Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AX4053

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
10-04-2006
Datum publicatie
23-05-2006
Zaaknummer
Zaak 204534 Repnr.: 520/06 AS
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen. De kantonrechter acht de vergoeding ad € 3.288,-- bruto die verzoekster ter zitting aan verweerster heeft aangeboden redelijk, maar gaat er daarbij wel vanuit dat verweerster in aanmerking komt voor het wachtgeld als bedoeld in de CAO Gehandicaptenzorg 2004/2005. Indien dit niet het geval is, acht de kantonrechter de aangeboden vergoeding wel onredelijk laag en wordt deze op € 13.751,-- bruto vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Alkmaar

Zaak 204534 Repnr.: 520/06 AS

Uitspraakdatum: 10 april 2006

Beschikking in de zaak van:

de stichting Raphaëlstichting, gevestigd te Schoorl

verzoekster

verder te noemen: de stichting

gemachtigde: mr. M.A.J.N. Schuurman, advocaat te Alkmaar

tegen

[verweerster], wonende te Schagerbrug

verweerster

verder te noemen: [verweerster]

gemachtigde: mr. R.M.I. Banning, advocaat te Alkmaar.

Het procesverloop

De stichting heeft op 1 februari 2006 een verzoekschrift (met producties) ingediend.

Daar heeft [verweerster] op 16 maart 2006 bij verweerschrift op gereageerd. Bij schrijven van mr. Schuurman d.d. 23 maart 2006 zijn zijdens de stichting nog diverse producties in het geding gebracht.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op maandag 27 maart 2006. Van hetgeen als toen door en namens partijen is verklaard (door mr. Schuurman mede aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen), zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.

Bij schrijven d.d. 28 maart 2006 heeft mr. Schuurman nog de ter terechtzitting toegezegde productie overgelegd.

De inhoud van alle voormelde stukken dient als hier opgenomen te worden beschouwd.

De uitgangspunten

[Verweerster], geboren op 24 februari 1956, is vanaf 1 juli 1998 bij de stichting werkzaam. De functie van [verweerster] is sedert 21 augustus 2000 groepsleidster bij Karmijn, één van de groepen van De Appelboom te Tuitjenhorn, een kinderdagcentrum voor kinderen met een bijzondere ontwikkelingsvraag en één van de instellingen van de stichting. Naast Karmijn kent De Appelboom nog de groepen Elstar, Jonathan en Odin. Het salaris van [verweerster] bedraagt € 1.061,-- bruto per maand op basis van 18 arbeidsuren per week (exclusief 8% vakantietoeslag).

Vanaf 22 augustus 2005 heeft [verweerster] geen werkzaamheden meer voor de stichting verricht.

Het geschil

De stichting verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden tegen de vroegst mogelijke datum wegens gewichtige redenen, bestaande uit veranderingen in de omstandigheden. Aan dit verzoek legt de stichting het navolgende ten grondslag.

Op 9 februari 2005 heeft [algemeen coördinator] (de algemeen coördinator van De Appelboom) met vertegenwoordigers van de groepen van De Appelboom vergaderd. Daarbij is aan de orde gesteld dat Karmijn zorgen baart. Afgesproken is dat door [algemeen coördinator], [intern coördinator] (intern coördinator van De Appelboom) en [orthopedagoge] (orthopedagoge bij De Appelboom), die tezamen het managementteam van De Appelboom vormen, een traject zou worden uitgezet om Karmijn weer op de rails te krijgen, in welk kader met alle medewerkers op individuele basis zou worden gesproken door het managementteam van De Appelboom. Met [verweerster] zijn gesprekken gevoerd op 21 februari 2005 en 13 maart 2005. Daartussen - op 23 februari 2005 - is met de vertegenwoordigers van de groepen vergaderd. In het tweede gesprek met [verweerster] is haar meegedeeld dat het voltallige managementteam tot het oordeel was gekomen dat zij de zwakke schakel vormde bij Karmijn en dat zij niet geschikt was voor de functie van groepsleidster bij Karmijn of één van de andere groepen. In dit gesprek is door [algemeen coördinator] aangegeven dat gekeken zou worden naar een tijdelijke oplossing voor [verweerster], te weten een tijdelijke tewerkstelling bij Elstar, en dat tegelijkertijd een proces zou worden gestart inzake een herplaatsing van haar binnen de stichting. Op 21 maart 2005 is [verweerster] in dat verband begonnen bij Elstar. Diezelfde dag heeft een derde gesprek met [verweerster] plaatsgevonden. Bij brief van 1 april 2005 heeft [algemeen coördinator] aan [verweerster] de inhoud van dat gesprek bevestigd, te weten dat hij daarin nog eens kenbaar heeft gemaakt dat het managementteam haar beschouwt als zwakke schakel in het team van medewerkers van Karmijn en dat gekeken zou worden naar andere mogelijkheden binnen de stichting dan wel buiten de stichting via een outplacementtraject.

Vervolgens hebben [algemeen coördinator] en [verweerster], in aanwezigheid van de personeelsfunctionaris [naam], - toen de relatie tussen hen beiden inmiddels totaal verstoord was geraakt en gebleken was dat [verweerster] niet elders herplaatsbaar was - in een gesprek op 21 juli 2005 de beëindiging van de arbeidsrelatie besproken, waarbij de stichting het aanbod heeft gedaan om [verweerster] vanaf 22 augustus 2005 vrij te stellen van haar werkzaamheden en haar gedurende een half jaar de gelegenheid te geven met behulp van een outplacementbureau zich een werkkring elders te verwerven, waarvan de kosten tot een bedrag van € 5.000,-- door de stichting zouden worden gedragen.

Na beraad heeft [verweerster] de brief van [algemeen coördinator] voor akkoord getekend op 2 augustus 2005. In augustus 2005 is [verweerster] daadwerkelijk vrijgesteld van alle arbeid en in die maand is zij een outplacementtraject begonnen bij Minks Consultancy te Velserbroek. Omdat eind februari 2006 de periode van 6 maanden, zoals vastgelegd in de brief van [algemeen coördinator] d.d. 21 juli 2005 verstreek, heeft de stichting op 1 februari 2006 het onderhavige verzoekschrift ingediend, nu een wezenlijk onderdeel van de afspraken was dat aan de arbeidsovereenkomst een einde zou komen, ongeacht het wel of niet slagen van het outplacementtraject.

Ter zitting heeft de stichting zich bereid verklaard bij de ontbinding een vergoeding te betalen van € 3.288,-- (zijnde het verschil tussen de voor de outplacement ter beschikking gestelde € 5.000,-- minus het terzake daadwerkelijk door de stichting betaalde bedrag van € 1.712,--).

Ingevolge artikel 15 van de toepasselijke CAO wordt aan de werknemer in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens, voor zover ten deze van belang, "onbekwaamheid c.q. ongeschiktheid voor de in instelling te vervullen functie die niet aan zijn/haar schuld of toedoen te wijten is" een wachtgeld toegekend, waarvan de uitvoering voor rekening komt van de stichting. De stichting heeft de kantonrechter verzocht in zijn beschikking expliciet aan te geven of met deze CAO-afspraak wel of niet rekening is gehouden dan wel dat [verweerster] voor deze aanspraak uitdrukkelijk naar een aparte procedure wordt verwezen.

Het verweer van [verweerster] strekt primair tot afwijzing van het verzoek en subsidiair tot toekenning van een ontbindingsvergoeding ad € 12.031,74. Op het verweer van [verweerster] zal hieronder worden ingegaan.

De beoordeling

Niet gebleken is dat het verzoek verband houdt met het bestaan van een verbod tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst of een opzegverbod als bedoeld in de artikelen 7:647, 648, 670 en 670a van het Burgerlijk Wetboek of enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

Bij de beoordeling of thans een einde moet komen aan de arbeidsovereenkomst tussen partijen betrekt de kantonrechter de omstandigheid dat partijen daaromtrent met elkaar afspraken hebben gemaakt, waaraan [verweerster] zich - gelet op de wijze van totstandkoming en de inhoud daarvan - niet zonder redelijke grond kan onttrekken. Immers, zij heeft eerst na rijp beraad (en - zoals door haar ter zitting aangegeven - na ingewonnen advies bij het juridisch loket) de in het gesprek van 21 juli 2005 gemaakte afspraken omtrent outplacement, vrijstelling van het verrichten van werkzaamheden en ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zoals door [algemeen coördinator] in zijn brief van 21 juli 2005 bevestigd, op 2 augustus 2005 voor akkoord getekend; dat zij ontevreden is over de begeleiding door het outplacementbureau Minks of dat deze begeleiding enkele weken korter duurde dan zij meende, doet daaraan niet af. Daarbij komt dat de kantonrechter het niet onaannemelijk acht - hetgeen ter zitting ook wel min of meer is toegegeven door [verweerster] - dat deze begeleiding vooral moeizaam is verlopen doordat ze zelf onvoldoende gemotiveerd is om een baan elders te aanvaarden en afscheid te nemen van de stichting.

Het is de kantonrechter evenmin gebleken dat de stichting in het voorafgaande traject onzorgvuldig naar [verweerster] toe heeft gehandeld. Zij kon in redelijkheid komen tot het oordeel dat [verweerster] in de groep Karmijn onvoldoende functioneerde (omdat zij onvoldoende leiding kon geven, niet voldoende stressbestendig was en niet in staat was een lesprogramma voor de kinderen te maken en uit te voeren). De stichting heeft een en ander gebaseerd op gedegen onderzoek en de mening van het voltallige managementteam en deskundigen. Bovendien heeft De Appelboom, voordat zij in februari 2005 zich zette aan een oplossing voor de problematiek bij Karmijn [verweerster] nog een coaching (NLP Coaching ofwel Neurologisch Linguïstiek Programmeren) bestaande uit vijf sessies laten doorlopen. Of [verweerster] voldoende gelegenheid is gegeven om haar functioneren te verbeteren, is niet meer relevant, gelet op de tijdelijk interne herplaatsing in een andere groep, waarmee [verweerster] zich, wellicht tegen haar zin, maar niettemin, had neergelegd om niet langer deel uit te maken van de groep Karmijn. Dit blijkt ook uit haar mondelinge en schriftelijke mededeling daarover aan de kinderen en ouders van die groep.

Ten slotte is ook het uiteindelijk (aanvaarde) aanbod, te weten zes maanden outplacement op kosten van de stichting tot maximaal € 5.000,-- euro, niet onredelijk, mede gelet op de omstandigheid dat de betreffende kritiek niet alleen in de risicosfeer van de werknemer maar ook van de werkgever ligt. Het gaat immers niet om verwijtbaar disfunctioneren, maar om een kennelijke verzwaring van de functie-eisen, dan wel om een aanstelling van [verweerster] door haar werkgever op een te zware functie, die zulks niet had moeten doen, dan wel zulks eerder had moeten inzien. De stichting heeft ter zitting aangeboden om alsnog (€ 5.000,-- minus het aan Minks Consultancy te Velserbroek betaalde bedrag van € 1712,-- =) € 3.288,-- als vergoeding aan [verweerster] te betalen. De kantonrechter acht dit redelijk, maar gaat er (kennelijk met de stichting) daarbij wel vanuit dat [verweerster] in aanmerking komt voor het wachtgeld als bedoeld in artikel 15:1 jo 2 van de CAO Gehandicaptenzorg 2004/2005. Indien dit niet het geval is, acht de kantonrechter de aangeboden vergoeding wel onredelijk laag en wordt deze op € 12.000,-- gesteld.

Op de voet van artikel 7:685 lid 9 BW worden partijen van de voorgenomen beslissing in kennis gesteld en is de stichting bevoegd het verzoek binnen de hierna te noemen termijn in te trekken.

Er zijn termen aanwezig de proceskosten tussen partijen te compenseren. Ingeval de stichting evenwel haar verzoek intrekt, zal zij de proceskosten van [verweerster] dienen te dragen.

De beslissing

De kantonrechter:

Bepaalt dat de termijn, waarbinnen de stichting haar verzoek zal kunnen intrekken [i.c. door middel van een schriftelijke mededeling (eventueel bij faxbericht) aan de griffier en in afschrift aan de (gemachtigde van de) wederpartij], zal lopen tot en met 28 april 2006.

Voor het geval de stichting haar verzoek niet binnen die termijn zal hebben ingetrokken:

Ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 mei 2006.

Kent - onder de voorwaarde dat zij in aanmerking komt voor het wachtgeld als bedoeld in artikel 15:1 jo 2 van de CAO Gehandicaptenzorg 2004/2005 - aan [verweerster] ten laste van de stichting een vergoeding toe van € 3.288,-- bruto, dan wel - voor het geval dat [verweerster] niet in aanmerking komt voor het wachtgeld als bedoeld in artikel 15:1 jo 2 van de CAO Gehandicaptenzorg 2004/2005 - een vergoeding van € 12.000,-- bruto.

Bepaalt dat beide partijen de eigen kosten dragen.

Voor het geval de stichting haar verzoek binnen die termijn zal hebben ingetrokken:

Veroordeelt de stichting in de proceskosten, die aan de zijde van [verweerster] worden vastgesteld op € 400,-- voor salaris gemachtigde, waarover de stichting geen BTW verschuldigd is.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.C. Schlingemann, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en op 10 april 2006 in het openbaar uitgesproken.

De griffier

De kantonrechter