Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AX3994

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
29-03-2006
Datum publicatie
23-05-2006
Zaaknummer
176097-04-5470 WG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers hebben een parketvloer van gedaagde gekocht en stellen dat de vloer niet aan de overeenkomst beantwoordt. Gedaagde voert aan dat eisers niet binnen 14 dagen hebben gereclameerd, zoals in de algemene voorwaarden staat vermeld. De kantonrechter oordeelt dat eisers zich terecht op vernietiging van de betreffende bepaling uit de algemene voorwaarden hebben beroepen, omdat blijkens art. 7:6 BW niet ten nadele van de koper van het bepaalde in art. 7:23 BW kan worden afgeweken. Vervolgens oordeelt de kantonrechter dat weliswaar sprake is van non-conformiteit omdat er grotere noesten in het parket zitten dan overeengekomen, doch dat dit gebrek eenvoudig kan worden verholpen door planken te vervangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Alkmaar

Zaaknr/rolnr.: 176097-04-5470 WG

Uitspraakdatum: 29 maart 2006

Vonnis in de zaak van:

[eiser 1] en [eiser 2] te Broek op Langedijk

eisende partijen in conventie/gedaagde partijen in reconventie

verder ook te noemen: [eisers]

gemachtigde: mr. R.L.A.M. Oors, werkzaam ten kantore van D.A.S. Rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch

tegen

[gedaagde] te Heerhugowaard

h.o.d.n. Profloor

gedaagde partij in conventie/eisende partij in reconventie

verder ook te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. M.C.A. Stoop, advocaat te Heerhugowaard.

Het procesverloop

in conventie en in reconventie

[Eisers] hebben een vordering ingesteld, zoals omschreven in de dagvaarding d.d. 24 november 2004.

[Gedaagde] heeft bij antwoord verweer gevoerd en in reconventie een tegenvordering ingesteld.

Na beraad heeft de kantonrechter een comparitie gelast, die is gehouden op 18 april 2005, in aanwezigheid van [eiser 1] en [gedaagde] en de gemachtigden. Ter gelegenheid van deze comparitie heeft de kantonrechter bij mondeling tussenvonnis [eisers] een bewijsopdracht gegeven.

Van deze comparitie heeft de griffier aantekeningen gehouden en er is proces-verbaal opgemaakt.

Ter voldoening aan het tussenvonnis zijn [eisers] als getuigen gehoord.

In contra-enquête heeft [gedaagde] als getuigen doen horen [getuige 1 en getuige 2] en hij is zelf gehoord.

Van voormelde verhoren is proces-verbaal opgemaakt.

Beide partijen hebben hierna elk nog een conclusie genomen.

De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

Vervolgens is vonnis bepaald.

Vaststaande feiten

in conventie en in reconventie

1. [Gedaagde] heeft aan [eisers] verkocht een parketvloer met de specificatie "Eiken prime 200x20v" tegen een prijs, inclusief het leggen, van € 6.138,--. [Eisers] heeft daarvan een bedrag van € 4.302,-- aan [gedaagde] betaald. Het restant van € 1.836,-- is onvoldaan gebleven.

2. In de door [eiser 1] voor akkoord ondertekende offerte is onder meer vermeld dat de Algemene Voorwaarden van [gedaagde] van de koopovereenkomst deel uitmaken en voorts: "Opdrachtgever verklaart door middel van ondertekening de tekst van deze voorwaarde te hebben ontvangen".

Het geschil en de beoordeling daarvan

in conventie en in reconventie

1. [Eisers] voeren aan dat de door [gedaagde] geleverde vloer niet aan de overeenkomst beantwoordt. Zij baseren zich daarbij op een door CED Nomex uitgebracht expertiserapport d.d. 9 juni 2004. Zij hebben om deze reden de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden, nadat [gedaagde] in gebreke was gebleven aan een sommatie tot herstel c.q. vervanging gevolg te geven. [Eisers] vorderen thans onder meer een declaratoire erkenning van deze ontbinding alsmede restitutie van het bedrag van € 4.302,--, vermeerderd met een bedrag van € 369,50 voor expertisekosten en met rente en proceskosten.

4. [Gedaagde] stelt (in de conclusie na enquête, aldus zijn eerdere stellingen corrigerend) dat de vloer op 26 februari 2004 aan [eisers] ter beschikking is gesteld. Hij betwist dat er sprake zou zijn van non-conformiteit, terwijl, indien dat anders zou zijn, [eisers] hem eerst in de gelegenheid hadden moeten stellen de overeenkomst alsnog na te komen in plaats deze te ontbinden. Voorts beroept [gedaagde] zich op zijn algemene voorwaarden, voor zover deze inhouden dat klachten binnen 14 dagen na levering kenbaar dienen te worden gemaakt, hetgeen niet is geschied aldus [gedaagde]. Ook overigens hebben [eisers] nagelaten binnen bekwame tijd te reageren, immers eerst na aanmaning. Voorts wijst [gedaagde] erop dat [eisers] na de aflevering van de vloer, maar vóór het leggen daarvan, de planken hebben onderzocht en daarvan een aantal hebben aangewezen ter vervanging. [Gedaagde] heeft deze planken vervolgens inderdaad vervangen; het gaat dan niet aan om eerst weken na het leggen van de vloer alsnog (andere) bedenkingen te maken.

Ontbinding is in elk geval buitenproportioneel, mede gelet op de omstandigheid dat [gedaagde] voorafgaande aan de procedure prijsvermindering en vervanging van een aantal vloerdelen heeft aangeboden.

De door [eisers] ingestelde vorderingen behoren dan ook te worden afgewezen, aldus [gedaagde]. Hij vordert bovendien [eisers] in reconventie (hoofdelijk) te veroordelen om het restant van de koopprijs ad € 1.836,-- aan hem te betalen.

5. Ter gelegenheid van de gehouden comparitie is, naar uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal blijkt, mondeling vonnis gewezen; daarbij is aan [eisers] te bewijzen opgedragen: feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat bedoelde algemene voorwaarden niet aan hen zijn overhandigd en/of dat hij (lees: zij) op of omstreeks 4 maart 2004 bij [gedaagde] heeft (lees: hebben) geklaagd. Vervolgens zijn te dezer zake zowel in conventie als in reconventie getuigen gehoord.

6. Deze bewijsopdracht werd gegeven naar aanleiding van het verweer van [gedaagde], zakelijk inhoudende dat [eisers] hun eventuele rechten jegens [gedaagde] hebben verwerkt door niet tijdig te reclameren; in het kader van dat verweer had [gedaagde] gewezen op de te dien aanzien in de Algemene Voorwaarden genoemde termijn van 14 dagen. Vervolgens raakte ook in geschil of [gedaagde] al dan niet een exemplaar van die Algemene Voorwaarden aan [eisers] had overhandigd. Op dit laatste punt werden [eisers] met het (tegen)bewijs belast vanwege de hierboven onder 2 gegeven verklaring.

7. [Gedaagde] heeft tijdens de contra-enquête onder meer verklaard - en in zijn conclusie na enquête herhaald - dat hij een brief d.d. 14 april 2004 van [eiser 1] met klachten over de vloer heeft ontvangen en dat dit geschiedde 1 of 2 dagen na de datum van die brief. De ontvangst van de klachten ligt dus binnen twee maanden nadat de vloer aan [eisers] was geleverd en gelegd. Ingevolge artikel 7:23 BW is dat tijdig.

Blijkens artikel 7:6 BW kan van de bepaling van artikel 7:23 BW niet ten nadele van de koper worden afgeweken. Het bij conclusie na enquête hierop door [eisers] gedane beroep op deze bepaling vat de kantonrechter op als een beroep op vernietiging van de (ten nadele van hem) in de Algemene Voorwaarden genoemde termijn van 14 dagen; het beroep slaagt, zodat er in dit proces verder vanuit dient te worden gegaan dat [eisers] tijdig hebben gereclameerd. Gelet op deze vaststelling behoeft niet te worden beslist of en in hoeverre [eisers] overigens in het hun opgedragen bewijs zijn geslaagd.

8. Daarmee komt aan de orde of de geleverde en gelegde vloer al dan niet voldoet aan de overeenkomst. Blijkens de overgelegde documentatie hield het door [gedaagde] geleverde "Eiken Prime" onder meer de volgende kwaliteitseisen in:

- Noesten tot 25 mm doorsnede zijn onbeperkt toegestaan. Mag 10% afwijken;

- Scheurvorming aan de kopse kant is toegestaan;

- Kleurverschillen zijn toegestaan.

In het onder 3 genoemde rapport wordt geconstateerd dat de bij [eisers] gelegde vloer 15 tot 20 noesten kent die een geringere omvang hebben dan zojuist genoemd (25 mm + 10%). Dat levert dus geen non-conformiteit op. Voor zover in het rapport wordt geconstateerd dat er scheurvorming is opgetreden aan de kopse kant, levert dat evenmin non-conformiteit op, gelet op de weergegeven normering.

Voorts is in het rapport geconstateerd dat circa 15 noesten in de gelegde vloer een afmeting hebben die groter is dan de voor "Eiken Prime" geldende norm. In dit opzicht is er dus wél sprake van non-conformiteit.

Voor het overige bevat het rapport weliswaar enige aanmerkingen over "kleureffecten", maar gelet op het toegestaan zijn van kleurverschillen, is niet duidelijk dat te dezer zake van non-conformiteit zou kunnen worden gesproken. De in het rapport gemaakte opmerking dat de hoeveelheid noestvorming in de aan [eisers] geleverde vloer afwijkt van het showboard in de winkel heeft, naast hetgeen hiervoor reeds over de noesten is opgemerkt, geen zelfstandige betekenis.

9. [Gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop meergenoemd rapport tot stand gekomen is, dat hij daarbij niet is betrokken. Op zichzelf klaagt hij daarover terecht. Niettemin helpt dat [gedaagde] niet verder, want de bevinding in het rapport dat er 15 noesten in de gelegde vloer zitten met een grotere afmeting dan de voor "Eiken Prime" geldende norm bestrijdt hij op zichzelf niet. Hij stelt weliswaar dat dit gegeven niet leidt tot non-conformiteit, maar daarin kan hij niet worden gevolgd. Grotere noesten dan tot 25 mm (met een afwijking van 10%) waren immers nu eenmaal niet geoorloofd. Daarbij gaat het niet om de aantallen noesten, zoals [gedaagde] ten onrechte stelt.

Nu voorts de inhoud van het rapport, zoals hiervoor uiteengezet, voor het overige niet leidt tot non-conformiteit is [gedaagde] door de wijze waarop het rapport tot stand gekomen niet in haar processuele belangen geschaad.

10. Thans moet de vraag beantwoord worden of de geconstateerde non-conformiteit voldoende ernstig is om de ontbinding van de overeenkomst te rechtvaardigen. De kantonrechter is met [gedaagde] van oordeel dat dit niet het geval is. De bijzondere aard van het gebrek brengt mee dat dit vrij eenvoudig kan c.q. kon worden verholpen, namelijk door de planken, waarin de te grote noesten voorkomen te vervangen.

Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde] gesteld zodanige vervanging (tevergeefs) te hebben aangeboden en [eisers] hebben deze stelling nader in het proces niet weersproken.

11. Uit het onder 10 overwogene volgt dat de vorderingen van [eisers] moeten worden afgewezen.

12. De zaak kan, gegeven dit oordeel, het best aldus worden opgelost dat [gedaagde] alsnog de betreffende planken vervangt - en legt - en dat daarna [eisers] het restant van de koopsom aan [gedaagde] betalen. De zaak wordt naar de rol verwezen om partijen gelegenheid te geven zich bij akte erover uit te laten of zij (ieder voor zich) bereid zijn hun deel van de betreffende prestaties onvoorwaardelijk voor hun rekening te nemen.

Vervolgens zal, tenzij partijen aanleiding vinden de zaak thans geheel te regelen, verder worden beslist.

De beslissing

De kantonrechter:

Laat partijen toe tot het nemen van een akte met het doel als hiervoor onder 12 overwogene en wel uiterlijk ter rolzitting van 26 april 2006.

Uitstel voor het nemen van deze akte wordt in beginsel niet verleend.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Warnink, als kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 29 maart 2006 in het openbaar uitgesproken.

De griffier

De kantonrechter