Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AX4060

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
22-03-2006
Datum publicatie
23-05-2006
Zaaknummer
197247 CV EXPL 05-4701
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres stelt dat de Ontvanger en het College van B&W onrechtmatig hebben gehandeld door haar geen kwijtschelding te verlenen van de door haar verschuldigde gemeentelijke belasting. Tegen een beschikking van de Ontvanger kan geen beroep worden ingesteld in de zin van art. 26 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, terwijl het instellen van administratief beroep bij het College van B&W niet als een met voldoende waarborgen omklede rechtsingang kan gelden. De burgerlijke rechter is derhalve bevoegd van de vordering kennis te nemen.

De kantonrechter verklaart eiseres niet-ontvankelijk in haar vordering voor zover deze zich richt tegen de Ontvanger, omdat de beschikking van de Ontvanger in beroep volledig is getoetst door het College van B&W en daarmee de beschikking van het College van B&W in de plaats van die van de Ontvanger is gekomen. De vordering jegens het College van B&W is toewijsbaar omdat zij niet gedupliceerd, zodat de kantonrechter er vanuit gaat dat het College van B&W haar verweer niet langer wenst te handhaven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2006/905

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Alkmaar

Zaaknr/rolnr.: 197247 CV EXPL 05-4701

Uitspraakdatum: 22 maart 2006

Vonnis in de zaak van:

[eiser]

wonend te Alkmaar

eisende partij

verder ook te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. B.M. Dijkstra, advocaat te Alkmaar

Toevoeging: 4FG6143

tegen

1. de Ontvanger van de gemeente Alkmaar, zijnde de ambtenaar als bedoeld in art. 231 lid 2 aanhef en sub c Gemeentewet

verder te noemen: de Ontvanger

gevestigd te Alkmaar

2. het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Alkmaar, zijnde de Directeur als bedoeld in artikel 231 lid 2 aanhef en sub a Gemeentewet

verder te noemen: de Directeur

gevestigd te Alkmaar

gedaagde partijen

verder ook gezamenlijk te noemen: de gemeente

procederend in persoon

Het procesverloop

[Eiser] heeft een vordering ingesteld, zoals omschreven in de dagvaarding d.d. 11 oktober 2005. De gemeente heeft bij antwoord verweer gevoerd. Vervolgens is gediend van repliek.

De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

Ten slotte is heden uitspraak bepaald.

Het geschil

[Eiser] stelt dat zowel gedaagde sub 1 als gedaagde sub 2 onrechtmatig hebben gehandeld door haar geen kwijtschelding te verlenen van de door haar verschuldigde gemeentelijke belasting.

Zij vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat gedaagden sub 1 en 2 hoofdelijk aansprakelijk zijn voor haar schade tot een bedrag van € 268,70, waaronder € 45,00 aan kosten eigen bijdrage rechtsbijstand;

Voorts vordert zij primair veroordeling van gedaagde sub 1 tot vergoeding van de schade door kwijtschelding van de aanslag gemeentelijke belastingen en betaling van de door haar verschuldigde eigen bijdrage voor de beroepsprocedure. Subsidiair vordert zij veroordeling van gedaagden sub 1 en 2 tot vergoeding van genoemde schade door haar een bedrag te vergoeden van € 268,70, zijnde het bedrag dat zij verschuldigd is op grond van de aanslag gemeentelijke belastingen en de eigen bijdrage voor de beroepsprocedure, kosten rechtens.

De gemeente heeft gemotiveerd verweer gevoerd dat, voor zover relevant, bij de beoordeling zal worden betrokken.

De beoordeling

Uit het bepaalde in artikel 26 Invorderingswet 1990, de artikelen 24 en 25 Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 en de Leidraad Invorderingswet 1990 blijkt dat tegen de (afwijzende) beschikking van de Ontvanger op een verzoek om kwijtschelding van gemeentelijke belastingen administratief beroep openstaat bij de Directeur (het College van B&W).

Tegen de beschikking van de Ontvanger kan geen beroep worden ingesteld in de zin van art. 26 van de Alg. wet inzake Rijksbelastingen, terwijl het in te stellen, dan wel ingestelde administratief beroep, niet als een met voldoende waarborgen omklede (bestuursrechtelijke) rechtsingang kan gelden. Gelet hierop is de burgerlijke rechter bevoegd van de onderhavige vordering kennis te nemen.

Voor zover de vordering zich richt tot de Ontvanger dient [eiser] niet-ontvankelijk te worden verklaard. De beschikking van de Ontvanger is volledig getoetst door de Directeur die, met de kennelijk ongegrond verklaring van het beroep, de beschikking van de Directeur op 9 augustus 2005 heeft bekrachtigd. Gelet hierop is de beschikking van de Directeur in de plaats gekomen van de beschikking de Ontvanger.

De vraag die zal moeten worden beantwoord is of de Directeur op de voet van 6:162 BW onrechtmatig heeft gehandeld door het beroep tegen de afwijzende beschikking kennelijk ongegrond te verklaren.

De kantonrechter zal hierbij dienen te toetsen of de Directeur, bij volle beoordeling van de beschikking van de Ontvanger, heeft gehandeld binnen de beleidskaders van de Leidraad Invordering 1990, of de Directeur daarbij in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen en of de andere beginselen van behoorlijk bestuur in acht heeft genomen.

Aan een inhoudelijke beoordeling van deze vraag komt de kantonrechter echter niet toe. Nadat [eiser] gemotiveerd heeft gerepliceerd, heeft de Directeur, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, afgezien van het nemen van conclusie van dupliek. Hieruit leidt kantonrechter af dat de Directeur het verweer tegen de vordering niet langer wenst te handhaven. In beginsel dient de vordering dan ook te worden toegewezen.

Aangezien de burgerlijke rechter niet kan oordelen over de gevorderde kwijtschelding, zal slechts over de schadevergoedingsvordering uitspraak kunnen worden gedaan. Gelet op bovenstaande is de schadevergoeding als gevolg van het onrechtmatig handelen toewijsbaar, met dien verstande dat de gevorderde eigen bijdrage wordt afgewezen. [Eiser] is deze verschuldigd ingevolge de Wet op de rechtsbijstand, en deze kosten blijven in het algemeen voor rekening van degene die ze heeft moeten maken alvorens een procedure te entameren. Slechts in buitengewone omstandigheden is aanleiding voor een volledige vergoedingsplicht, doch in onderhavige zaak acht de kantonrechter hiertoe geen termen aanwezig.

De Directeur zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

De beslissing

De kantonrechter:

Verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in haar vordering tegen de Ontvanger;

Veroordeelt de Directeur tot betaling van ? 223,70 aan [eiser];

Veroordeelt de Directeur om van de proceskosten te voldoen:

€ 22,50 van deze verschotten aan [eiser]

en

€ 273,10 aan de griffier op de voet van artikel 243 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor salaris (€ 120,00) en overige verschotten na toezending van de daarvoor bestemde acceptgiro.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het anders of meer gevorderde

Dit vonnis is gewezen door mr. L. van der Heijden, kantonrechter, en op 22 maart 2006 in het openbaar in bijzijn van de griffier uitgesproken.

De griffier

De kantonrechter