Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AX1278

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
09-03-2006
Datum publicatie
11-05-2006
Zaaknummer
AWB 05/1252
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank vernietigt beslissing op bezwaar van de Staatssecretaris van Defensie, waarbij deze zijn eerdere besluit om een zogeheten burgerambtenaar van defensie – werkzaam op het terrein van de Koninklijke Marine te Den Helder - wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van verplaatsing op te leggen, had gehandhaafd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres zich weliswaar schuldig gemaakt aan plichtsverzuim, maar moet de aan haar opgelegde disciplinaire straf van verplaatsing als onevenredig zwaar worden aangemerkt.

De rechtbank heeft de Staatssecretaris van Defensie opdracht gegeven om opnieuw op het door eiseres gemaakte bezwaar te beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Eiseres heeft zich naar het oordeel van de rechtbank om twee redenen schuldig gemaakt aan plichtsverzuim, zoals bedoeld in artikel 99 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie. In de eerste plaats heeft eiseres, destijds werkzaam in de functie van Hoofd Facilitaire Groep, zonder toestemming van het bevoegd gezag een printer, die eigendom was van het Ministerie van Defensie, uit het magazijn gehaald met de bedoeling deze mee naar huis te nemen. In de tweede plaats heeft eiseres geprobeerd om deze printer en een aan haar uitgeleende computer van het terrein van de Koninklijke Marine te Den Helder te vervoeren zonder dat zij over een daarvoor vereist, zogenoemd passeerbiljet beschikte.

De rechtbank is van oordeel dat de door de Staatssecretaris van Defensie wegens dit plichtsverzuim aan eiseres opgelegde disciplinaire straf van verplaatsing onevenredig zwaar is. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiseres niet de opzet heeft gehad om de bewuste printer te stelen en dat zij evenmin weloverwogen de regel heeft willen schenden dat men over een passeerbiljet moet beschikken om goederen van het marineterrein te vervoeren. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiseres afgezien van dit plichtsverzuim en een schriftelijke berisping uit 2002 – waaraan naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak niet meer dan een gering gewicht mag worden toegekend – een onberispelijke staat van dienst had van bijna vijftien jaren, dat eiseres haar functie naar behoren vervulde en dat de verplaatsing (van Den Helder naar Utrecht) voor eiseres een enorme impact heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank had de Staatssecretaris van Defensie dan ook met een lichtere straf moeten volstaan en is zijn besluit in strijd met het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Tevens heeft de rechtbank zich in deze uitspraak uitgelaten over de beslissing van de Staatssecretaris van Defensie om geen toepassing te geven aan zijn bevoegdheid ingevolge artikel 88, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie wat betreft de door eiseres verzochte vergoeding van de door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand. De rechtbank heeft die beslissing rechtmatig geoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Alkmaar

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:66 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nrs.: AW 05/1252 en AW 06/224

Inzake: [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

tegen: de Staatssecretaris van Defensie, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

In de zaak met reg.nr. AW 05/1252:

Het besluit van verweerder van 26 april 2005.

In de zaak met reg.nr. AW 06/224:

Het besluit van verweerder van 17 oktober 2005.

2. Zitting

Datum: 26 januari 2006.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. [...], advocaat te [plaatsnaam].

Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. [...], werkzaam bij het Ministerie van Defensie (hierna: Defensie).

3. Ontstaan en loop van het geding

In de zaak met reg.nr. AW 05/1252:

Bij besluit van 5 november 2004 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim als bedoeld in artikel 99 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (hierna: Bard) en dat zij vanwege dit verzuim, met toepassing van artikel 100, eerste lid, aanhef en onder j, van het Bard, disciplinair wordt gestraft met verplaatsing.

Tegen dit besluit is namens eiseres bezwaar gemaakt bij brief van 13 december 2004.

Op 3 februari 2005 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij het bezwaar is toegelicht.

Bij besluit van 26 april 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en, met wijziging van de motivering, het besluit van 5 november 2004 gehandhaafd.

Tegen dit besluit is namens eiseres bij brief van 2 juni 2005, bij de rechtbank ingekomen op 3 juni 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 4 augustus 2005 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.

In de zaak met reg.nr. AW 06/224:

Tijdens genoemde hoorzitting van 3 februari 2005 heeft eiseres verweerder verzocht om de door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand te vergoeden.

Bij besluit van 18 februari 2005 heeft de algemeen directeur van [...] Organisatie (hierna: [... Organisatie]) dit verzoek afgewezen.

Tegen dit besluit is namens eiseres bezwaar gemaakt bij brief van 25 maart 2005. Bij brief van 11 mei 2005 zijn namens eiseres de gronden van het bezwaar ingediend.

Op 18 augustus 2005 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij het bezwaar is toegelicht.

Bij besluit van 17 oktober 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en, met wijziging van de motivering, het besluit van 18 februari 2005 gehandhaafd.

Tegen dit besluit is namens eiseres bij brief van 25 november 2005, bij de rechtbank ingekomen op 28 november 2005, beroep ingesteld.

In beide zaken:

Bij faxbericht van 13 januari 2006 – en nadien bij brief van 16 januari 2006 – heeft verweerder nadere stukken toegezonden en een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn vervolgens gevoegd ter zitting behandeld.

4. Motivering

4.1. De rechtbank moet in deze zaken beoordelen of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden. In haar hiernavolgende overwegingen zal de rechtbank eerst ingaan op het besluit van 26 april 2005 en nadat zij zich omtrent de rechtmatigheid van dat besluit een oordeel heeft gevormd, ingaan op het besluit van 17 oktober 2005.

Het besluit van 26 april 2005

4.2. Voor de beoordeling van dit besluit is de volgende regelgeving van belang.

Ingevolge artikel 99, eerste lid, van het Bard kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair worden gestraft.

Ingevolge het tweede lid van deze bepaling omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Ingevolge artikel 100, eerste lid, aanhef en onder j, van het Bard – voor zover hier van belang – zijn de disciplinaire straffen, welke kunnen worden opgelegd: verplaatsing.

4.3. Daarnaast zijn voor deze beoordeling de volgende feiten van belang.

Eiseres is met ingang van 1 januari 1990 aangesteld als burgerambtenaar bij Defensie. Sinds 1 juli 1999 heeft zij de functie van “[Functie]” vervuld, laatstelijk bij de afdeling Facilitaire Dienst van [... Organisatie], standplaats [plaatsnaam].

Binnen [... Organisatie] is het gebruikelijk dat verouderde pc’s, eventueel met toebehoren, zoals printers, op verzoek aan medewerkers in bruikleen kunnen worden gegeven. Medio juni 2004 heeft eiseres de heer [...] (hierna: [...]), [functie] van [... Organisatie], mondeling verzocht om haar “een computer” in bruikleen te geven. [...] heeft dat verzoek toegewezen. Nadat technici van [... Organisatie], naar tussen [...] en eiseres was afgesproken, een door eiseres zelf aangeschafte cd-romspeler in de betreffende computer hadden ingebouwd, is deze in het kantoor van eiseres geplaatst. De computer bestond uit een desktop, toetsenbord en beeldscherm. Op het moment dat de computer in haar kantoor werd geplaatst, omstreeks eind juli 2004, was eiseres met vakantie. Bij haar terugkomst, begin augustus 2004, merkte zij de computer op.

Op vrijdag 13 augustus 2004 wilde eiseres de aan haar in bruikleen gegeven computer mee naar huis nemen. Aangezien bij de computer die in haar kantoor was geplaatst geen printer zat, heeft eiseres toen een verouderde printer uit het magazijn van [... Organisatie] gehaald. Vervolgens heeft zij deze printer alsmede de computer in een dienstauto geladen, waarmee zij is weggereden en het terrein van de Koninklijke Marine, waar zij haar werkzaamheden uitvoerde, wilde verlaten. Hiervoor diende eiseres te beschikken over een zogeheten passeerbiljet. Eiseres beschikte niet over dat biljet. Bij een bewakingspost aan de grens van het marineterrein heeft eiseres dit aan twee medewerkers van het beveiligingskorps van de Koninklijke Marine medegedeeld. Daarna is eiseres teruggereden en heeft zij uiteindelijk de dienstauto met daarin de computer en de printer laten staan en is zij in een andere dienstauto naar huis gereden.

Naar aanleiding van onder andere het bovenstaande heeft verweerder een onderzoek ingesteld. In afwachting van de uitkomsten van dit onderzoek heeft verweerder eiseres bij besluit van 31 augustus 2004, met ingang van diezelfde datum, tot nader order geschorst en de toegang tot het marineterrein ontzegd. Tegen dit besluit is door of namens eiseres geen bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft verweerder op 5 november 2004 het onder 3 vermelde besluit genomen, welk besluit in bezwaar is gehandhaafd. Bij dit besluit heeft verweerder eiseres overgeplaatst naar voorlopig het [...] ([...]) van [... Organisatie], standplaats [plaatsnaam]. Tot op heden is eiseres daar werkzaam. Bij brief van 29 augustus 2005 heeft verweerder eiseres, in verband met een aan haar gedane toezegging omtrent een definitieve functieplaatsing bij het [...], bericht dat haar de functie van “Service Delivery Manager” zal worden aangeboden.

4.4. Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder het volgende aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Eiseres heeft zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim als bedoeld in artikel 99 van het Bard, omdat zij (a) zonder toestemming van het bevoegd gezag een printer, die eigendom was van Defensie, uit het magazijn van [... Organisatie] heeft gehaald met de bedoeling om deze mee naar huis te nemen en (b) getracht heeft een computer (desktop, toetsenbord en beeldscherm) en een printer van het marineterrein te vervoeren zonder over een geldig passeerbiljet te beschikken. Gelet op de aard en de ernst van dit verzuim en in aanmerking genomen dat eiseres als “[Functie]” een voorbeeldfunctie vervulde en zij in 2002 reeds schriftelijk is berispt, heeft verweerder besloten om eiseres wegens het plichtsverzuim de disciplinaire straf van verplaatsing op te leggen. Naar de mening van verweerder kan eiseres niet meer op haar werkplek in [plaatsnaam] worden gehandhaafd, nu haar leidinggevenden niet langer vertrouwen in haar hebben.

4.5. Eiseres heeft in beroep het volgende aangevoerd. Eiseres betwist dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Daartoe heeft eiseres met name naar voren gebracht dat zij in de veronderstelling verkeerde dat zij van [...] ook een printer in bruikleen had gekregen, te meer nu een collega van haar, die op dezelfde dag als zij een aanvraag om bruikleen van een computer had gedaan, ook een printer had meegekregen. Naar de stelling van eiseres had zij niet het opzet om zonder toestemming van het bevoegd gezag een printer mee naar huis te nemen. Voorts heeft eiseres naar voren gebracht dat zij simpelweg is vergeten om een passerbiljet te laten ondertekenen en dit bij het vervoer van de apparatuur mee te nemen. Daarnaast stelt eiseres zich op het standpunt dat de aan haar opgelegde disciplinaire straf van verplaatsing onevenredig zwaar is. Eiseres heeft daartoe in het bijzonder gewezen op haar jarenlange goede staat van dienst en op de omstandigheden waaronder het mogelijke plichtsverzuim is begaan. Ten slotte is eiseres van mening dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.

4.6.1. De rechtbank overweegt het volgende. Vast staat dat eiseres medio juni 2004 [...] heeft verzocht om haar “een computer” in bruikleen te geven. Daarnaar gevraagd, heeft eiseres ter zitting medegedeeld dat zij [...] destijds niet expliciet heeft verzocht om haar (ook) een printer in bruikleen te geven. Naar de verklaring van eiseres ter zitting is in het gesprek tussen haar en [...] enkel over “een computer” gesproken, met name over de mogelijkheid om daarin een door eiseres zelf aangeschafte cd-romspeler te laten inbouwen, en is het woord “printer” in dat gesprek niet gevallen. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid van deze verklaring, zodat daarvan zal worden uitgegaan. Gelet hierop en nu omstreeks eind juli 2004 alleen een desktop (met ingebouwde cd-romspeler), toetsenbord en beeldscherm in het kantoor van eiseres zijn geplaatst, oordeelt de rechtbank dat [...] aan eiseres geen printer in bruikleen heeft gegeven. Naar algemeen spraakgebruik wordt immers onder een computer niet tevens een printer verstaan.

Dit brengt mee dat verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim als bedoeld in artikel 99 van het Bard door op 13 augustus 2004 een printer, die eigendom was van Defensie, uit het magazijn van [... Organisatie] te halen met de bedoeling om deze mee naar huis te nemen. Niet alleen was van een bruikleenovereenkomst met betrekking tot een printer dus geen sprake, voorts is ter zitting gebleken dat eiseres op 13 augustus 2004 geheel zelfstandig, zonder overleg en derhalve zonder nadere toestemming, de bewuste printer uit het magazijn heeft gehaald.

4.6.2. Verweerder heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat eiseres zich eveneens aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt door op 13 augustus 2004 te proberen de computer (desktop, toetsenbord en beeldscherm) en de printer van het marineterrein te vervoeren zonder over een geldig passeerbiljet te beschikken. De rechtbank onderschrijft ook dit standpunt.

Daarbij stelt de rechtbank voorop dat, naar tussen partijen niet in geschil is en voor de rechtbank vast staat, regel is dat personen die goederen van het marineterrein willen vervoeren in het bezit dienen te zijn van een door het bevoegd gezag ondertekend passeerbiljet. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij bekend was met deze regel. Bovendien heeft eiseres verklaard dat in het gesprek tussen haar en [...] over de bruikleen van “een computer”, [...] haar er nadrukkelijk op heeft gewezen dat zij te zijner tijd over een passeerbiljet zou moeten beschikken om de computer mee naar huis te kunnen nemen. Gelet hierop en nu vast staat dat eiseres op 13 augustus 2004 bij het vervoer van de computer en de printer niet in het bezit was van een door het bevoegd gezag ondertekend passeerbiljet, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres zich ook in dit verband aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt.

4.6.3. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd omtrent de in haar ogen onzorgvuldige wijze waarop verweerder het bestreden besluit heeft voorbereid, kan aan het bovenstaande niet afdoen. Dat geldt eveneens voor de stellingen van eiseres, dat zij in de veronderstelling verkeerde ook een printer in bruikleen te hebben gekregen en dat zij simpelweg is vergeten om een passerbiljet te laten ondertekenen en dit bij het vervoer van de apparatuur mee te nemen. Die stellingen zien immers op de omstandigheden waaronder het plichtsverzuim is begaan en dienen derhalve bij de bepaling van de eventueel op te leggen disciplinaire straf in aanmerking te worden genomen. Zij kunnen evenwel niet afdoen aan het oordeel dat sprake is van plichtsverzuim.

4.7.1. Nu eiseres zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim als bedoeld in artikel 99 van het Bard had verweerder ingevolge de onder 4.2 weergegeven regelgeving in beginsel de bevoegdheid om eiseres de disciplinaire straf van verplaatsing op te leggen, welke bevoegdheid verweerder bij het bestreden besluit heeft uitgeoefend. Met betrekking tot de vraag of deze bevoegdheidsuitoefening de rechterlijke toetsing kan doorstaan overweegt de rechtbank als volgt.

4.7.2. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat hij bij zijn beslissing om eiseres als disciplinaire straf over te plaatsen van de Facilitaire Dienst van [... Organisatie] in [plaatsnaam] naar het [...] ([...]) van [... Organisatie] in [plaatsnaam] de navolgende factoren in aanmerking heeft genomen: de aard en de ernst van het plichtsverzuim, de schriftelijke berisping van eiseres in 2002, de voorbeeldfunctie die eiseres vervulde en het thans ontbreken van vertrouwen in eiseres bij haar leidinggevenden.

Wat betreft de aard en de ernst van het plichtsverzuim overweegt de rechtbank dat, mede gezien de voorbeeldfunctie die eiseres als “[Functie]” vervulde, niet gezegd kan worden dat verweerder zich gelet op die aard en ernst niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres ter zake van het plichtsverzuim disciplinair moet worden gestraft. Eiseres heeft immers zonder toestemming een printer uit het magazijn van [... Organisatie] gehaald en deze, samen met een aan haar in bruikleen gegeven computer, zonder passeerbiljet vervoerd. Vanuit een oogpunt van normhandhaving en ter effening van de weerslag/uitstraling die het handelen van eiseres op met name het onder haar werkzame personeel zal kunnen hebben gehad, acht de rechtbank het niet onredelijk dat eiseres voor haar plichtsverzuim disciplinair wordt gestraft.

4.7.3. Bij de bepaling van de soort disciplinaire straf dient echter ook acht te worden geslagen op de omstandigheden waaronder het plichtsverzuim is begaan. Daaromtrent heeft eiseres ter zitting het volgende verklaard.

Eiseres verkeerde in de veronderstelling dat zij ook een printer van [...] in bruikleen had gekregen. Zij ging ervan uit dat bij een computer automatisch een printer hoorde en verder had een collega van haar, genaamd [...], die op dezelfde dag als zij een aanvraag om bruikleen van een computer had gedaan, ook een printer meegekregen. Toen eiseres op vrijdag 13 augustus 2004 echter de aan haar in bruikleen gegeven computer mee naar huis wilde nemen, ontdekte zij dat bij de computer die in haar kantoor was geplaatst geen printer zat. Dit was haar niet eerder opgevallen. Eiseres dacht dat er een vergissing was gemaakt en heeft vervolgens zelf een printer uit het magazijn van [... Organisatie] gehaald, tot welk magazijn zij uit hoofde van haar functie toegang heeft. Daarna heeft eiseres deze printer alsmede de computer in een dienstauto geladen, waarmee zij het marineterrein wilde verlaten. Bij de bewakingspost realiseerde zij zich echter dat zij niet in het bezit was van een passeerbiljet. Zij had reeds in de ochtend van 13 augustus 2004 een dergelijk biljet uitgedraaid en op haar bureau gelegd, maar was simpelweg vergeten om dit in de loop van die dag door het bevoegd gezag te laten ondertekenen en vervolgens bij het vervoer van genoemde apparatuur mee te nemen. Bij de bewakingspost heeft eiseres dit uit zichzelf aan twee medewerkers van het beveiligingskorps van de Koninklijke Marine medegedeeld. Daarna is zij teruggereden om te proberen het passeerbiljet alsnog te laten ondertekenen en mee te nemen. Op dat moment, het was vrijdagmiddag omstreeks 18.00 uur, bleek evenwel niemand van het bevoegd gezag meer aanwezig te zijn. Eiseres heeft toen de dienstauto met daarin de computer en de printer laten staan en is in een andere dienstauto naar huis gereden.

Ter zitting heeft verweerder deze verklaring van eiseres niet weersproken. Zelf ziet de rechtbank evenmin reden om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder ook in aanmerking genomen dat verweerder ter zitting, daarnaar gevraagd, heeft medegedeeld dat hij geen onderzoek heeft ingesteld naar het door eiseres verklaarde omtrent de bruikleenovereenkomst tussen [...] en [...] en de feitelijke uitvoering daarvan. Klaarblijkelijk heeft verweerder dit niet nodig gevonden en is hij uitgegaan van de juistheid van de verklaring van eiseres hieromtrent. De rechtbank ziet geen reden om daar anders over te oordelen. Daarnaast heeft de rechtbank met name in aanmerking genomen dat wat er verder ook zij van het door de twee beveiligingsmedewerkers van de Koninklijke Marine opgemaakte rapport van 13 augustus 2004 – waaromtrent partijen in de loop van de bezwaar- en beroepsprocedure hebben getwist – dit rapport steun biedt voor de verklaring van eiseres dat zij uit zichzelf aan deze medewerkers heeft medegedeeld dat zij niet in het bezit was van een passeerbiljet. Dit rapport houdt immers in, voor zover hier van belang: “Nog voordat wij iets aan de bestuurster hadden medegedeeld meldde zij het volgende: “Ik heb wel spullen bij me maar ik heb het passeerbiljet vergeten.”.”

4.7.4. Op grond van hetgeen onder 4.7.3 is overwogen, staat voor de rechtbank vast dat bij eiseres niet de opzet heeft gehad om de printer van Defensie te stelen. Verder is de rechtbank ervan overtuigd dat eiseres niet doelbewust en weloverwogen de regel heeft willen schenden dat personen die goederen van het marineterrein willen vervoeren in het bezit dienen te zijn van een door het bevoegd gezag ondertekend passeerbiljet. Ter zitting heeft verweerder in dit verband verklaard dat ook naar zijn mening geen sprake is geweest van zogeheten boos opzet aan de zijde van eiseres. “Anders was er naar alle waarschijnlijkheid wel aangifte van diefstal tegen haar gedaan”, aldus verweerders gemachtigde ter zitting.

Gelet hierop en nu vast staat dat eiseres afgezien van het onderhavige plichtsverzuim en de hierna te noemen schriftelijke berisping over een onberispelijke staat van dienst beschikte van bijna vijftien jaren en zij als “[Functie]” naar behoren functioneerde, is de rechtbank van oordeel dat de aan eiseres opgelegde disciplinaire straf van verplaatsing als onevenredig zwaar dient te worden aangemerkt. De zwaarte van deze straf, die naar ter zitting is gebleken een enorme impact heeft gehad op het persoonlijke leven van eiseres en een abrupt einde heeft betekend van een voor haar geliefde werkplek, staat naar het oordeel van de rechtbank niet in een proportionele verhouding tot de aard en de ernst van het plichtsverzuim, begaan onder de omstandigheden zoals die hiervoor zijn geschetst.

4.7.5. De omstandigheid dat eiseres in 2002 reeds een schriftelijke berisping heeft gekregen, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Niet alleen had deze berisping slechts betrekking op het feit dat eiseres éénmaal vanaf haar werkplek op briefpapier van [... Organisatie] een privé-fax had verzonden, ook is tussen deze berisping en het onderhavige plichtsverzuim een periode van twee jaren gelegen en niet is gebleken dat eiseres zich in deze periode op welke wijze dan ook schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. In het licht hiervan is de rechtbank van oordeel – zonder overigens te willen miskennen dat eiseres in 2002 de regels heeft overtreden – dat verweerder bij de bepaling van de thans aan eiseres op te leggen disciplinaire straf niet meer dan een gering gewicht aan de eerdere berisping mag toekennen.

Met betrekking tot de stelling van verweerder dat de leidinggevenden van eiseres thans niet langer vertrouwen hebben in eiseres en dat zij om die reden niet kan worden gehandhaafd op haar werkplek in [plaatsnaam] overweegt de rechtbank tot slot het volgende. Gelet op de aard en de ernst van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder dit is begaan, valt voor de rechtbank redelijkerwijs niet in te zien dat (de persoon van) eiseres zodanig is beschadigd dat zij niet meer op haar oude werkplek kan worden gehandhaafd. Zoals reeds is overwogen, staat immers vast dat bij het begaan van het plichtsverzuim bij eiseres geen kwade bedoelingen hebben voorgezeten en dat zij, afgezien van dit verzuim en de eerdere berispring, waaraan dus weinig gewicht moet worden toegekend, over een onberispelijke staat van dienst beschikte van bijna vijftien jaren en de functie van “[Functie]” steeds naar behoren heeft vervuld. In het licht hiervan kan de rechtbank verweerder niet volgen in zijn betoog ter zitting dat naar aanleiding van de gedragingen van eiseres bij haar leidinggevenden gegronde twijfels zijn gerezen omtrent haar integriteit, zodat aan deze stelling, die ook niet concreet is onderbouwd, wordt voorbijgegaan.

4.7.6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), omdat de voor eiseres nadelige gevolgen van dit besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dit besluit te dienen doelen. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder met een lichtere straf moeten volstaan. Het bestreden besluit kan de rechterlijke toets derhalve niet doorstaan.

Hieruit volgt dat het beroep gegrond is en hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd geen bespreking behoeft. In haar hierna te nemen beslissing zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het door eiseres gemaakte bezwaar te nemen.

4.8. De rechtbank acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,00 als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit bedrag is het product van 2,00 (1 punt voor het opstellen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 322,00 (waarde per punt) en 1,00 (gewicht van de zaak: gemiddeld).

Het door eiseres gedane verzoek om verweerder tevens te veroordelen in de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, wordt door de rechtbank afgewezen. Immers, niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb dat het primaire – dus niet het thans bestreden – besluit is of wordt herroepen, welk artikellid in artikel 8:75 van de Awb van overeenkomstige toepassing is verklaard. Verweerder zal zich in zijn nieuw te nemen besluit over dit verzoek moeten uitlaten.

Het besluit van 17 oktober 2005

4.9. Voor de beoordeling van dit besluit is de volgende regelgeving van belang.

Ingevolge artikel 88, eerste lid, van het Bard, zoals deze bepaling luidde tot en met 10 mei 2005, kan Onze Minister naar billijkheid de ambtenaar schadeloos stellen, kosten vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming verlenen.

4.10. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek van eiseres om de door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand te vergoeden, afgewezen. Verweerder heeft in dat besluit geweigerd om toepassing te geven aan zijn bevoegdheid ingevolge artikel 88, eerste lid, van het Bard, nu naar zijn mening daartoe geen aanleiding bestaat.

4.11. Eiseres heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat verweerder toepassing had moeten geven aan zijn bevoegdheid ingevolge artikel 88, eerste lid, van het Bard. Anders dan verweerder meent, is wel degelijk sprake van omstandigheden die een beroep op deze bepaling rechtvaardigen, aldus eiseres. Ter zitting heeft eiseres aangegeven dat zij aanspraak maakt op een bedrag van in totaal € 8.091,02, zoals dit is gespecificeerd in de door haar advocaat opgestelde en ter zitting overgelegde debiteurenkaart.

4.12. De rechtbank overweegt het navolgende. Artikel 88, eerste lid, van het Bard geeft verweerder – die door de Minister van Defensie hiermee is belast – de bevoegdheid om naar billijkheid aan een ambtenaar kosten te vergoeden. Het betreft hier een zogeheten discretionaire bevoegdheid. De wetgever heeft verweerder een grote mate van vrijheid gelaten om te bepalen in welke gevallen hij toepassing wenst te geven aan genoemde wetsbepaling. Dit betekent dat de rechtbank zich zal moeten beperken tot een terughoudende toets.

Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verweerder niet in redelijkheid tot zijn beslissing is kunnen komen om geen toepassing te geven aan artikel 88, eerste lid, van het Bard. Hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit brengt met zich dat het bestreden besluit de rechterlijke toets, zoals hiervoor omschreven, doorstaat.

In dit verband wijst de rechtbank er nog op dat in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb een regeling is opgenomen voor een, zij het forfaitaire, vergoeding van de kosten die eiseres in verband met de behandeling van haar bezwaar tegen het bewuste besluit van 5 november 2004 redelijkerwijs heeft moeten maken. Zoals onder 4.8 is overwogen, zal verweerder zich in zijn in de zaak met reg.nr. AW 05/1252 nieuw te nemen besluit over de toepassing van deze bepaling dienen uit te laten.

4.13. Het beroep is ongegrond. Bij deze beslissing bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

5. Beslissing

De rechtbank,

In de zaak met reg.nr. AW 05/1252:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het door eiseres gemaakte bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiseres redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,00;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze proceskosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de betaling van € 644,00 dient te worden gedaan aan eiseres.

In de zaak met reg.nr. AW 06/224:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.M. van Weely, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van C.H. Kuiper, als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op: 9 maart 2006,

door voornoemd lid, in tegenwoordigheid van mr. S. Jongeling, als griffier.

De griffier, Het lid van de enkelvoudige kamer,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een beroepschrift en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.