eerste lid, van de WWB bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is het college bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan het college besluiten tot herziening van de bijstand.

2.6 Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Fraudeverordening WWB (hierna: fraudeverordening) controleert het college de rechtmatigheid van de verstrekte bijstanduitkeringen aan de hand van fraudeprofielen en themacontroleonderzoeken.

2.7 Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de op grond van artikel 8a van de WWB vastgestelde fraudeverordening is gekozen voor het hanteren van themacontrole-onderzoeken voor het controleren van de rechtmatigheid van de verstrekte uitkeringen. Volgens vaste jurisprudentie dient er een redelijke dan wel een objectieve grond aanwezig te zijn om een huisbezoek af te leggen. Nu alle inwonende bijstandscliënten zijn gecontroleerd is sprake van een objectieve grond. Op grond van artikel 17, eerste, tweede, derde en vierde lid van de WWB, is een inbreuk op de privacy door middel van een huisbezoek gerechtvaardigd. Gegevens over de woonsituatie zijn immers medebepalend voor het antwoord op de vraag of en zo ja, in welke mate bijstand moet worden verleend. Nu eiseres heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een huisbezoek, heeft zij daardoor niet de informatie verstrekt die noodzakelijk is voor het vaststellen van haar recht op bijstand. De bijstanduitkering dient derhalve te worden beëindigd. Van een dringende reden die aan onmiddellijke uitvoering van het huisbezoek in de weg stond is niet gebleken. Eiseres is gedurende 10 minuten in de gelegenheid gesteld om alsnog aan het huisbezoek mee te werken. De bijstanduitkering is vervolgens niet opgeschort maar beëindigd omdat eiseres heeft aangegeven dat zij pertinent geen medewerking wilde verlenen aan een huisbezoek.

In het verweerschrift stelt verweerder zich in reactie op het beroepschrift op het standpunt dat op grond van het beleid van de gemeente [plaatsnaam] er bij groepen bijstandscliënten waarbij een verhoogd risico op woon- en partnerfraude bestaat een huisbezoek is afgelegd om de informatie ter zake te controleren en de woonsituatie vast te stellen. Haar stelling dat het beleid niet op de juiste wijze bekend is gemaakt heeft eiseres eerst in beroep naar voren gebracht en levert strijd op met de goede procesorde.

2.8 Eiseres stelt zich op het standpunt dat de inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer door verweerders motivering niet kan worden gedragen. Voor het afleggen van huisbezoeken is geen objectieve grond aanwezig. De omstandigheid dat alle inwonenden met een bijstanduitkering worden gecontroleerd is onvoldoende om een inbreuk in de persoonlijke levenssfeer te rechtvaardigen. Ook tijdens de hoorzitting is desgevraagd voor de veronderstelde fraude geen reden gegeven.

In het rapport evaluatiethemacontrole in-en thuiswonenden staat vermeld dat een huisbezoek niet zonder aanleiding kan worden afgelegd. Voorts staat daarin vermeld dat het niet meewerken aan een huisbezoek gevolgen heeft voor de uitkering indien door het niet meewerken het recht op de uitkering niet kan worden vastgesteld. Nu verweerder het niet willen meewerken als aanleiding ziet voor het afleggen van een huisbezoek haalt hij daarmee oorzaak en gevolg door elkaar.

Verweerder heeft geweigerd een definitieve kopie van de notitie “de risico gestuurde gegevenscontrole en het intensieve controletraject” uit juli 2002 aan eiseres te overleggen. Eiseres maakt bezwaar tegen dit geheim beleid. Voor zover er voorts beleid bestaat over het afleggen van huisbezoeken, is dat niet overeenkomstig de Awb vastgesteld.

Onduidelijk is welke opdracht een consulent krijgt bij een huisbezoek, welke bevoegdheden deze heeft en welke rechten de cliënt houdt.

Eiseres verzoekt de rechtbank voorts om haar, bij een gegrondverklaring van het beroep, een schadevergoeding toe te kennen en verweerder voorts te veroordelen in de proceskosten.

2.9 Zoals ook blijkt uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 22 augustus 1995, gepubliceerd in RSV 1996/86, is het afleggen van een onaangekondigd huisbezoek bedoeld om vast te stellen of een persoon die een uitkering ontvangt daarop al dan niet recht heeft en vormt een dergelijk huisbezoek een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 10, eerste lid, van de Grondwet. Deze inbreuk kan, indien de bijzondere omstandigheden van het geval dit noodzakelijk maken, evenwel gerechtvaardigd zijn op grond van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Ook het bepaalde in artikel 10, eerste lid, van de Grondwet verzet zich daartegen niet. De CRvB heeft deze visie bevestigd in een uitspraak van 7 maart 2005 (gepubliceerd in JB 2005/154) en daarin voorts overwogen dat onder de werking van de Algemene bijstandwet (hierna: Abw) de vereiste wettelijke basis is gelegen in artikel 65, derde lid, van de Abw, en voorts in artikel 66, tweede lid, van de Abw in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Abw.

De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat onder de werking van de WWB, de artikelen 17 en 53a van de WWB die wettelijke basis bieden.

2.10 De CRvB heeft in de uitspraak van 28 september 1999, onder meer gepubliceerd in JABW 1999/64, onder verwijzing naar de uitspraak van 17 maart 1998, onder meer gepubliceerd in RSV 98/1998 en JABW 98/88, voorts geoordeeld dat het afleggen van een onaangekondigd huisbezoek een gerechtvaardigde inbreuk vormt op de persoonlijke levenssfeer indien dit noodzakelijk is ter verificatie van de ter voldoening aan de in artikel 65, eerste lid, van de Abw (thans: artikel 17, eerste lid, van de WWB) vervatte informatieplicht verstrekte gegevens. Indien de betrokkene niet of onvoldoende meewerkt aan een noodzakelijk te achten huisbezoek en de betrokkene daarbij gewezen is op de gevolgen daarvan voor het recht op uitkering, is sprake van schending van de in artikel 65, eerste en derde lid, van de Abw (thans: artikel 17, eerste en tweede lid, van de WWB) vervatte informatie- en medewerkingsplicht met als mogelijk gevolg dat het bestaan of voortduren van het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld.

In de uitspraak van 16 april 2002 (gepubliceerd in JABW 2002, 106) heeft de CRvB voorts geoordeeld dat bij de beoordeling of de belanghebbende in een concreet geval verplicht is om mee te werken aan een onderzoek dat inbreuk maakt op zijn persoonlijke levenssfeer, tot uitgangspunt wordt genomen dat deze inbreuk niet onevenredig mag zijn in relatie tot het met het onderzoek van de verlangde gegevens nagestreefde doel en dat dit doel niet op een minder ingrijpende wijze kan worden bereikt.

2.11 Toegespitst op het onderhavige geval dient de vraag te worden beantwoord of ter beoordeling van het recht van eiseres op bijstand nader onderzoek naar haar woonsituatie nodig was. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

2.12 De aanleiding voor verweerder om een huisbezoek af te willen leggen bij eiseres is gelegen in het feit dat zij behoort tot de groep van inwonende bijstandscliënten. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit een redelijke grond op om van eiseres de medewerking te verlangen teneinde haar woonsituatie nader in ogenschouw te nemen nu deze groep – op basis van ervaringsgegevens – door verweerder wordt beschouwd als een risicogroep. Dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat verweerder zich in het kader van zijn onderzoek naar de rechtmatigheid van verleende bijstanduitkeringen op dergelijke risicoprofielen mag baseren volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de parlementaire geschiedenis van de WWB. In dat verband wijst de rechtbank op de Nota naar aanleiding van het verslag van de Invoeringswet WWB (TK, vergaderjaar 2002-2003, 28 960, nr. 6): “De gemeente heeft altijd ruimte voor een vorm van efficiency-afweging bij haar controle en opsporingsbeleid. Het controle- en opsporingsbeleid van een gemeente onder de WWB onderscheidt zich daarin niet van het controle en opsporingsbeleid bij andere regelingen (incl de huidige Abw). Zo vormt deze ruimte de ratio van het werken met risicogroepen en risicoprofielen. Een versterkte aandacht voor deze wijze van werken als gevolg van de financiële systematiek van de WWB is dan ook uit oogpunt van een adequate fraudebestrijding niet bezwaarlijk”.

2.13 De rechtbank overweegt voorts dat het onaangekondigd huisbezoek in dit geval noodzakelijk was nu voor het vaststellen van het recht van eiseres op en de hoogte van bijstand van wezenlijk belang is dat voldoende duidelijkheid bestaat omtrent de woon- en leefsituatie van eiseres, dus of eiseres inderdaad (uitsluitend) met haar drie kinderen inwoont bij haar ouders. Nu de verificatie van de door eiseres verstrekte gegevens in dit geval voorts niet anders mogelijk is dan door in de woning vast te stellen of eiseres daar inderdaad (uitsluitend) met haar drie kinderen en haar ouders woonachtig is, is de rechtbank voorts van oordeel dat het doel niet op een minder ingrijpende wijze kon worden bereikt. De rechtbank acht de door deze controle en verificatie veroorzaakte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van eiseres gerechtvaardigd en niet onevenredig in verhouding tot het met de controle en verificatie van de verstrekte gegevens nagestreefde doel, te weten de vaststelling of de toekenning van het recht op en de hoogte van de bijstand op basis van de juiste gegevens plaatsvindt. Nu eiseres niet heeft meegewerkt aan een noodzakelijk geacht huisbezoek en zij daarbij door verweerder is gewezen op de mogelijke gevolgen voor het recht op haar uitkering en van een zeer dringende reden die aan de onmiddellijke uitvoering van een onaangekondigd huisbezoek in de weg staat niet is gebleken, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een schending van de in artikel 17, eerste lid, van de WWB neergelegde inlichtingen- en medewerkingsplicht door eiseres.

2.14 Nu door verweerder niet kan worden vastgesteld of eiseres verkeert in de omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de bijstanduitkering in redelijkheid heeft kunnen beëindigen.

2.15 Van de bevoegdheid neergelegd in artikel 54 van de WWB heeft verweerder in redelijkheid geen gebruik hoeven maken nu vaststaat, hetgeen eiseres ook ter zitting desgevraagd heeft bevestigd, dat eiseres nimmer zal meewerken aan een huisbezoek.

2.16 Hetgeen door partijen overigens is aangevoerd doet aan het voorgaande niet af.

2.17 Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

2.18 Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

2.19 Nu het beroep ongegrond is verklaard, komt het verzoek om toekenning van schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking.

3. Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 29 juni 2006 door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier.

griffier, rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden – in elk geval de eisende partij – en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.